Sickinghe is een Nederlands adellijk regentengeslacht uit de provincie Groningen. Reeds in 1255 gold de familie als een van de oudste en welvarendste geslachten van de stad Groningen; kort daarna leverde zij een van de vier oudst bekende burgemeesters van de stad. Vanuit het Stad-Groninger patriciaat groeide het geslacht uit tot een familie van regenten, hoofdelingen en landjonkers. Naast hun langdurige invloed in de stad Groningen verwierven de Sickinghes ook in de Ommelanden een vooraanstaande bestuurlijke en maatschappelijke positie. De invloed van het geslacht strekte zich later ook uit tot Friesland en andere delen van Nederland. Sickinghe behoort, met een genealogie van twintig à drieëntwintig generaties, tot de oudste nog bloeiende inheemse adellijke geslachten van Nederland.

Sinds de hoge middeleeuwen speelde het geslacht een rol in het bestuur van het noorden van de Lage Landen; vanaf de vijftiende eeuw werd het als adellijk beschouwd.Redmer Alma, Laat-middeleeuwse adel in Winsum, Infobulletin Winshem, I (1996/1997) nr. 2, p.5-6. Leden van de familie vervulden door de eeuwen heen talrijke bestuurlijke, rechterlijke en militaire ambten in dienst van Stad en Lande en Friesland, waaronder die van vazal, burgemeester, drossaard, grietman, proost en rechter.

Tussen 1250 en 1800 leverde het geslacht ten minste twaalf burgemeesters aan de stad Groningen, goed voor in totaal bijna honderd jaar burgemeesterschap. In de Ommelanden groeide het geslacht uit tot een van de vooraanstaande landjonkerfamilies, met omvangrijk grondbezit en talrijke bestuurlijke, rechterlijke, heerlijke en kerkelijke rechten. Tussen 1560 en 1690 waren leden van de familie heren van Warffum en vanuit de Warffumborg actief in het bestuur van verschillende Ommelander kerspelen en rechtsgebieden. Daarnaast bezaten zij gedurende een deel van de zeventiende eeuw het Waddeneiland Rottumeroog. miniatuur|De Sickingheburg te Warffum (Groningen)Leden speelden een hoofdrol in het Groninger Oproer in 1413, de Saksische Vete en het Ontzet van Coevorden in 1672. Daarnaast namen zij deel aan talrijke andere conflicten, waaronder de Grote Friese Oorlog, de Tachtigjarige Oorlog, de Tweede Münsterse Oorlog, het Gronings Ontzet, de Glorious Revolution, de Belgische Revolutie en de Tweede Wereldoorlog.

Voorts waren leden van het geslacht aanwezig bij diverse historische gebeurtenissen, waaronder de abdicatie van keizer Karel V te Brussel en de machtsoverdracht aan zijn zoon, koning Filips II, in 1555. In de Nederlanden waren familieleden betrokken bij de ondertekening van onder meer de Eerste Unie van Brussel en de Unie van Utrecht. Daarnaast waren zij aanwezig bij de huldiging van bisschop Rudolf van Diepholt (1453), de intocht van graaf Edzard I van Oost-Friesland (1506), die van hertog Karel van Gelre (1514) en die van landvoogdes Maria van Oostenrijk (1545), alle te Groningen, alsmede bij de begrafenis van graaf en stadhouder Ernst Casimir van Nassau-Dietz te Leeuwarden in 1633.

Door de eeuwen heen vervulden telgen van het geslacht diverse (militaire) functies voor Huis Nassau en het Nederlandse Koninklijk Huis. Zo waren zij actief als page, adjudant, ordonnansofficier, stalmeester, kapitein des Gardes, kamerheer, hofmaarschalk, intendant, directeur en gouvernante. Halverwege de 19e eeuw vestigden de meeste familieleden zich voornamelijk in 's-Gravenhage, waar zij onder andere werkzaam waren als militair, arts en bestuurder. Sinds de 20e eeuw is de familie geografisch meer verspreid geraakt en bracht zij enkele toonaangevende bestuurders voort binnen het (internationale) bedrijfsleven.

Geschiedenis miniatuur|Het Sickinghe wapen in de apsis van de Petruskerk van Usquert, aangebracht in 1644 miniatuur|Het zegel van Feyo I Sickinghe in 1450 met daarop het familiewapen en de wapenspreuk: Regier met fester hand (Regeer met vaste hand)miniatuur|Joncker Johan Sickinghe (1576-1652)De familie Sickinghe (historisch ook gespeld als: Sickinge, Sickinga, Sikkinga(e) en van Sickingha) behoort tot de oude adellijke en patricische geslachten van Noord-Nederland. De vroegst bekende vermelding van het geslacht dateert uit 1015, toen een Koert Sickinghe werd genoemd als 'gevreesde' hoofdman van het Groningse dorp Winsum.

