De gebroeders Johan en Cornelis de Witt werden op 20 augustus van het Rampjaar 1672 in 's-Gravenhage vermoord door leden van plaatselijke schutterijen. Hun lichamen werden ernstig verminkt. Geen van de daders werd gestraft. Deze politieke dubbele moord gaat door als een van de meest beschamende gebeurtenissen in de geschiedenis van Nederland.

Johan de Witt was een van de invloedrijkste Hollanders van zijn tijd. Tot twee weken voor zijn dood was hij negentien jaar lang raadpensionaris van het gewest Holland. Daarmee was hij de belangrijkste politicus van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, lange tijd met veel succes.

Onder zijn bewind werd het stadhouderschap afgeschaft. Dit zette kwaad bloed bij de orangistische factie en bij prins Willem III van Oranje in het bijzonder. De verlaging van de staatslijfrente in 1671 op instigatie van Johan de Witt, die de inkomsten van de staat vergrootte, maar die van bijvoorbeeld weduwen verminderde, veroorzaakte een verlies van zijn populariteit.

Toen de Republiek er in het Rampjaar 1672 tijdens de invasie door Frankrijk slecht voor leek te staan, kregen de Staten van Holland in de persoon van Johan de Witt de schuld, terwijl zijn broer van militaire lafheid werd verdacht. Toen Cornelis verdacht werd een moord te willen beramen op de prins van Oranje, ontstond een oproerige situatie die op 21 juni 1672 leidde tot mislukte moordaanslagen op Johan en Cornelis de Witt en daaropvolgende orgie van geweld op 20 augustus die tot hun dood leidde.

Voorspel Radeloos, redeloos, reddeloos thumb|left|Moord op Cornelis and Johan de Witt, Den Haag, 20 augustus 1672. Lambert Bos: Schauplatz des Krieges. thumb|left|Het Groene Zoodje. Het ophangen van de lichamen van Cornelis en Johan de Witt. Rechts is de Gevangenpoort. Johan de Witt zorgde na de Vrede van Westminster voor de opbouw van een sterke oorlogsvloot en stelde na het overlijden van opperbevelhebber Maarten Tromp eerst Jacob van Wassenaer van Obdam aan en daarna Michiel de Ruyter. Cornelis Tromp, de op een na oudste zoon van Maarten Tromp, viel die eer niet te beurt en na onder De Ruyter te hebben gediend, werd zijn aanstelling zelfs ingetrokken.

Op 23 juni 1667 was de Vrede van Breda, waarmee een einde kwam aan de oorlog met Engeland. In januari 1668 kwam de Triple Alliantie tot stand tussen de Republiek, Engeland en Zweden. Maar Engeland sloot zich in het diepste geheim in december 1670 aan bij het Tractaat van Dover, een verdrag met Frankrijk. Lodewijk XIV was belust op gebiedsuitbreiding en zou naar de (Spaanse) Zuidelijke Nederlanden oprukken. Door de Republiek uit het westen, oosten en zuiden aan te vallen, kon prins Willem III van Oranje aan de macht geholpen worden en na een gunstige vrede, zou de prins, zo was het plan, met een rompdeel van de noordelijke Nederlanden genoegen nemen.Prud'homme van Reine, R., p.66

De provincie Holland had, onder leiding van Johan de Witt, in 1667 het stadhouderschap met het Eeuwig Edict voorgoed afgeschaft om te voorkomen dat prins Willem van Oranje, de enige legitieme zoon van de overleden Willem II, zijn vader als stadhouder kon opvolgen. De andere zes provincies waren niet verdergegaan dan vast te leggen dat de positie van stadhouder niet te combineren was met die van kapitein-generaal, opperbevelhebber van het Staatse leger. Onder druk van de Orangisten gingen steeds meer stemmen op om de prins tot opperbevelhebber te benoemen. De gebroeders De Witt waren daar fel op tegen, maar de druk werd te groot. Johan stelde als compromis voor om de prins voor één veldtocht te benoemen. De Staten-Generaal en alle andere provincies protesteerden, maar aangezien met eenstemmigheid besloten moest worden, stonden ze machteloos. Op 24 februari 1672 werd de 21-jarige prins voor één veldtocht aangesteld als kapitein-generaal, onder voorwaarde dat deze positie onverenigbaar bleef met die van stadhouder., Johan de Witt en zijn tijd, deel 3, blz. 264

Een ander punt van kritiek op Johan was dat hij de rente op uitstaande lijfrenteverzekeringen verlaagd had. Als begenadigd wiskundige had hij berekend dat de Staat een te hoog rentepercentage gaf. De verlaging viel niet in goede aarde bij de bevolking die de lijfrente beschouwde als een pensioenvoorziening, met name voor weduwen.

