Eusebius van Caesarea (Grieks: Ευσέβιος ο Καισαρείας) (circa 263 – 339?)Wetterau, Bruce. World history. New York: Henry Holt and company. 1994. was een waarschijnlijk uit Palestina afkomstige christelijke geleerde, en leerling van Pamphilus van Caesarea. Hij leefde van omstreeks 260 tot 340. Rond het jaar 313 werd hij bisschop van Caesarea, de Romeinse hoofdstad van Palestina. Eusebius was enige tijd raadsman van Constantijn de Grote. In de strijd tussen Arius en Athanasius was zijn positie niet eenduidig. Hij schreef de Ekklèsiastikè Historia (Kerkelijke geschiedenis).

Volgens Eusebius beheerste God de kosmos en de wereld en regeerde de keizer het Romeinse Rijk als de pendant van God op aarde.

Biografie De exacte geboorteplaats en -datum van Eusebius zijn onbekend. Over zijn jeugd is eveneens weinig bekend. Hij maakte kennis met presbyter Dorotheus in Antiochië en ontving van hem waarschijnlijk exegetisch onderricht. In 296 was hij in Palestina en ontmoette de Romeinse keizer Constantijn, die met Diocletianus het land bezocht. Hij was in Caesarea toen Agapius van Caesarea bisschop was en raakte bevriend met Pamphilus van Caesarea. Met deze Pamphilus schijnt hij de teksten van de Bijbel bestudeerd te hebben, met behulp van Origenes' Hexapla en commentaren die Pamphilus had verzameld, in een poging om een correcte versie voor te bereiden.

In 307 werd Pamphilus gevangengezet, maar Eusebius zette het project voort. De verdediging van Origenes die daaruit resulteerde en waaraan zij samen hadden gewerkt, werd na de dood van Pamphilus door Eusebius voltooid en door hem naar de martelaar in de mijnen van Phaeno in Egypte gestuurd. Eusebius is vermoedelijk naar Tyrus en later naar Egypte getrokken, waar hij voor het eerst van vervolging te lijden kreeg.

Het eerstvolgende dat van hem bekend is, is dat hij vermoedelijk kort na 313 aartsbisschop van Caesarea in Palestina werd, als opvolger van Agapius van Caesarea, van wie we de ambtsperiode niet met zekerheid kennen. Uit de vroegste jaren van Eusebius' ambtsperiode is er niets bekend. Toen het Concilie van Nicea in 325 bijeenkwam, was Eusebius prominent aanwezig tijdens de beraadslagingen. Van aard geen natuurlijke leidersfiguur noch een theoloog, veeleer een zeer geleerd man en beroemd auteur die genoot van de bijzondere gratie van de keizer, trad hij onder de driehonderd leden van het concilie op de voorgrond. De belijdenis die hij voorstelde vormde de basis van het Credo van Nicea.

Eusebius was ook betrokken bij de verdere ontwikkeling van de Ariaanse controverse. In het dispuut met Eustathius van Antiochië, die opkwam tegen de groeiende invloed van Origenes en de allegorische exegese van de Bijbel als wortel van het arianisme, beschuldigde Eusebius, als bewonderaar van Origenes, Eustathius van sabellianisme, als reactie op diens verwijt dat Eusebius afweek van het Niceaanse geloof. Eustathius werd beschuldigd, veroordeeld en afgezet tijdens een synode in Antiochië. Het volk van Antiochië kwam hiertegen in opstand, terwijl de tegenstanders van Eustathius Eusebius voordroegen als nieuwe bisschop, wat hij echter afwees.

Nadat Eustathius was afgezet, trokken Eusebius' aanhangers van leer tegen Athanasius van Alexandrië, een veel gevaarlijker tegenstander. In 334 werd Athanasius opgeroepen voor een synode in Caesarea; hij kwam niet opdagen. Het jaar nadien werd hij opgeroepen om te verschijnen voor de synode in Tyrus, die door Eusebius werd voorgezeten. Athanasius, die de uitkomst voorzag, trok naar Constantinopel om zijn zaak voor de keizer te brengen. Constantijn ontbood de bisschoppen bij het hof, onder wie ook Eusebius. Athanasius werd eind 335 veroordeeld en verbannen. Tijdens dezelfde synode werd ook een andere opponent met succes aangevallen: Marcellus van Ancyra had lange tijd oppositie gevoerd tegen Eusebius en zijn aanhangers en geprotesteerd tegen het eerherstel van Arius. Hij werd beschuldigd van sabellianisme en afgezet in 336. Constantijn overleed het jaar nadien en Eusebius overleefde hem niet lang. Eusebius stierf (waarschijnlijk in Caesarea), uiterlijk in 340, en waarschijnlijk op 30 mei 339.

