Johann Gottlieb Fichte (Rammenau bij Bischofswerda, 19 mei 1762 – Berlijn, 29 januari 1814) was een Duitse filosoof en redenaar. Fichte werd geïnspireerd door Immanuel Kant en wordt gezien als de grondlegger en eerste grote representant van het Duits idealisme. Zijn werk valt tussen de kritiek van Kant en de geest van Hegel. Zijn zoon Immanuel werd theoloog en genoot later eveneens enige bekendheid als filosoof.
Leven Fichte werd geboren in Rammenau als eerste kind van linnenwever Christian Fichte en diens echtgenote Johanna Maria Dorothea. Als jonge knaap op het platteland hoedde hij ganzen en schapen en leerde hij uit de Bijbel tijdens de catechese. Zijn opmerkelijke begaafdheid werd ontdekt door Ernst Haubold von Miltitz, een edelman uit de omgeving. Met zijn steun kon Fichte een hogere opleiding genieten.
Na de Latijnse School in Meißen volgde hij als voorbereiding op de universiteit een schoolperiode aan het internaat van Schulpforta. Hier kwam Fichte onder meer in contact met de werken van Lessing en Rousseau. Zijn studies in theologie en rechten aan de universiteiten van Jena, Wittenberg en Leipzig kon hij door het verlies van financiële steun niet afmaken. Zonder diploma moest Fichte door het leven als arme huisleraar in Leipzig en vervolgens in Zürich (waar hij zich verloofde met Johanna Marie Rahn).
Rond 1790 kwam Fichte, terug in Leipzig, op verzoek van een student met het werk van Immanuel Kant in contact. De ontdekking van Kants filosofie was een kantelpunt voor Fichte als filosoof, dit gooide zijn leven om; hij brak zijn verloving af en reisde naar Königsberg om Kant te ontmoeten. In dezelfde periode schreef hij een werk in de stijl en kritische geest van Kant, Versuch einer Kritik aller Offenbarung. Kant was onder de indruk en raadde Fichte aan om het werk te laten drukken. Toen het geschrift eerst anoniem verscheen, was men ervan overtuigd dat het een werk van Kant betrof, maar Kant zelf zette deze misvatting recht in een openbaar bericht. Fichte werd op slag beroemd, trad in 1793 met Rahn in het huwelijk en legde de grondvesten voor zijn eigen philosophia prima, de wetenschapsleer (Wissenschaftslehre). Zijn wetenschapsleer zou hij voor de rest van zijn leven blijven bewerken en in nieuwe versies heruitgeven.
Met de hulp van Goethe kon Fichte vanaf mei 1794 als hoogleraar in Jena doceren. Hij liet de Grundlage der gesamten Wissenschaftslehre, de eerste en invloedrijkste versie van zijn wetenschapsleer, als handboek voor zijn studenten drukken. Onder de studenten en bewonderaars bevonden zich Novalis, Friedrich Hölderlin, Friedrich Schelling en Friedrich Schlegel. In zijn tijd als hoogleraar breidde hij zijn visie verder uit met nieuwe publicaties en artikelen (in het Philosophisches Journal van Niethammer) en nam hij het op tegen de lokale studentenorden. Rond Fichte ontstond ook een studentenvereniging met de naam Bund der freien Männer, waarin onder meer zijn studenten Johann Erich von Berger en August Ludwig Hülsen zetelden. Omtrent 1798 kwam Fichte door zijn artikel Über den Grund unseres Glaubens an eine göttliche Weltregierung terecht in een strijd die sindsdien bekendstaat als de Atheismusstreit. Als gevolg van deze strijd gaf hij met de eeuwwisseling zijn academische positie op en trok hij met zijn vrouw naar Berlijn. Fichtes ster was gezonken, en er volgden in de daaropvolgende jaren heel wat breuken met vroegere contacten zoals Reinhold, Schelling en Jacobi.