Het jaar 1672 zou de geschiedenis ingaan als het Rampjaar. Koning Karel II van Engeland verklaarde de Republiek op 27 maart (of 7 aprilPrud'homme van Reine, R., p.68) de oorlog. De druk op Johan nam toe na de oorlogsverklaring op 6 april 1672 van koning Lodewijk XIV van Frankrijk, het begin van de Hollandse Oorlog (1672-1679). Lodewijk XIV stuurde de bevelhebbers Condé en Turenne. Even later volgden de oorlogsverklaringen van de bisschop van Munster en de aartsbisschop van Keulen. De Republiek had een ijzersterke oorlogsvloot en wist met de Zeeslag bij Solebay op 7 juni 1672 een gecombineerde aanval over zee van Engeland en Frankrijk af te slaan, maar het landleger en de vestingen waren sinds 1648 verwaarloosd; de Republiek dreigde volledig onder de voet te worden gelopen. Veel steden in het oosten van het land hadden zich zonder slag of stoot overgegeven. Dat gaf bij de bevolking in de provincie Holland de indruk dat sprake was van verraad. Om Holland tegen de oprukkende legers te verdedigen, werd voor het eerst gebruikgemaakt van de Waterlinie. Talrijke polders werden onder water gezet. Dat leidde tot grote onrust op het platteland. Het feit dat de polders slechts zeer langzaam vol liepen met water, veroorzaakte paniek in de steden. Plunderende boeren verergerden de situatie. De zegswijze indertijd was 'de regering was radeloos, het volk redeloos, het land reddeloos'.Blok, P.J., Geschiedenis van het Nederlandsche volk (1925), deel 3, hoofdstuk VIII 'De val van De Witt', p. 189. Op 12 juni 1672 trokken de Fransen bij Lobith de Rijn over. De prins gaf de IJssellinie op en trok zijn leger terug achter de Hollandse Waterlinie. Utrecht viel in Franse handen.

De Staten-Generaal gingen tegen de zin van De Witt vredesonderhandelingen aan met Frankrijk, maar het volk zag ook dat als verraad en gaf De Witt de schuld. Daarnaast speelde er vanuit de orangistische Rotterdamse regent Johan Kievit, de barbier-chirurgijn Willem Tichelaar en hun kliek een samenzwering om de gebroeders De Witt in diskrediet en ten val te brengen, wat mede lukte dankzij de onrust onder de bevolking. 'Steeds meer mensen beschouwden de gebroeders De Witt als landverraders, met wie moest worden afgerekend.'Prud'homme van Reine, R., p. 69

Eerste moordaanslag thumb|links|Johan de Witthuis aan de Kneuterdijk Johan de Witt was, na het overlijden van zijn vrouw Wendela Bicker in 1668, in september 1669 met zijn gezin van vijf kinderen (drie meisjes en twee jongens) van de Hofsingel verhuisd naar de Kneuterdijk, hoek Hartogstraat. Hij huurde met zijn zwager Gerard Bicker van Swieten twee aan elkaar grenzende huizen met een gemeenschappelijke tuin, zodat de beide families kwamen samen te wonen. Johan de Witt gaf er zijn kinderen zelf onderwijs.

In de zomer van 1672 kwam de lastercampagne op gang. De Witt was gewend om, begeleid door een knecht, naar zijn werk op het Binnenhof te lopen. Hij wilde geen beveiligingsmaatregelen en nam bewust het risico dat iemand op een dag zou proberen hem te grazen te nemen.

Op 21 juni 1672 werd er voor het eerst een moordaanslag gepleegd op Johan de Witt. De raadpensionaris liep die avond tussen elf en twaalf uur 's avonds van het Binnenhof naar zijn aan de Kneuterdijk gelegen woning. Een knecht met een brandende toorts liep voorop, een ander achteraan met zijn brieventas. Aangekomen op de Plaats, vlak bij het Groene Zoodje (de executieplaats bij de Hofvijver), sprongen vier jongelui met degens tevoorschijn die de knecht de toorts ontrukten, doofden en hen aanvielen. De Witt en zijn knecht verzetten zich heftig. De Witt raakte aan zijn hals gewond, viel en verwondde daarbij zijn hoofd. Toen hij op de grond lag, staken de jongelui hem twee keer met een mes; in zijn rechterzij en linkerschouder, toen hij ineen zakte kreeg hij nog een slag in de nek, waarna ze hem voor dood achterlieten.