Werken Van de uitgebreide literaire activiteiten van Eusebius bleef een relatief groot gedeelte bewaard. De auteur kon putten uit het groot aantal boeken van de door Origenes gestichte bibliotheek van Caesarea. Hoewel het nageslacht hem van arianisme verdacht, heeft Eusebius zichzelf onmisbaar gemaakt door zijn werkwijze als auteur; zijn uitvoerige en zorgvuldige uittreksels uit oorspronkelijke bronnen bespaarden zijn opvolgers de moeizame arbeid van het opzoeken. Bovendien bleef dankzij de aanhalingen van Eusebius bovendien veel materiaal bewaard dat anders zou zijn verloren gegaan.

De literaire productie van Eusebius weerspiegelt in grote trekken zijn levensloop. Onder invloed van Pamphilus en waarschijnlijk ook Dorotheus van de School van Antiochië, hield hij zich aanvankelijk bezig met Bijbelkritische werken. Naderhand vestigden de vervolgingen onder Diocletianus en Galerius zijn aandacht op de martelaren uit zijn eigen tijd en het verleden, en dit bracht hem tot de geschiedenis van de hele Kerk en uiteindelijk tot de wereldgeschiedenis, wat in zijn ogen slechts een voorbereiding was voor de kerkgeschiedenis.

Daarop volgde de periode van de Ariaanse controverse, en dogmatische kwesties traden op de voorgrond. Het christendom werd uiteindelijk door de staat erkend, wat nieuwe problemen met zich meebracht; er moesten nu een ander soort apologieën worden voorbereid. Ten slotte schreef Eusebius, als theoloog aan het keizerlijk hof, loftuitingen aan het adres van Constantijn. Bij al deze activiteiten moeten nog een aantal diverse geschriften, redevoeringen, brieven en dergelijke gevoegd worden, evenals exegetische werken die zowel commentaren als traktaten op Bijbelse archeologie omvatten en die zich uitstrekken over zijn gehele leven.

Bijbeltekstkritische werken Pamphilus en Eusebius hielden zich bezig met tekstkritiek van de Septuagint-tekst van het Oude Testament en vooral van het Nieuwe Testament. Origenes had vermoedelijk al een editie van de Septuagint voorbereid, die volgens Hiëronymus bewerkt en verspreid werd door Eusebius en Pamphilus. Voor een beter overzicht van het materiaal van de vier evangelisten verdeelde Eusebius zijn uitgave van het Nieuwe Testament in paragrafen en voorzag ze van een synoptische tabel, zodat het gemakkelijker werd om de bij elkaar horende pericopen terug te vinden.

De Kroniek Het grootste historische werk van Eusebius naast zijn Ekklèsiastikè Historia is zijn kroniek. Deze draagt de Griekse titel Pantodape historia ("Algemene Geschiedenis") en is onderverdeeld in twee delen. Het eerste deel (Grieks: Chronographia, "Annalen") is een kort overzicht van de wereldgeschiedenis, uit de bronnen en gerangschikt volgens naties. In het tweede deel (Grieks: Chronikoi kanones, "Chronologische Canons") wordt een synchroon overzicht gegeven van historisch materiaal, gerangschikt in parallelle kolommen, vergelijkbaar met een tijdlijn. De Kroniek was later fundamenteel voor de geschiedkunde, omdat hij vrij getrouw een aantal verloren gegane bronnen met chronologieën weergaf, zoals de lijst van Olympische kampioenen, de koningslijsten van Manethon en de Babyloniaka van Berossos.

