thumb|De binnenzijde van de Rijkswerf in 2016 De Rijkswerf aan de Kattenburgerstraat in Amsterdam was een Nederlandse scheepswerf die een aanzienlijk aantal oorlogsschepen bouwde voor de Koninklijke Marine. De werf begon als scheepswerf voor de Admiraliteit van Amsterdam, maar deed vanaf 1795 dienst als scheepswerf voor de nieuw gevormde marine. In 1915 hield de werf op te bestaan wegens financiële en geografische problemen voor de vaart van de schepen. De Rijkswerf is sinds 5 juni 1970 een Rijksmonument.
Geschiedenis Scheepswerf van de Admiraliteit te Amsterdam Ten tijde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werden de maritieme aangelegenheden geregeld door vijf lokale Admiraliteiten. De Admiraliteit van Amsterdam was hiervan de belangrijkste. De Eerste Engels-Nederlandse Oorlog toonde echter aan dat er behoefte was aan een professionele marine. Om hier gehoor aan te geven, kreeg de Amsterdamse admiraliteit op 12 augustus 1655 de gehele westelijke strook van het eiland Kattenburg toegewezen voor de bouw van een nieuw arsenaal en een scheepswerf, die in 1655 uiteindelijk aan de zuidkant van een in het IJ aangelegd eiland werd gebouwd en de naam 's Lands Zeemagazijn kreeg. De hellingbanen van de werf lagen direct aan de andere (westelijke) kant van deze omheining. De gehele Rijkswerf bestond uit een dok, dat over de gehele lengte van het eiland reikte tot aan het IJ. Verder werd het afgescheiden van de rest van het eiland middels een doorlopend geheel van bebouwing langs de Kattenburgerstraat. De werf werd ontworpen door de stadsarchitect Daniël Stalpaert.
Vanaf het arsenaal en het noordelijke uiteinde van Kattenburg liepen een aantal dammen naar het westen, waardoor een bijna vierkant stuk water werd omsloten dat 's Lands Dok heette. In dit dok konden de schepen van de admiraliteit die buiten dienst waren gerepareerd of onderhouden worden. De bovenste delen van de scheepsmast, het grootste deel van de tuigage, de zeilen, kanonnen enzovoort, werden verwijderd en opgeslagen in het aangrenzende arsenaal. Het dok is nu bijna volledig gedempt en wordt ingenomen door moderne gebouwen.
In 1791 brandde de werf vrijwel geheel af, waarna hij binnen twee jaar werd herbouwd.
Staatswerf in de Franse periode Met het begin van de Bataafse Revolutie, de daaropvolgende vlucht van koning Willem V van Oranje-Nassau en de oprichting van de Fransgezinde Bataafse Republiek in 1795, werd de Admiraliteit van Amsterdam door de Fransen opgeheven. Het terrein werd daarop genationaliseerd en eigendom van het nieuw gevormde Comité tot de Zaken van de Marine. Verder werden er vijf staatscheepswerven opgezet door de Franse bezetter.
Nadat de derde broer van Napoleon Bonaparte, Lodewijk Napoleon, koning werd van het land, hield de Bataafse Republiek in 1806 op te bestaan en ontstond het Koninkrijk Holland. Hierop bleef de Rijkswerf in handen van het Koninkrijk. Nadat het Koninkrijk Holland ophield te bestaan met de annexatie van de Nederlanden in 1810 door het Eerste Franse Keizerrijk, werd de werf een keizerlijke Franse scheepswerf. Hieraan kwam in 1813 alweer een einde nadat Napoleon in hetzelfde jaar werd verslagen en het Soeverein vorstendom der Verenigde Nederlanden een feit werd. Over het algemeen was de Franse periode een ramp voor de Nederlandse scheepvaart, maar bleef de Rijkswerf belangrijk ondanks dat het moest concurreren met de nieuwe, toen nog in aanbouw zijnde Oude Rijkswerf te Den Helder.
Het einde van het Franse tijdperk betekende het begin van een nieuwe periode voor de Rijkswerf; de naam werd veranderd naar Rijks Maritiem werf en zou in de jaren daarop geleidelijk aan uitgroeien tot de grootste scheepswerf van het land, die ook de grootste verschaffer van werk zou worden in Amsterdam. Het terrein werd verder streng beveiligd: enkel de personen die werkten op de Rijkswerf mochten binnenkomen. Via de hoofdpoort aan de Kattenburgerstraat kwamen de arbeiders het terrein binnen en ook het verlaten van het terrein gebeurde hier. De relatie met de directe omgeving was sterk, omdat de meeste arbeiders in de woonhuizen op de Oostelijke eilanden woonden. Zodoende werden ze in de volksmond de Bijltjes genoemd door de lokale bevolking. Enkel de hogere rangen woonden in de woningen in het Poortgebouw of in het latere Marinepaleis op de Dam.
