thumb|Carl Linnaeus, met in zijn hand rustend op de Species Plantarum, een Linnaeusklokje (Linnaea borealis L.)
De binominale nomenclatuur, ook wel binomiale, binaire of binomenclatuur genoemd, is het systeem waarmee soorten een tweedelige wetenschappelijke naam krijgen. Het werd in de achttiende eeuw gestandaardiseerd door Carl Linnaeus en vormt nog altijd de basis van de biologische naamgeving van planten, dieren en bacteriën.
Een soortnaam bestaat uit de genusnaam (ook wel geslachtsnaam) en de soortaanduiding. Samen vormen deze de volledige soortnaam, bijvoorbeeld Linnaea borealis voor het linnaeusklokje. De combinatie van beide naamdelen is uniek: verschillende geslachten kunnen soorten met hetzelfde tweede deel van de naam bevatten, maar niet dezelfde volledige soortnaam, zoals Sylvia communis (grasmus) en Juniperus communis (jeneverbes).
Alleen soorten worden met een tweedelige naam aangeduid; hogere taxonomische rangen, zoals geslachten, families en orden, dragen een enkelvoudige naam. De naamgeving van organismen is vastgelegd in internationale nomenclatuurcodes, die onder meer regels bevatten voor de vorming, publicatie en geldigheid van wetenschappelijke namen.
Wetenschappelijke naamgeving Er zijn verschillende internationaal vastgestelde regels, zoals die voor dieren, die voor planten (algen, planten en schimmels) en die voor prokaryoten (waaronder bacteriën), die alledrie de binominale nomenclatuur als centraal principe omarmd hebben.
Op zich is het bedenken van een wetenschappelijke naam vrij, mensen die nieuwe soorten of geslachten/genera beschrijven kunnen hun eigen smaak en voorkeuren volgen. Beide delen van een soortnaam zullen afgeleid zijn van een bestaand woord of bestaande naam. Zo kan met het tweede deel van de naam van een soort verwezen worden naar een, al dan niet, karakteristieke eigenschap die aan de soort wordt toegeschreven (het is geen vereiste dat dit ook klopt). Voorbeelden zijn montanus/a/um (uit de bergen), thermophilus/a/um (warmteminnend) en sapiens (wijs, in Homo sapiens).
Maar zo'n verband met een eigenschap is niet vereist: soorten worden ook wel vernoemd naar personen. Zo werden tientallen soorten vernoemd naar David Attenborough, zoals de worm Marphysa davidattenboroughi en de vleesetende plant Nepenthes attenboroughii). Vooral in de zoölogie wordt er soms voor gekozen een soort te vernoemen naar iemand die geen verband met de soort heeft, maar die wel in het nieuws is. In 2026 gaf een Duitse paleontoloog, Martin Ebert, een fossiele vis de naam Goodichthys prettii, naar twee slachtoffers van geweld door de Amerikaanse vreemdelingenpolitie ICE, Renée Good en Alex Pretti.
In publicaties kan het voorkomen dat de genusnaam erg vaak voorkomt. In dat geval wordt vaak de eerste keer de genusnaam voluit geschreven om vervolgens afgekort te worden tot één of twee letters. In een artikel over wespen wordt dan bijvoorbeeld de Duitse wesp V. germanica genoemd, nadat eerder al de Gewone wesp voluit als Vespula vulgaris is geschreven.
Auteursnaam Het is nuttig om aan de twee elementen van een soortnaam de naam van de auteur die de soort beschreven heeft toe te voegen, met het jaar waarin de publicatie verscheen. Bij de Nederlandse libellen vindt men bijvoorbeeld de Viervlek: Libellula quadrimaculata Linnaeus, 1758. In die lijst staat ook de Beekrombout, waar de naam van Linnaeus tussen haakjes staat: Gomphus vulgatissimus (Linnaeus, 1758). De haakjes geven aan dat de soortnaam door Linnaeus is beschreven, maar dat de soort niet langer in het oorspronkelijke genus wordt geplaatst. Het tweede element blijft meestal behouden, al kan de uitgang veranderen als het woordgeslacht van de genusnaam verandert; Linnaeus noemde de soort Libellula vulgatissima.
Van bekende auteurs, die veel soorten beschreven, kan de naam afgekort worden.