Na meer dan een eeuw van afwisselende conflicten tussen de machtige families Gelkinge en van Groenenberg werd in 1255 een algemene vrede bereikt. Egbert van Groenenberg werd hersteld als burggraaf en hoogste rechter van de stad Groningen namens de bisschop van Utrecht, Hendrik van Vianden. Tegelijkertijd werd de stadsregering hervormd en ingericht door een raad van zeventien mannen: vier van hen waren burgemeester en rekenmeesters, de overige twaalf werden aldermannen genoemd, een functie die vergelijkbaar is met die van een modern raadslid of bestuurder. Zij werden gekozen uit de tien oudste en rijkste families van die tijd, waaronder de familie Sickinghe.De andere families waren de Huningaas, Papingen, Folkerdingen, Hubaldingaas, Reymans, Buningaas, Kalmers, Gelkingen en Wicheringen.

Christiaan Schotanus, De geschiedenis, kerkelijk en wereldbeeld van Frieschland Oost ende West, Franeker 1658, p.135.

De Sickinghe die in 1255 tot alderman werd gekozen, is mogelijk Lubertus Sickinghe geweest. Volgens bronnen was hij 'met zijn wijsheid en bestuur' medeverantwoordelijk voor het herstel van de stadsmuren van Groningen, die tijdens de oorlog waren verwoest.A.A. Vorsterman van Oyen, Genealogische en heraldische bladen, Maandblad voor geslacht-, wapen- en zegelkunde, Volume 2, 's-Gravenhage 1885, p.260. Dit was mogelijk dezelfde Lubertus die in 1264 als burgemeester van de stad voorkomt.Joannis Nicolai, Ubbonis Emii, De agro Frisiae inter Amasum et Lavicom Syntagma, Groningen 1646, p.265 (scan 289). Een tweede mogelijkheid is dat het de ridder Otto Sickinghe betrof. Hij wordt in een verkoopakte uit 1257 vermeld als een van de vier rekenmeesters (burgemeesters met financiële taken) van de stad Groningen en geldt als de oudst genealogisch traceerbare voorouder van het geslacht.

Een charter uit 1267 vermeldt een ruitergevecht waarbij drie broeders Sickinghe aanwezig waren, waaruit blijkt dat het geslacht toen reeds een gevestigde positie innam in de regio. Historische bronnen bevestigen dat leden van het geslacht vanaf die tijd tot in de negentiende eeuw herhaaldelijk voorkwamen als bestuurders in Groningen en Friesland. Zo bekleedden Lutbertus Sickinghe (1264), Ludolf Sickinghe (1284, 1291 en 1292) en Gerard Sickinghe (1304–1357) het burgemeestersambt van Groningen. Lubbert Sickinghe, waarschijnlijk Otto’s klein- of achterkleinzoon, was burgemeester van 1354 tot 1383 en wordt beschouwd als stamvader van de Groningse, nog bestaande tak van de familie.Of deze Lubbert een rechtstreekse zoon is van Geert (zoon van Otto) is nog onduidelijk, dat Otto en Geert in dezelfde tijd leefden en telgen van het geslacht Sickinghe waren staat vast. Het Nederland's Adelsboek 44 (1951), p. 270 geeft het volgende aan: "In oudere genealogieën worden hem resp. tot vader en grootvader gegeven Geert Sickinghe, burgemeester van Groningen tusschen 1304 en '57, die in het Groninger Oirkondenboek wordt vermeld tusschen 1309 en '48, en Otto Sickinghe, die als burgemeester van Groningen voorkomt in 1246 en '57. Voldoende bewijzen (van meerdere bronnen) voor deze rechtstreekse lijn van Otto en Geert tot Lubbert, die niet volstrekt onaannemelijk is, ontbreken echter tot dusverre"; het NA 93 (2008) vermeldt deze eerdere filiatie niet.

In een toespraak aan de Latijnse School van Groningen in 1619 verklaarde de jonge humanist Johan Sickinghe (1602-1624) dat zijn familie “plusminus vierhonderd jaar lang” onafgebroken hoge ambten had bekleed in “dezelfde republiek” (de stadstaat Groningen), waarmee hij de oorsprong van het geslacht terugbracht tot circa 1219.Johanne Sickinghe, Educationis - atq; difciplinæ, quantæq; gratiæ fidelibus morum & studiorum architectis debeantur, p. 46

Vanuit de Groningse tak ontwikkelde zich vermoedelijk de Friese tak, die begint met Feicke Sickinga (1325-1407), zoon van Feyes Sickinga en kleinzoon van bovengenoemde Ludolf Sickinghe. Hij was een bondgenoot van graaf Albrecht van Beieren en speelde een centrale rol in de Hollandse partij tijdens de strijd om Friesland.