Scheepswerf in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden De oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815 betekende een nieuwe start voor de Amsterdamse Rijkswerf. Echter was de situatie van de werf in 1815 heel anders ten opzichte van de situatie van 1795. De Franse periode was rampzalig geweest voor de Nederlandse economie, waardoor het land zich geen marinebudget meer veroorloven kon dat vergelijkbaar was met dat van de grote Europese mogendheden van die tijd. Bovendien was het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden een staat die zich richtte op het in toom houden van de gerestaureerde Franse monarchie samen met zijn coalitiegenoten, en lag de voornaamste prioriteit daarom op het Nederlandse leger.
De algemene omstandigheden waren niet bevorderlijk voor de bedrijvigheid op de werf, maar op nationaal niveau had de Amsterdamse Rijkswerf geluk. Hoewel de marinebasis Willemsoord bij Den Helder een marinebasis bleef en zelfs aanzienlijk werd uitgebreid, werd de scheepsbouw uiteindelijk nooit verplaatst naar deze locatie en bleef de bouw van de weinige nieuwe linieschepen en fregatten grotendeels in Amsterdam plaatsvinden. Verder werden de restanten van de 'concurrerende' marinewerf te Harlingen verkocht. Uiteindelijk werd ook de Rijkswerf te Medemblik gesloten.
Scheepswerf na 1830 Met het uiteenvallen van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden dankzij de Belgische Revolutie van 1830, werd door koning Willem I een Tiendaagse Veldtocht uitgevoerd om de Belgische gebieden weer in Nederlandse handen te krijgen. De veldtocht bleek uiteindelijk rampzalig voor de staatsfinanciën, mede dankzij de Engelse vloot die de Nederlandse kust blokkeerde. Door de Belgische afscheiding raakte de Nederlandse staat ook de kolen- en ijzervoorraad kwijt, wat tijdens de industriële revolutie zorgde voor nog meer problemen. Dit alles leidde tot strenge bezuinigingen op de marine, met als gevolg dat de Rijkswerf in Rotterdam in 1850 zou sluiten. In 1842 werd de Amsterdamse Rijkswerf ingericht voor de bouw van kleine stoomschepen van de Koninklijke Marine, met name voor inzet in Nederlands-Indië. Dit omdat de Nederlandse staat een nieuwe bron van inkomsten had gevonden, namelijk het cultuurstelsel dat in deze kolonie was ingevoerd. Hierdoor kwam er meer geld beschikbaar voor de marine, zodat er weer in de Rijkwerf van Amsterdam werd geïnvesteerd. In 1849 begon de bouw van het eerste raderschip en tussen 1858 en 1865 werden hier twintig schroefstoomschepen gebouwd. De Haven van Amsterdam, Zeven eeuwen ontwikkeling., p.81. Uitgeverij Thoth, Bussum, 2009.
Toen buitenlandse mogendheden hun schepen begonnen te bepantseren, besloot de Nederlandse regering om de nodige faciliteiten voor de bepantsering van schepen in de Vlissingse scheepswerf te laten plaatsvinden in plaats van Amsterdam. Dit omdat Vlissingen de enige Nederlandse haven had met voldoende waterdiepte om schepen te water te laten. Nadat Vlissingse scheepswerf in 1868 werd opgeheven, volgde een belangrijke reorganisatie van de faciliteiten op land voor de marine. Er kwam een flinke afslanking, waarbij Amsterdam als enige nieuwbouwwerf behouden bleef. Hellevoetsluis en Willemsoord in Den Helder werden werven van onderhoud en uitrusting. Zodoende werd de de scheepsbewapening naar de Rijkswerf in Amsterdam verplaatst,met als reden de algemene verdedigingsstrategie, die erop gericht was uitsluitend de gebieden achter de Oude Hollandse Waterlinie en Nieuwe Hollandse Waterlinie te verdedigen.