Het originele integrale werk is verloren gegaan, maar het kan gereconstrueerd worden aan de hand van latere chronografisten van de Byzantijnse school die uittreksels uit de Kroniek maakten, in het bijzonder Georgius Syncellus. De tabellen van het tweede deel zijn volledig bewaard in een Latijnse vertaling van Hiëronymus, en beide delen zijn nog voorhanden in een Armeense vertaling. Het verlies van het Griekse origineel heeft aan de Armeense vertaling een bijzonder belang gegeven, aangezien het eerste deel van Eusebius' Kroniek, waarvan slechts enkele fragmenten in het Grieks bestaan, volledig is overgeleverd in het Armeens. De Kroniek zoals hij bewaard gebleven is, loopt tot het jaar 325. Hij werd geschreven vóór de Kerkgeschiedenis.

Kerkgeschiedenis In zijn Kerkgeschiedenis of Kerkelijke geschiedenis (Historia Ecclesiastica) ondernam Eusebius naar eigen zeggen een poging om de geschiedenis van de Kerk te beschrijven vanaf de apostelen tot aan zijn eigen tijd, met bijzondere aandacht voor de volgende punten:

de opvolgingen van de bisschoppen in de voornaamste bisdommen; de geschiedenis van christelijke leraren; de geschiedenis van ketterijen; de geschiedenis van de Joden; de geschiedenis van de heidenen; de martelaarschappen.

Hij rangschikte zijn materiaal volgens de regeringen van de Romeinse keizers, en gaf het weer zoals hij het in zijn bronnen aantrof. De inhoud is als volgt:

Boek I: gedetailleerde inleiding op Jezus Christus Boek II: de geschiedenis van de tijd der apostelen tot de verwoesting van Jeruzalem door Titus Boek III: de daaropvolgende tijd tot Trajanus Boeken IV en V: de tweede eeuw Boek VI: het periode van Septimius Severus tot Decius Boek VII: strekt zich uit tot het uitbreken van de vervolging onder Diocletianus Boek VIII: meer over deze vervolging Boek IX: geschiedenis tot de overwinning van Constantijn op Maxentius in het Westen en op Maximinus in het Oosten Boek X: Het herstel van de kerken en de rebellie door en overwinning op Licinius.

In zijn huidige vorm werd het werk voltooid vóór de dood van Crispus (juli 326), en aangezien boek x opgedragen werd aan Paulinus van Tyrus, die stierf voor 325, aan het eind van 323 of in 324. Het werk vereiste bijzonder uitgebreid voorbereidend studiewerk, en het moet Eusebius gedurende jaren in beslag genomen hebben. Zijn verzameling martelaarschappen van de voorgaande periode is mogelijk een van die voorbereidende studies geweest.

Eusebius wijt de calamiteiten die de Joodse natie overkwamen aan de rol van de Joden in de dood van Jezus. Dit citaat werd naderhand gebruikt om zowel Joden als christenen aan te vallen.

"dat vanaf die tijd scheuringen en oorlogen en valse samenzweringen in snel tempo op elkaar volgden, en nooit ophielden in de stad en in heel Judea, tot de belegering van Vespasianus hun uiteindelijk overmeesterde. Zo overwon de goddelijke wraak de Joden omwille van de misdaden die zij tegen Christus durfden te begaan." (Hist. Eccles. II.6: De Ongelukken die de Joden overspoelden na hun Hoogmoed tegen Christus)Zie deze link

Het gaat hier echter niet louter om antisemitisme in enige hedendaagse zin des woords. Eusebius voert een gelijkaardige aanval uit tegen de christenen, en wees een geest van verdeeldheid aan als oorzaak voor enkele van de zwaarste vervolgingen.

"Maar wanneer we als gevolg van de enorme vrijheid, vervielen in laksheid en sleur, en elkaar benijdden en belasterden, en als het ware bijna de wapens tegen elkaar opnamen, en heersers andere heersers belaagden met woorden als speren, mensen facties vormden tegen andere mensen, en een monsterachtige hypocrisie en huichelarij steeg tot de grootste hoogte van verdorvenheid, dan kwelde de goddelijke voorzienigheid zachtjes en met mate het episcopaat met verdraagzaamheid volgens haar goeddunken, terwijl de menigten nochtans voortgingen zich te verzamelen. (Hist. Eccles. VIII.1: De gebeurtenissen die voorafgingen aan de vervolging in onze tijd.)Zie deze link. Gearchiveerd op 5 februari 2023.

Leven van Constantijn