thumb|Lüdeking was officier van gezondheid in het Indische leger Everhardus Wijnandus Adrianus Lüdeking (Hilversum, 29 mei 1830 - Soerabaja, 16 februari 1877) was een Nederlands dirigerend officier van gezondheid der eerste klasse van de geneeskundige dienst van het Indische leger en onder meer ridder in de Orde van de Eikenkroon.

Familie Everhardus Wijnandus Adrianus Lüdeking trouwde op 31 augustus 1854 te Batavia met Maria Sophia Clasina Eisinger (Batavia, 16 november 1834 - Batavia, 8 mei 1901).Java-Bode, 6 september 1854 Zij kregen 5 kinderen, twee zoons waarvan de eerste direct na de geboorte overleed en vier dochters waarvan de laatste twee een tweeling was.

Loopbaan Opleiding Lüdeking, zoon van de arts Willem Ernst Lüdeking, werd op 1 september 1847 op 17-jarige leeftijd als kwekeling geplaatst aan de Rijks Kweekschool voor militaire geneeskundigen (pillenschool) te Utrecht. Voor de studie aan de kweekschool diende zijn vader borg te staan voor de kosten voor het geval dat hij zich aan zijn bestemming zou onttrekken of wegens traagheid of slecht gedrag uit zijn betrekking van kwekeling zou worden ontslagen.Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg, inventaris nummer 0053 De school leverde vooral artsen voor de landmacht. Die van de marine en voor het koloniale leger waren meestal burgergeneeskundigen. De examens van deze burgergeneeskundigen hadden wel plaats in de kweekschool, totdat de Marine in 1852 een eigen Marinehospitaal kreeg. Veel leerlingen telde de school niet. Aan de school studeerden zowel bezoldigde (in totaal 22) als onbezoldigde kwekelingen.

De meeste leerlingen werden rond hun 17e of 18e ingeschreven op de school en deden rond hun 21e of 22e levensjaar examen voor de rang van officier van gezondheid der 3e klasse. De kwekelingen droegen een officiersuniform.Verslag symposium te Nijmegen, 's-Rijkskweekschool voor Militaire Geneeskundigen te Utrecht van M.J. Lieberg en D. Moulin Lüdeking werd bij Koninklijk Besluit van 2 augustus 1851, nummer 98, door Zijne Majesteit benoemd tot officier van gezondheid der 3e klasse bij de geneeskundigen dienst in Oost-Indië.Nieuwe Rotterdamsche Courant en Bredasche Courant, 7 augustus 1851 Hij vertrok op 14 oktober 1851 en bereikte zijn bestemming, Batavia, op 19 januari 1852 en was dus 98 dagen onderweg. In december 1852 werd Lüdeking overgeplaatst naar de geneeskundige dienst op de Westkust van Sumatra, Padang (Fort de Kock).Nieuwe Rotterdamsche Courant, 17 februari 1853

Vroege loopbaan Lüdeking trouwde op 31 augustus 1854 te Batavia. Via een notariële akte gaven zijn ouders toestemming voor het huwelijk in Indië.Willem Ernst Ludeking stads heel- en vroedmeester en Johanna van der Burgh zonder beroep, echtelieden wonende Brielle geven toestemming tot het huwelijk van hun zoon Everhardus Wijnandus Adrianus Ludeking officier van gezondheid bij het Oost Indische leger met Sophia Eisinger zonder beroep wonende Batavia. Bron: Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg, inventaris nummer 0060

Op 11 september 1854 werd hij bevorderd tot officier van gezondheid der 2e klasse.Opregte Haarlemsche Courant, 18 november 1854 Door de directie van de Natuurkundige Vereniging in Nederlands Indië werd Lüdeking in de vergadering van 14 mei 1857 benoemd tot gewoon lid.Nieuwe Rotterdamsche Courant, 1 augustus 1857 Op 31 juli 1861 werd hij bevorderd tot officier van gezondheid der 1e klasse en overgeplaatst naar het groot militair hospitaal te Amboina, hij was toen ter beschikking in Batavia.Provinciaal Overijsselsche en Zwolsche Courant, 2 oktober 1861 Tot zijn overplaatsing in 1861 verbleef Lüdeking op West Sumatra, zijn laatste drie kinderen werden allen geboren in Padang (Fort de Kock), respectievelijk in 1857, 1858 en 1860. Op 22 augustus 1861, werd hij benoemd tot erelid van de Nederlandse Entomologische Vereniging (als een blijk van de prijs die zij stelde op zijn wetenschappelijke onderzoekingen).Tijdschrift voor Entomologie

Van juli 1861 tot zijn overplaatsing in juli 1863 verbleef hij op Amboina waar hij "zoölogische" tochten maakt door de Molukken en over de Aroe-eilanden.