Dit luidde een periode in die in de academische wereld bekendstaat als de late Fichte. In deze tijdsspanne maakte zijn wetenschapsleer een sterke verandering door (minstens in de uitdrukking ervan). Zijn standpunt probeerde hij nog uit te dragen in de vorm van georganiseerde voorlezingen, colleges en toespraken. Na de nederlaag van Pruisen tegen Napoleon in 1806 vluchtte Fichte oostwaarts, om later in 1807 terug te keren naar Berlijn en in 1808 zijn retorisch meesterwerk voor te dragen, de Reden an die Deutsche Nation. De Reden is een verzameling toespraken over de Duitse eigenheid en de uitlijning van een gedegen morele staatsopvoeding. Fichte baarde andermaal opzien en schopte het naast lidmaatschap van de Bayerische Akademie tot filosofisch decaan en later nog tot eerste rector van de nieuwe universiteit van Berlijn, een positie die hij vanwege conflicten ook weer vroegtijdig opgaf.
Toen in 1813 de Freiheitskrieg tegen Napoleon uitbrak, stelde Fichte tijdelijk zijn voorlezingen uit. Zijn verzoek om als veldredenaar het bevrijdingsleger te mogen vergezellen, werd niet ingewilligd. Hij nam wel onder meer deel aan de oefeningen van de nieuwe Landsturm. Zijn vrouw Johanna werkte als vrijwilliger in de ziekenzorg en liep een ziekte op waarmee ze later haar man aanstak. Fichte overleefde deze periode van langdurige ziekte niet en overleed uiteindelijk op 29 januari 1814 in Berlijn.
Filosofie: de wetenschapsleer Centraal in het filosofisch oeuvre van Fichte staat de 'wetenschapsleer' (Wissenschaftslehre/logologia) die hij is blijven bewerken en uitgeven tot aan zijn dood. Fichte hanteerde deze benaming omdat die volgens hem het best de essentie van zijn transcendentaalfilosofie uitdrukte: het systematisch ontwikkelen van een zo hoog en zuiver mogelijk inzicht in het (zelf)scheppend proces en de eenheid van het weten. 'Weten' duidt hier niet op a posteriori kennis, maar op a priori evidentie die zichzelf voortbrengt (zonder beroep te moeten doen op de empirie). Het is tegelijk een doorgedreven abstracte bezinning op het proces van filosoferen zelf. Fichte oriënteerde zijn project voor het eerst in het programmaschrift Über den begriff der Wissenschaftslehre oder der sogenannten Philosophie (1794). Hoewel hij zelf de voorgedragen wetenschapsleer van 1804 als de eerste voleindigde versie bestempelde heeft de gedrukte Grundlage der gesamten Wissenschaftslehre van 1794/95 de grootste invloed gehad op de intellectuele wereld van zijn tijd.
Als academisch project moet de wetenschapsleer de contradicties, dichotomieën en paradoxen van het bewustzijn en haar vele relatieve perspectieven met de kritische rede aanduiden en ontmantelen. Opklimmend worden de verschillende faktische vooronderstellingen van realistische en idealistische zienswijzen tegen elkaar uitgespeeld, en hun respectievelijke premissen en concepten van het absolute als problematisch en ontoereikend blootgelegd. Zo wordt b.v. het geprojecteerd An sich in zijn relatie tot het bewust Nicht an sich geproblematiseerd (als een Nicht-nicht an sich). Deze kritiek op o.m. de dogmatische metafysica en de ongegronde proiectio per hiatum irrationalem van een dood zijnsobject heeft Fichtes denken sinds zijn Aenesidemus recensie van 1793 beheerst. Dit kritisch proces moet men doorzetten tot het culmineert in een Wahrheits= und Vernunftlehre, waarin de hoogste eenheid wordt aangeduid die alle eenzijdigheid overstijgt. De absolute en oorspronkelijke eenheid van zijn en bewustzijn noemt Fichte reines Wissen ofwel -Vernunft. In een samenvattende brief verwijst Fichte ook naar de Logos, een term die in het Evangelie volgens Johannes centraal staat. Het komt erop aan om deze eenheid niet als louter faktisch evident of -noodzakelijk maar verder ondoorgrondelijk af te doen in een synthesis post factum (waar o.m. Kant en zijn aanhangers zich volgens Fichte schuldig aan maken), maar deze tot in zijn (zelf)genetische kern te doordringen. Het ware absolute is geen dood object maar een levende, zichzelf voortbrengende werkzaamheid/kracht - een actief vernünftig-sein dat enkel geleefd/ervaren kan worden. Elke poging tot objectieve beschrijving of -voorstelling ervan leidt onvermijdelijk tot een projectie, (Ab)bild of Nachkonstruktion die niet samenvalt met het absolute zelf. Dit transcendentaal inzicht moet men verder doorvoeren en toepassen in een Erscheinungs= und Scheinlehre (Phänomenologie). Dit leidt tot het doorzicht dat de fenomenen van het bewustzijn die men intuïtief voor waar aanneemt (de zinnelijke wereld, tijd en ruimte etc.) tot stand komen door wetten van het bewustzijn. Men kan de schijn van hun zelfstandigheid en geldigheid an sich desondanks niet opgeven in het dagelijks bestaan, net zomin als de manifestatie van de rede afscheidbaar is van het objectiverend bewustzijn. Men laat zich echter niet langer meeslepen door de filosofische mysteries, tegenspraken en verwarringen die daaruit volgen.