Geschiedenis thumb|left|pagina 291 van Caspar Bauhin (1623), Pinax Theatri Botanici, met een aantal soorten van het geslacht Tithymalus (nu Euphorbia). Bauhin gebruikte al tweedelige (binomiale) namen, maar niet stelselmatig voor alle soorten in het hele werk. Image courtesy Missouri Botanical Garden.
Voor de invoering van de binominale nomenclatuur kreeg elke soort een lange naam die tegelijkertijd een beschrijving was. Door de naam te reduceren tot twee delen werd de naam enkel een handvat, een etiket.
Linnaeus was niet de eerste die tweedelige namen gebruikte. De gebroeders Johann en Gaspard Bauhin bijvoorbeeld, gebruikten ruim honderdvijftig jaar eerderMededeling zonder bron in de New World Encyclopedia. De tekst daar zegt bijna tweehonderd jaar, maar de oudste publicaties van de Bauhins dateren van na 1590 ook al tweedelige namen om een deel van de door hen beschreven soorten aan te duiden.in Caspar Bauhin, Pinax Theatri Botanici (Basel, 1623), zijn veel tweedelige namen te vinden. Ook wanneer een geslacht uit maar één soort bestond, gaven zij die soort een tweedelige naam; tot dan toe hadden natuurvorsers in zo'n geval volstaan met het geven van een naam van één woord: de geslachtsnaam.
Linnaeus was dus niet de eerste die tweedelige (binominale) namen voor soorten gebruikte, maar hij was wel de eerste die deze methode van naamgeving systematisch toepaste voor alle soorten door zijn hele werk. Het eerste werk waarin Linnaeus deze methode stelselmatig (voor alle behandelde soorten) toepaste was de eerste druk van Species Plantarum van 1753, die alleen over planten handelt. Niet veel later, in de tiende druk van Systema Naturae, waarvan het eerste deel, de zoölogie, in 1758 verscheen, paste hij de methode ook stelselmatig toe op alle namen van diersoorten.
Linnaeus zette het tweede deel van zijn tweedelige namen in de kantlijn van zijn boeken, als middel om zijn soorten makkelijk te kunnen vinden. Dit was een verbetering ten opzichte van zijn eerdere werk waar hij (alleen) nummers gebruikte. Immers, Euphorbia helioscopiaEuphorbia helioscopia in Species Plantarum is makkelijker in het gebruik en makkelijker te onthouden dan Euphorbia nummer veertig. Linnaeus zelf noemde deze tweede delen van zijn tweedelige namen, geplaatst in de kantlijn, nomina trivialia, om onderscheid te maken met wat hij nog steeds beschouwde als de echte namen, de nomina specifica legitima,nomen specificum legitimum in EUPHORBIA umbella quinquefida trifida dichotoma involucellis obovatis foliis cuneiformibus serratis, Euphorbia helioscopia in Species PlantarumW.T. Stearn, Nomenclatural Importance of the Species Plantarum, in: Ray Society (1957), Species Plantarum, a facsimile of the first edition, Volume 1: 1-5 te weten de lange, beschrijvende namen, die tegenwoordig als beschrijving gelden.
Ondersoort Wanneer in de zoölogie een soort onderverdeeld wordt in ondersoorten wordt een derde element aan de wetenschappelijke naam toegevoegd. Zo bestaat in Nederland een ondersoort van de Grote vuurvlinder: Lycaena dispar batava. Het oorspronkelijke binomen wordt een trinomen door herhaling van de soortsaanduiding: Lycaena dispar wordt Lycaena dispar dispar; deze ondersoort wordt nominaat genoemd.
Ondergeslacht Een derde element verschijnt ook als er tussen geslacht/genus en soort/species nog een taxonomische rang wordt onderscheiden: ondergeslachten/subgenera. In dat geval kan de tussenrang tussen haakjes toegevoegd worden. Een voorbeeld: er zijn taxonomen die het genus Psychoda uit de familie Motmuggen in een groot aantal genera verdelen, maar andere taxonomen vinden dat te ver gaan en zien die extra genera als subgenera. Psychoda sigma wordt dan Psychoda (Logima) sigma, waarin Logima het subgenus is. Voor degenen die Psychoda wel splitsen heet de soort Logima sigma. Door het element tussen haakjes toe te voegen blijft het voor iedereen duidelijk welk taxon bedoeld wordt.
Zie ook Plantensociologische nomenclatuur Triviale naam (biologie) Synoniem (dierkunde) Nomen nudum Nomen dubium
Noten en referenties
Categorie:Botanische nomenclatuur Categorie:Biologische nomenclatuur