Avram Noam Chomsky (Philadelphia (Pennsylvania), 7 december 1928) is een Amerikaans taalkundige, filosoof, mediacriticus en politiek activist. Chomsky is emeritus hoogleraar taalkunde aan het Massachusetts Institute of Technology. Als grondlegger van de generatieve taalkunde is hij de invloedrijkste taalwetenschapper van de 20e eeuw. Tussen 1980 en 1992 was hij de op zeven na meest geciteerde auteur in wetenschappelijke tijdschriften: Marx, Lenin, Shakespeare, Aristoteles, de Bijbel, Plato en Freud.Na de grondvesting van de structuralistische taalkunde door Ferdinand de Saussure in het begin van de twintigste eeuw, domineren Chomsky's theorieën de taalkunde vanaf circa 1964. Speech!. The Pennsylvania Gazette, juli/augustus 2001. URL bezocht op 8 november 2006.
Taal en opvattingen De kern van Chomsky's taalkunde is zijn hypothese van een universele grammatica, een aangeboren taal die eigen is aan de mens en de taalovereenkomsten verklaart. Zijn inzichten stimuleren de cognitiewetenschappen en zijn de doodsteek voor de behavioristische taalkunde. Zijn niet accepteren van het behaviorisme verklaart zijn politieke opvattingen. 'De mens heeft een wil en hoeft zich niet te schikken', aldus Chomsky. Hij schreef kritische boeken over de Amerikaanse buitenlandse politiek en de rol van ideologie en media in de westerse samenleving. Chomsky beschouwt zich als libertair socialist, anarchist en anarchosyndicalistSteven Pinker (1995). The Language Instinct. HarperPerennial. Chomsky's taalkunde is rationalistisch (in tegenstelling tot empiristisch). In het verlengde van de generatieve grammatica ontwikkelde hij de Chomskyhiërarchie, een classificatie van formele talen met informaticatoepassingen.Stuart Russell en Peter Norvig (2003). Artificial Intelligence: a Modern Approach. Prentice Hall;
Levensloop thumb|Chomsky in Leiden (1977) Chomsky werd geboren als zoon van Elsie Simonofsky en William (Zev) Chomsky, beiden van Joodse komaf. Hij heeft een jongere broer, David Eli Chomsky. Vader William Chomsky vluchtte in 1913 uit Rusland voor de dienstplicht in het leger van de tsaar. In Baltimore vond hij werk in sweatshops en ging studeren aan de Johns Hopkins Universiteit, waarbij hij met lesgeven in zijn levensonderhoud voorzag. In Philadelphia werkte hij zich op tot hoofd van een joodse school. Later werd William Chomsky faculteitsvoorzitter van de hogeschool (lerarenopleiding) Gratz College en gaf hij les aan Dropsie College (nu Center for Advanced Judaic Studies). Daarnaast schreef hij taalkundige verhandelingen over het Hebreeuws; aan het eind van zijn leven, in 1977, was hij volgens de New York Times een van de voornaamste Hebreeuwse taalkundigen ter wereld.Robert F. Barsky (1997). Noam Chomsky: A Life of Dissent. MIT Press/CogNet. Moeder Elsie Chomsky-Simonofsky was lerares Hebreeuws en kon zich intellectueel meten met haar man. Hoewel zij gereserveerd was, was zij het die Noam inleidde in de linkse politiek en het zionisme. De familie was gepolitiseerd; waar William en Elsie Chomsky linkse Democraten waren, waren andere familieleden actief in de Communistische Partij, in de vakbonden en in radicale organisaties.
Grote depressie Noam groeide op ten tijde van de Grote Depressie in een omgeving van immigranten, onder wie Duitsers en Ieren met antisemitische en pro-nazi sympathieën. In deze omgeving bleek zijn politieke interesse. In 1939, op tienjarige leeftijd, publiceerde hij een eerste politiek geschrift in de schoolkrant over de val van Barcelona in de Spaanse Burgeroorlog, de Anschluss en de annexatie van Tsjecho-Slowakije door nazi-Duitsland. De Spaanse Burgeroorlog en de rol die de Confederación Nacional del Trabajo speelde bleef hem fascineren. Hij was 'te jong', merkte hij later zelf op, om sympathie voor het leninisme te kweken, 'een geluk bij een ongeluk'.James McGilvray, red. (2005). The Cambridge Companion to Chomsky. Cambridge University Press.