Met de wetenschapsleer wilde Fichte de verborgen wortel van Kants kritische filosofie ontwikkelen en van een betere, systematische uitdrukking voorzien. Niettemin was hij er zich ook van bewust dat de uitdrukking altijd voor verbetering en variatie vatbaar zou zijn. Doorheen de verschillende uitgaven en voordrachten lijkt hij steeds te zoeken naar nieuwe bewoordingen voor het overbrengen van zijn visie. Daarnaast was het een didactisch/strategisch middel van Fichte om zijn standpunt telkens als nieuw uit te dragen en regelmatig van perspectief en expressie te veranderen. Op deze manier bleef het publiek enerzijds niet vastklampen aan de letter. Anderzijds was er meer kans dat er uit een varia van perspectieven en expressies uiteindelijk een licht zou ontsteken in de geest van de toehoorder. Filosofisch inzicht is volgens Fichte namelijk niet gebonden aan de letter of het teken, dat telkens wijzigt; het is de onveranderlijke geest achter de letter, en overstijgt als zodanig de letter en het schrift. Het wezenlijk (transcendentaal) inzicht kan namelijk enkel gevat worden door de levende voltrekking ervan in de geest van de toehoorder. Om hierin succesvol te zijn moet de student van de wetenschapsleer tot abstracte reflectie kunnen overgaan en met volle aandacht de grondgedachten innerlijk reconstrueren en eigen maken in hun organische samenhang, opdat het geheel dynamisch gevat kan worden. Dit lebendiger Totalbegriff (lebendiges Bild) is de werkelijke wetenschapsleer die verscholen ligt achter de verschillende uitgaven en terminologieën. De verschillende vormen van presentatie zijn maar een voortgezet middel om tot dit integraal doorzicht te komen, en hebben geen waarde op zich; eenmaal het absolute weten is bereikt komt het filosoferen tot een einde, en wordt de wetenschapsleer (in specie) als ladder achterwege gelaten.
Wie de transcendentale beschouwing werkelijk innerlijk voltrekt ziet mee in dat het bereiken van dit doorzicht het enige doel op zich is. Fichte kende de filosoof-leraar daarom een belangrijke rol toe in de samenleving en scholing, omdat hij sterk geloofde in de transformerende en belevende kracht van de wetenschapsleer; wie het zich eigen maakt verandert ook als mens, en verbetert zijn/haar handelen in de wereld. In plaats van het formeel ontologisch begrip van een dode God, substantie of ziel buiten ons te verafgoden (waar de dogmatische religies en -filosofieën zich schuldig aan maken) of terug te buigen op ons individueel ego vindt Fichte betekenis, waarde en geluk in ons vernünftig leven, werken en streven als het enig werkelijke. Dit intrinsiek leven kan enkel intern begrepen en beoordeeld worden, en uit zich onder meer in de filosofische bezinning zelf. De filosoof-leraar moet met zijn voordrachten het wijsgerig inzicht bemiddelen en doorgeven aan de studenten en toekomstige onderwijzers, leiders en vormgevers van de wereld. Voor dit doel is het gesproken(/levend) woord verkozen boven het geschreven(/dood) woord. Het is daarbij belangrijk om niet vanuit de leerstoel als een ivoren toren te prediken, maar in interactie met het publiek te controleren of het beoogd begrip tot hen doordringt, en bij te sturen waar dat nodig is. Dit is dan ook hoe Fichte aan zijn interactieve colleges en -hoorzittingen vorm gaf.
Citaat