Wetenschappelijk onderzoek en expedities thumb|Lüdeking beklom de Merapi Lüdeking was een medische officier met speciale belangstelling voor zoölogie en entomologie; hij maakte uitgebreide collecties voor het Natuur Historisch Museum te Leiden, die onder meer kruipende dieren (reptielen), insecten, vissen, schaal-, week- en straaldieren maar ook schedels van Indische volken en steensoorten afkomstig uit Sumatra, Ambon, Boeroe, Ceram en omliggende eilanden, Flores, Timor, Aroe-eilanden en zelfs Nieuw-Guinea bevatte.Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage, 17 oktober 1863 Naast bovengenoemde collecties schonk hij in die tijd vijf bronzen Engelse medailles, waarop inscripties stonden uit het Nieuwe Testament, en enkele andere oude munten, aan het penningkabinet van de Leidse Hogeschool.Amsterdamse Handels- en Effectenblad, 12 november 1863

De Militaire geneeskundige dienst werd ook vaak ingezet voor het verzamelen van zoölogische voorwerpen. In 1827 verzocht Temminck, de Minister van Marine en Koloniën en van Binnenlandse Zaken, de Militaire Geneeskundige Dienst bij het onderzoek en het verzamelen te mogen betrekken. Dit verzoek werd door Temminck herhaald in 1847 en 1857 en eveneens door de tweede directeur Hermann Schlegel in 1862. De volgende officieren van gezondheid gaven zonder officiële toestemming aan een van de verzoeken gehoor: P. Bleeker in 1845-79 D.M. Piller in de periode 1848-54 P.G. Neeb in de periode 1855-76 C.L. Doleschall in de periode 1857-59 E.W.A. Lüdeking in de periode 1860-72 G.F. Wienecke in de periode 1861-69 J. Semmelink in de periode 1863-97

Lüdeking deed hier actief aan mee maar wenste tevens waardering voor het aangeleverde werk. Hij dreigde regelmatig zijn objecten naar andere landen te sturen indien hij niet voldoende werd beloond. Hij verlangde tevens een eredoctoraat en een ridderorde. Schlegel dacht hem tevreden te kunnen stellen met de versierselen van de Eikenkroon, maar Lüdeking wilde een ridderschap in de Orde van de Nederlandse Leeuw.Citaat uit het Proefschrift Frans Willem van der Kreek te Gorinchem Lüdeking zond een collectie conciliën van Amboina naar professor Kaup in Hessen-Darmstadt.De Locomotief, 17 maart 1865

Hij beklom in zijn eerste jaren in Indië de Merapi, eigenlijk Gunung Marapi, gelegen in de Pandangse Bovenlanden (tegenwoordig Minangkabau, genoemd naar een Maleis volk) op West Sumatra bij Padang. Den Merapi had ik reeds in 1853 bestegen toen ik hem juist zes jaren na dien tijd en op gelijken datum weder beklom. De grootste indruk toen ontvangen stond mij nog levendig voor den geest, en vooral interesseerde het mij, te weten of in de, gedurende tusschentijd plaats gehad hebbende, uitbarstingen veel was veranderd zo schreef hij.

Agams voornaamste bergen waren de Merapi en de Singalland, een toen al uitgewerkte vulkaan, allebei ongeveer even hoog (circa 3000 m). De Singalland beklom Lüdeking één keer en de nog werkende vulkaan Merapi twee keer: in 1853 en in 1859 op dezelfde datum als de eerste keer en via dezelfde weg zodat hij de veranderingen, ook als gevolg van de uitbarstingen van 1856 en 1857, goed kon waarnemen.Citaat uit zijn “Natuur- en Geneeskundige Topografische schets der assistent-residentie AGAM, Westkust van Sumatra”, waarin hij zijn bevindingen in 1862 heeft gepubliceerd. Voor de eerste keer gepubliceerd in het “Geneeskundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië”, uitgegeven door de vereeniging tot bevordering der Geneeskundige Wetenschappen in Nederlandsch Indië. De agame Lophocalotes ludekingi werd in 1860 door Pieter Bleeker naar Lüdeking vernoemd. In 1862 werd Lüdeking benoemd tot erelid van de Nederlandse Entomologische Vereniging.