Vormende gebeurtenissen Chomsky had een voorkeur voor realistische literatuur (onder andere: Dostojevski, Tolstoj, Hugo, Twain en Zola). Daarnaast las hij de Bijbel in het Hebreeuws. Toen hij twaalf was las hij het manuscript van zijn vaders boek over de middeleeuwse grammaticus David Kimchi (David Kimhi's Hebrew Grammar). Zijn vaders werk wekte zijn interesse in taal en grammatica. Eveneens op zijn twaalfde ging Chomsky naar de middelbare school, de Central High School. Dit bleek een schokkende ervaring: de prestatie- en competitiegerichte sfeer stuitten hem tegen de borst zodat hij later sprak van indoctrinatie. Scholen blokkeren creatieve impulsen van leerlingen en leren vooral gehoorzaamheid en hiërarchie aan. Chomsky had vrienden op school maar ging vooral zijn eigen weg. Een nieuwe schok kwam toen in 1945 de Amerikaanse atoombommen op Hiroshima en Nagasaki vielen. In tegenstelling tot de jongeren met wie hij op zomerkamp was, kon de 16-jarige Chomsky het niet opbrengen om te juichen over zoveel dood en verderf, al betekende de aanval het definitieve einde van de Tweede Wereldoorlog.
Syntactische Structuren thumb|Het Ray and Maria Stata Center op het MIT, waar Chomsky huist in het Department of Linguistics and Philosophy.
Chomsky begon in 1945 zijn studie in filosofie, taalkunde en wiskunde aan de universiteit van Pennsylvania. Hij studeerde onder Zellig Harris, een hoogleraar in de taalkunde voor wiens politieke visie hij sympathie opbracht. In 1949 trouwde hij met Carol Schatz en ze kregen drie kinderen. Hij behaalde in 1955 zijn PhD (doctorstitel), waarvoor hij het meeste onderzoek de voorgaande vier jaren aan de Harvard universiteit verrichtte. In zijn dissertatie ontwikkelde hij enkele linguïstische ideeën en vatte die samen in zijn boek uit 1957 Syntactic Structures. Dit is zijn beroemdste werk in de taalkunde en was lange tijd een bijbel voor de Chomskyaanse linguïsten.Noam Chomsky (1971). De Aziatische oorlog: interventie in Azië en de crisis in Amerika. Amsterdam: Van Gennep. Na zijn promotie doceerde Chomsky aan het MIT (Massachusetts Institute of Technology). Gedurende de eerste decennia raakte hij meer en meer betrokken bij politiek, waarbij hij kritiek uitte op de Amerikaanse politiek en de oorlog in Vietnam, rond 1965. In 1969 publiceerde hij American Power and the New Mandarins, een essay over hetzelfde onderwerp. Ook bezocht hij de Vlakte der Kruiken in Laos, waar hij sprak met Laotianen op de vlucht voor Amerikaans (CIA-)geweld in de geheime oorlog.
Vanaf die tijd is hij bekend om zijn radicale politieke gezichtspunten en geeft hij over de hele wereld lezingen hierover. Verder heeft hij diverse boeken over het onderwerp geschreven. Hij neemt duidelijk stelling tegen de Amerikaanse inmengingspolitiek in Cuba, Haïti, Oost-Timor, Nicaragua, het Arabisch-Israëlisch conflict, de oorlog rond Kosovo en de Golfoorlog (2003). Sinds de aanslagen van 11 september 2001 heeft Chomsky zijn taalkundige werk voor een groot deel (maar niet geheel) aan de kant gezet om tijd te hebben om politiek commentaar te geven. Wel voerde hij daarna nog een wetenschappelijke polemiek tegen de optimaliteitstheorie.
Hij geldt als criticus van de mondialisering, de media en het neoliberalisme. Zijn analyses vinden veel belangstelling bij (radicaal-)links. Doordat hij zijn standpunten doorgaans op degelijk onderzoek baseert, wordt hij eveneens door intellectuelen van links en rechts gerespecteerd. Minder appreciatie genieten de conclusies die hij trekt, die volgens Amerikaanse rechts-conservatieve critici in de buurt komen van samenzweringstheorieën. De New York Times noemde zijn politieke analyses ooit "simplistisch", maar ze beschreven hem tevens als de belangrijkste levende intellectueel. In de tussentijd is hij blijven schrijven en doceren over taalkunde en de gevolgen van het Amerikaanse buitenlands beleid.