Hoewel het geslacht oorspronkelijk tot het Groninger stadspatriciaat behoorde, namen leden vanaf de 14e eeuw ook feodale en adellijke functies op zich. In 1376 werd Lubbert Sickinghe door zowel het domkapittel van Utrecht als burggraaf Reinoud IV van Coevorden beleend met de Tamminga-tienden. In 1384 bevestigde de burggraaf de overdracht van deze tienden aan Johan Sickinghe, de zoon van Lubbert. In 1463 verleende de bisschop van Utrecht, David van Bourgondië, de tienden aan Lubberts kleinzoon, Evert Sickinghe.Sr. G. Acker Stratingh, Mr. H. O. Feith en Mr. W. B. S. Boeles, Bijdragen tot de Geschiedenis en Oudheidkunde, inzonderheid van de Provincie Groningen, vijfde deel, Groningen 1868, p. 302. Evert combineerde verschillende machtsposities, kenmerkend voor de familie Sickinghe in die tijd. In Groningen was hij hoofdman en bezat hij samen met zijn vader het gildrecht. Tegelijkertijd speelde hij ook een belangrijke rol op het platteland, als hoofdeling en redger (plaatselijk rechter) te Winsum, Baflo en Den Andel. In 1441 legde hij de eed af aan bisschop Hendrik II. van Meurs van Münster, waarna hij werd benoemd tot proost van de halve proosdij van Loppersum — een wereldlijk ambt met toezicht op kerkelijke goederen en inkomsten. Hij huwde een dochter van de bekende Oost-Friese legeraanvoerder Focko Ukena. Evert en zijn vrouw bezaten vele steenhuizen en boerderijen in en rondom de stad – onder meer het Sickinghehuis, gelegen ten westen van de Boteringestraat, en de westelijke Ripperdaborg, waar het echtpaar woonde.

In 1999 introduceerde Redmer Alma de benaming Codex Sickinghe voor een vijftiende-eeuws Ommelander rechtshandschrift. De codex werd genoemd naar Johan Sickinghe (ca. 1452 – na 1499), zoon van Feyo I Sickinghe en de oudste met zekerheid bekende eigenaar. Zijn hand, pennenproeven en persoonlijke en juridische aantekeningen komen in alle onderdelen van het boek voor; vermoedelijk liet hij de afzonderlijk ontstane gedeelten omstreeks 1500 samenvoegen en inbinden. Het handschrift wordt bewaard in het Drents Archief en behoort tot de oudste en belangrijkste bewaard gebleven Ommelander rechtshandschriften.R.H. Alma, 'Codex Sickinghe. Het oudste Ommelander rechtshandschrift', Us Wurk 48 (1999), p. 122–146, aldaar p. 122–129 en 138–139.H.D. Meijering en J.A. Nijdam, ‘Wat is Recht?’ De receptie van Oudfries recht in de Groninger Ommelanden in de 15e en 16e eeuw, Gorredijk 2018, p. 13–16.miniatuur|240x240px|Jonckheer Feio Sickinghe (1610-1666) legde in 1638 de eerste steen voor de toren van de Sebastiaankerk van Warffum

Van de 15e tot de 17e eeuw bracht het geslacht vele landjonkers voort, wonend op borgen, kastelen en steenhuizen. Zij waren actief als grootgrondbezitter, rechter, bestuurder of militair. Pas in het begin van de 18e eeuw keerde de familie definitief terug naar het stedelijke leven. miniatuur|Jonkheer Pieter Rembt Sickinghe (1743-1821)In 1814 werd mr. Pieter Rembt Sickinghe (1743-1821) benoemd in de Ridderschap der Provincie Groningen – als enige vertegenwoordiger van het oude Groninger stadspatriciaat. Hij had, als lid van een oud adellijk geslacht, de mogelijkheid om een baronnentitel te voeren, maar zou hierover gezegd hebben: Better een olde jonker, dan een nije baron. In 1815 werd ook zijn zoon, mr. Onno Joost Sickinghe, benoemd in de Ridderschap. Sindsdien behoren zij en hun nakomelingen tot de Nederlandse adel, met het predicaat jonkheer of jonkvrouw en het aanspreekformulier Hoogwelgeboren. Als leden van een al sinds de 15e eeuw als adellijk erkend riddermatig Noord-Nederlands geslacht waren zij vrijgesteld van de verplichting een bewijsakte van 'nieuwe veradeling' te overleggen.