Verdere loopbaan Op 24 juli 1863 werd Lüdeking overgeplaatst bij het garnizoen in Weltevreden.Nieuwe Rotterdamsche Courant, 15 oktober 1863 Een jaar later ontving hij zijn overplaatsing naar Celebes en onderhorigheden.

Lüdeking kreeg bij Koninklijk Besluit van 26 februari 1864 nummer 69 vergunning tot het aannemen en dragen der versierselen van het onderscheidingsteken van ridder der eerste klasse van de Orde van Philipp de Grootmoedige, hem geschonken door Z.K.H. de groothertog van Hessen.Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage Datzelfde jaar werd hij tevens lid van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlands-Indië.Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage, 3 juli 1864 Toen op 12 juni 1865 te Makassar in het kettinggangerskwartier door een Chinese gevangene een moordaanslag werd gepleegd op officier van gezondheid derde klasse W.E. Berghuis van Woortman gaf Lüdeking hem de eerste medische verzorging. De aanslagpleger pleegde hierop zelfmoord met een overdosis opium. Zijn beweegreden voor deze daad was waarschijnlijk een dolle wraakzucht tegen de geneeskundige dienst in het algemeen.Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage, 9 augustus 1865

Ten tijde van de cholera-epidemie, die in 1865 in Makassar heerste, werden de handelingen van Lüdeking zeer geroemd. In de kranten werd onder meer geschreven dat door de maatregelen tot desinfectie (onder meer het stelselmatig ontruimen der kampementen en door chloorberokingen) de cholera te Makassar minder was geworden.De cholera-epidemie te Makassar. De Locomotief, 17 maart 1865 In 1866 werd hij geplaatst in Tjilatjap (Zuidkust van Midden-Java).Algemeen Handelsblad, 31 oktober 1866

Verlof in Nederland In 1867 werd hem een tweejarig verlof naar Nederland verleend en vertrok hij eind januari met echtgenote en vier kinderen via Batavia.Provinciaal Overijsselsche en Zwolsche Courant, 1 april 1867De Locomotief, 31 januari 1867 Gedurende zijn verlof in Nederland nam hij de tijd om zijn bevindingen uit te werken in een aantal boeken. Er verschenen diverse publicaties van Lüdeking en hij werd in zeer veel bladen en proefschriften aangehaald. Dat was niet alleen op geneeskundig gebied maar ook betreffende de entomologie, kleding, taal en gedichten. Het bekendste boek van Lüdeking was de: Schets van de residentie AmboinaUitgegeven door Martinus Nijhoff 's-Gravenhage, 1868 Vrijwel alle universiteitsbibliotheken hebben dit boek ook tegenwoordig nog; het is tegenwoordig zeer schaars en dus zeer kostbaar. In het boek beschreef Lüdeking zijn reizen en verblijf op Ambon. Het boek behandelde zijn werk in de gezondheid op Ambon (van 1861 tot 1963) in de residentie Ambonia. In het boek stonden onder meer geneesmiddelenlijsten, kleding, gebruiken, ontdekte dieren en talen. Ook was er een woordenlijst opgenomen met de volgende talen: Nederlands, Ambonees, Batumerah, Alang, Waai, Hitulama/Hila, Larike, Asilulu, Nusa Laut, Saparua, Haruku, Kayeli (Buru), Hoti, Hatuwe, Lisabata, Buria, Murnaten, Amaba en Alfur (Seram).

Een andere belangrijke publicatie was: Reis door de Padangsche bovenlanden uit Biang-Lala.(bladzijde 135-159), Indisch Leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud, onder redactie van W.L. Ritter en L.J.A. Tollens. Verder verschenen er diverse bijdragen van zijn hand in het Geneeskundig Tijdschrift, het Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, het Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië maar ook in diverse andere bladen. Lüdeking schreef ook gedichten met name gepubliceerd in BIÄNG–LALA (Regenboog).Indisch leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud, onder redactie van dezelfde Mr. L.J.A. Tollens en W.L. Bitter.

Kritiek op de opleiding militair geneeskundigen