Op hetzelfde moment werd de werf geschikt gemaakt voor de bouw van gepantserde schepen. In het begin kopieerde men gepantserde schepen die in het buitenland gebouwd waren en door de marine aangeschaft waren om ervaring op te doen met de bouw van dit soort schepen. Later bouwde men schepen naar Nederlands ontwerp. Men bouwde onder andere ramtorenschepen, pantserdekschepen, kanonneerboten en monitors. Naast gepantserde schepen bouwde men ook schroefstoomschepen van onder andere de Atjehklasse. De werf was niet langer direct aan het IJ gelegen door de aanleg van een dijk voor de spoorlijn. De opening tussen Oosterdok en het IJ had een beperkte afmeting en dit hinderde een verder schaalvergroting van de te bouwen schepen.
In 1871 werd de kiel gelegd van het grootste Nederlandse oorlogsschip, de Zr. Ms. Koning der Nederlanden, met een lengte van 85 meter en een breedte van 15 meter. Het was in 1874 gereed maar het duurde nog twee jaar voor het schip de werf kon verlaten, na de opening van het Noordzeekanaal. p.146 De bouw leidde tot een discussie of de scheepsbouw niet in handen moest komen van particulieren werven. In juni 1883 raakte de in aanbouw zijnde schroefstoomboot, de Doggersbank, evenals de Kortenaer in brand nadat de arbeiders rondom een vuurtje hadden gestookt, wat ertoe leidde dat de brand per ongeluk oversloeg op de omringende spaanders en stukken hout. Als gevolg van de brand was een deel van de muur van het ijzermagazijn bij de Kattenburgerstraat ingestort. De totale schade die de brand had veroorzaakt, werd geschat op een paar miljoen gulden. In 1873 werd een modelproefstation gebouwd, de tweede in de wereld. Hier werd in een sleeptank, naar een ontwerp van marine-ingenieur Bruno Joannes Tideman (1834-1883) gemaakt voor proefnemingen met scheepsmodellen. Zr.Ms. Atjeh was het eerste schip in Nederland dat op basis van proeven in deze sleeptank was ontworpen.
Prins Hendrik bracht op 16 maart 1909 een bezoek aan de Rijkswerf te Amsterdam. Om 13:30 liet de prins het nieuwe pantserschip onder luide hoera's van aanwezigen te water, waarna na afloop van de feestelijkheden de groep nog het in aanbouw zijnde schip De Halve Maan bezochten.
Opheffing van de Rijkswerf Uit vervolgonderzoek bleek dat de bouw van schepen op particuliere werven goedkoper was. Verder was de Rijkswerf te Amsterdam niet langer geschikt om nog grotere schepen te bouwen. Er werd nog een onderzoek gedaan om de werf te verhuizen naar Amsterdam-Noord en vlak voor de sluiting opperde zelfs een aantal leden van de Staten-Generaal om de Rijkswerf te gebruiken voor de stationering van watervliegtuigen, maar omdat de steeds groter wordende marineschepen de sluizen en bruggen op hun weg van en naar zee niet meer konden passeren en financiële problemen, hield op 3 juli 1915 de werf alsnog op te bestaan middels een koninklijk besluit van 24 juni. Vanaf 4 juli werd de Rijkswerf gebruikt als Marine Etablissement, een opleidingscentrum en goederenopslag van de Koninklijke Marine. Dit betekende echter niet dat alle werknemers werden ontslagen of dat er geen werkzaamheden meer plaatsvonden: Er bleven na 3 juli nog ruim driehonderd arbeiders werkzaam bij de Rijkswerf om het overgebleven werk volledig of deels af te maken. Zo werd er nog de laatste hand gelegd aan de oplevering van de kanonneerboot Gruno en werd er gewerkt aan een aantal loodsvaartuigen, die later in de maand zouden worden opgeleverd. De magazijndienst, torpedodienst, inrichting voor draadloze telegrafie en de militaire kustwacht bleven nog wel in de Rijkswerf gevestigd.
Van de oorspronkelijke gebouwen zijn er nog twee over. Het 17e-eeuwse poortgebouw aan Kattenburgerstraat 7 werd op 5 juni 1970 aangewezen als rijksmonument.
Enkele gebouwde schepen Zr. Ms. Wassenaar (1816) Zr. Ms. Admiraal van Wassenaar (1857) Zr. Ms. Koning der Nederlanden (1877) Hr. Ms. Koningin Wilhelmina der Nederlanden (1894) Hr. Ms. Kortenaer (1895) Hr. Ms. Holland (1898) Hr. Ms. Utrecht (1901) Hr. Ms. Koningin Regentes (1902) Hr. Ms. Hertog Hendrik (1904) Hr. Ms. Maarten Harpertszoon Tromp (1906) Hr. Ms. Jacob van Heemskerck (1908) Hr. Ms. De Zeven Provinciën (1910) Hr.Ms. Gruno (1915)
Fotogalerij