Bijdragen aan de taalwetenschap In Chomsky's visie is taalkunde een natuurwetenschap, niet een sociale of toegepaste wetenschap: het is een onderdeel van de biologie, en heeft als doel te verklaren hoe het taalvermogen in de menselijke geest werkt, niet hoe het tot uiting komt. Chomsky maakt derhalve onderscheid tussen I-language, het gedeelte van taal intern in de mens, en E-language, de externe verschijning hiervan. Alleen de eerste is onderwerp van studie in de taalkunde; van de E-language worden, net als in de natuurwetenschappen, empirische gegevens geabstraheerd om tot een elegante (wiskundige) theorie te komen.
Chomsky's taalkunde is rationalistisch en cartesiaans, in de zin dat zijn theorieën ervan uitgaan dat het taalvermogen grotendeels is aangeboren, niet aangeleerd. Alle mensen delen de zogenaamde universele grammatica, die de overeenkomsten tussen verschillende talen verklaart. Deze zijn veel groter, meent Chomsky, dan men op het eerste gezicht zou zeggen. Over de verklaring voor de verschillen tussen talen veranderde hij in zijn carrière verschillende malen van mening. Op het punt van taalverwerving is zijn theorie het minst onderbouwd en wordt door hedendaagse linguïsten grotendeels verlaten.
Generatieve grammatica
Syntactic Structures (1957)Noam Chomsky (1966). Syntactic Structures. Zesde druk, Mouten, Den Haag. was de eerste wijdverspreide publicatie waarin hij transformationele grammatica's introduceerde. De theorie beschouwt talige uitingen (woorden, frasen, zinnen) als corresponderend met abstracte "oppervlaktestructuren", die op hun beurt afgeleid kunnen worden of corresponderen met dieptestructuren. Een duidelijk formeel onderscheid tussen dieptestructuren en oppervlaktestructuren ontbreekt in huidige versies van de theorie.
Transformatieregels, samen met frase-structuurregels en structurele principes, zijn verantwoordelijk voor zowel het voortbrengen als de interpretatie van talige uitdrukkingen. Volgens een afgeleide theorie die indruist tegen de ideeën van Chomsky zelf, de generatieve semantiek, speelt hierbij niet de syntaxis maar de semantiek een centrale rol. Met een beperkte verzameling grammaticale regels en een eindige verzameling basisuitdrukkingen is het zo mogelijk om een oneindige hoeveelheid zinnen voort te brengen, waaronder alle mogelijke zinnen die nog nooit door iemand zijn uitgesproken, gedacht of gehoord. Dit is de reden waarom de theorie 'generatief' wordt genoemd: de theorie verklaart het voortbrengen (genereren) van oneindig veel mogelijke zinnen op grond van een eindige verzameling informatie. Het talige vermogen dat hier beschreven wordt, is volgens Chomsky's theorie aangeboren. Het is genetisch bepaald dat mensen natuurlijke taal kunnen aanleren. Dit vermogen wordt Universele Grammatica (afkorting: UG) genoemd. Grotendeels zijn wij ons niet bewust van deze structurele principes die aan taal ten grondslag liggen, iets wat ook geldt voor de meeste andere biologische en cognitieve processen van de mens.
De recente theoretische voorstellen van Chomsky, bekend als het minimalistisch programma, stellen dat de grammaticale principes die ten grondslag liggen aan het taalvermogen aangeboren zijn, en dat de verschillen tussen de talen te verklaren zijn met parametrische info in het brein.
Een van de voorgestelde parameters is pro-drop, die aangeeft of in een zin altijd een expliciet onderwerp aanwezig moet zijn. Deze benadering wordt hierom vaak principes en parameters genoemd. Binnen deze zienswijze hoeft het taallerend kind, buiten het vocabulaire van een taal en zaken als morfemen en staande uitdrukkingen, alleen maar wat parameters in te stellen. Dit kan dan al aan de hand van een paar voorbeelden gedaan worden. Daarmee wordt het leren van de moedertaal dus relatief eenvoudiger.