Nadat Cornelis de Witt de vloot voor Walcheren had verlaten en in Dordrecht op 22 juni terugkwam, vond een mislukte aanslag op hem plaats. Enkele mannen probeerden zijn huis aan de Grotekerksbuurt binnen te dringen, maar werden verdreven door de schutterij die door het huispersoneel gewaarschuwd was. Ze werden niet herkend en daarom is het vermoeden dat ze van buiten Dordrecht kwamen., John de Witt, Statesman of the "True Freedom", blz. 206 (1986) Al een paar weken eerder had een woeste menigte een groot schilderij, dat Cornelis door Jan de Baen had laten maken van zichzelf als triomfator van Chatham, uit het stadhuis van Dordrecht gehaald en aan stukken gescheurd. Het eruit gescheurde hoofd van Cornelis was aan de galg gespijkerd.

Johan overleefde de steekpartij, maar was pas op 12 juli buiten levensgevaar en tot 1 augustus moest hij noodgedwongen bed houden om te herstellen. 'Hij had niet-levensbedreigende verwondingen aan het hoofd en de hals, in zijn linkerschouder en aan zijn rechterzijde tussen de vierde en vijfde rib. De verwonding in de borst was niet diep omdat hij een dikke jas had gedragen.'Prud'homme van Reine, R. (2013), p. 72

De vier jongelingen van goede komaf hadden de avond op de Lange Vijverberg tegenover het Binnenhof doorgebracht. Ze discussieerden urenlang over de toestand van het land, 'waarbij ongetwijfeld de nodige drank was geconsumeerd'.Prud'homme van Reine, R., p. 72 De broers Van der Graeff pasten op het huis van Jacob van der Graeff sr., advocaat van het Hof van Holland, die wegens de dreiging van de Franse opmars naar Delft was gevlucht. Ze gingen omstreeks 22.30 uur naar buiten en zagen in de vergaderkamer van de Staten van Holland nog licht branden. Ze hitsten elkaar op en maakten snel een plan om de raadpensionaris op de Plaats te vermoorden.

Twee van de aanvallers op Johan, de broers Van der Graeff werden herkend en toen Jacob van der Graeff na enige tijd naar huis terugkeerde werd hij onmiddellijk gearresteerd. Hij vertelde dat het moordplan op de dag van uitvoering bedacht was en dat er geen connectie was met de moordaanslag op Cornelis. Dat laatste vond iedereen ongeloofwaardig. De jongeman, van hoge komaf, een zoon van Jacob van der Graeff met dezelfde naam, werd crimen laesae majestatis majesteitsschennis ten laste gelegd en een week na de aanslag na een snel proces, waarbij hij schuld bekende en berouw toonde, op 29 juni terechtgesteld.Het ging om een zoon van Jacob van der Graeff, rechter bij het Hof van Holland, die gedwongen was om Ritmeester Buat ter dood te veroordelen. Buat werd onder meer verdacht van een moordplan tegen Johan de Witt, hetzelfde waarvoor Johan Kievit bij verstek ter dood veroordeeld was. Van der Graeff sr. had het leven van Buat liever willen sparen. Een broer van de gearresteerde had ook aan de aanslag meegedaan, maar hij was samen met de andere twee handlangers naar het legergarnizoen van de prins gevlucht. De beul had drie klappen nodig om zijn hoofd van de romp te scheiden en zou daarna zijn ontslag indienen. Daardoor kreeg Cornelis de Witt later met een andere beul te maken.

Van der Graeff werd door oranjegezinden tot martelaar verheven. De Haagse predikant Simon Simonides (1629-1676) schreef hiertoe het pamflet De worstelinge Jacobs, dat binnen enkele dagen 9000 exemplaren verkocht en waarvan in 1672 13 edities verschenen. Het werd tot in de 19e eeuw herdrukt. In een verhaal over Van der Graeffs laatste dagen werd hij op één lijn gezet met Jezus Christus. Volgens tijdgenoten was dit pamflet een van de geheime oorzaken van de moord op de gebroeders De Witt.Prud'homme van Reine, R., p.74 Prins Willem gaf Simonides al sinds 1670 een uitkering van ƒ200,- per jaar. Het is dan ook niet ondenkbaar dat Simonides al vóór 1672 auteur was van orangistische pamfletten.