thumb|Schelde ten westen van Antwerpen in 1629|277x277px De sluiting van de Schelde of de blokkade van de Schelde was een blokkade voor het scheepvaartverkeer op de Schelde tussen Antwerpen en de zee, die gold van 1587 tot 1795. Ze was ook van toepassing op de Sassevaart en het Zwin voor het verkeer van Gent en Brugge. De sluiting betekende dat geen rechtstreekse doorvaart van zeeschepen van en naar de Zuid-Nederlandse havens op de Schelde was toegestaan. Dat hield geen blokkade in van de Scheldehandel. Die kon meestal gewoon doorgaan. De vracht moest wel op het Zeeuwse traject (en soms ook op Zuid-Nederlands gebied) worden overgeladen.

De sluiting van de Schelde aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog was een breuk met de relatief vrije doorvaart in de tijd van de verenigde Spaanse Nederlanden. Ze introduceerde, naast de al bestaande oude tollen, vertragingen en nieuwe onkosten. De blokkades hadden een grote negatieve invloed op de economie van de Zuidelijke Nederlanden, aangezien hierdoor Antwerpen haar belangrijke positie verloor (door haar strategische ligging langs de Wester- en Oosterschelde). Ze was daarom voor Spanje en de Zuidelijke Nederlanden moeilijk te aanvaarden.

Eerste belemmeringen miniatuur|De schipbrug aangelegd door de hertog van Parma over de Schelde, 1585|linksminiatuur|De mislukte aanslag op Antwerpen door prins Maurits, 17 mei 1605. In 1572 werd de scheepvaart over de Schelde een eerste maal geblokkeerd, door opstandelingen tegen het Spaanse bewind (zie Tachtigjarige Oorlog). Dit was slechts een kortstondige blokkade, want na de Spaanse Furie sloot Antwerpen zich aan bij de opstandelingen. Toen de Spanjaarden het beleg rond de stad sloegen, werd er een brug gebouwd tussen de forten van Sint-Marie en St.-Filips. Deze brug vervulde het beoogde doel; vanaf maart 1585 was er opnieuw geen scheepvaart meer mogelijk over de Schelde. Na een beleg van meer dan een jaar gaf de stad zich over in wat bekendstaat als de Val van Antwerpen.

Als gevolg hiervan werd de Schelde afgesloten door een vloot van de Republiek. Deze bestond uit lange, platboomde oorlogsschepen die bekend stonden als "drimmelaars" of "uitleggers". De vloot werd gesteund door de forten van Lillo en Liefkenshoek (toen nog in handen van de Republiek). In de periode 1585-1648 zijn door het Spaanse leger diverse mislukte pogingen gedaan om deze forten te veroveren. Door de sterke Nederlandse vloot had het Nederlandse republiek enige bewaking over de Schelde en nam ook in 1605 een mislukte poging om Antwerpen in te nemen. Strategisch voor het Noorden was ook de inname van Staats-Vlaanderen, waardoor de monden van de Schelde geheel op haar grondgebied kwamen te liggen. Bovendien viel hierdoor tevens de scheepvaart op de Sassevaart en het Zwin stil.

Scheepvaart langs Zeeuwse havens Al lang voor de Tachtigjarige Oorlog gebruikten veel binnen- en buitenlandse reders de havens en rede van Walcheren als voorhaven van Antwerpen en Gent. Dat gebeurde vrijwillig, om de moeilijke vaart met grote schepen door de Schelde te vermijden. Aan de kust werd dan overgeladen van zeeschepen op binnenschepen (lichters) of omgekeerd. Zeeuwse huurschippers bedienden meestal het tussenliggende traject op de Schelde.

Tijdens de oorlog werd de buitenlandse scheepvaart door de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tegengehouden, enkel binnenvaart tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden was toegelaten. Dit bleek een bruikbaar systeem om te controleren of geen verboden oorlogstuig of militaire voorraden over de Schelde naar het zuiden werden doorgevoerd. Antwerpse handelaars zetten dan ook Zeeuwse schippers in om goederen over te laden en naar Antwerpen te brengen. De overslag was uiteraard erg winstgevend voor de Zeeuwse havensteden, met name Middelburg, Vlissingen en in mindere mate Veere. De Zeeuwen wilden dan ook verhinderen dat de Schelde opengesteld zou worden toen de strijd werd gestaakt.

Licenten en convooien Zowel de Spanjaarden als de Nederlanders vroegen licenten. Dat waren in-, uit- of doorvoervergunningen, waarvoor naar soort en hoeveelheid van de goederen moest worden betaald. De licenten werden geheven voor militaire doeleinden, en daarom werden ze ingevoerd aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Spaanse licenten werden afgeschaft na de Vrede van Münster (1648). Toen bleek dat de Spaanse licenten heel winstgevend waren, werden ze opnieuw ingevoerd. Dit zorgde voor veel protest in de Spaanse Nederlanden en zelfs onrust, waarna Don Juan ze afschafte in augustus 1656. In 1686 kwamen de licenten weer in voege. Tussen 1572 en 1577 legde ook de Republiek licenten op aan al wie handel dreef met het Zuiden. Zij bekostigde hiermee het onderhoud en de bevoorrading van de vloot op de Schelde. De Republiek hief daarnaast convooien (beschermingsgelden) als bijdrage in de kosten van de beveiliging van haar wateren. Het verbodemen werd daarom in 1587 door de Noordelijke Staten-Generaal verplicht gesteld.

Deze belastingen werden geheven ter hoogte van Lillo, waar Zeeuwse schepen hun lading moesten overladen op schepen uit het Zuiden (na de Vrede van Münster mochten ze verder varen tot in Antwerpen). Vandaar spreekt men ook wel van de "fiscale barrière tussen Lillo en Liefkenshoek".

Praktijk van de sluiting en economische gevolgen miniatuur|De Nederlanden in 1609. De blokkade bleef van kracht toen het Twaalfjarig Bestand werd ondertekend. Tijdens de oorlog mochten geen oorlogsgoederen via de Schelde worden doorgevoerd. Alleen bij uitzondering was alle handel van en naar de Zuidelijke havens verboden. Dat gebeurde dan op initiatief van de regering in Brussel, die enkele malen een volledige economische boycot van het Noorden uitvaardigde. In vredestijd was de handel, afgezien van de verplichte verbodeming en de wederzijdse betaling van tollen en andere heffingen, vrij. Bepaalde soorten zware of bederfelijke lading waren uitgezonderd van de verplichting tot overslag. De situatie was er niet veel anders dan aan de Maas, de Rijn en de Noord-Duitse rivieren, waar ook een- of meermaals verbodemd moest worden en de nodige heffingen moesten worden voldaan. Voor het gevoel van de Antwerpenaren lag het anders, omdat er vóór de staatkundige scheiding geen overslagplicht, licenten en convooien waren geweest, maar enkel tollen.

De zogenoemde sluiting betekende geen blokkade van de Schelde. Kooplieden uit het Zuiden of het buitenland konden zelf hun waren van overzee over de Schelde invoeren. Ze hoefden die niet bij Zeeuwse of Hollandse handelaren in te kopen. De overslag en het vervoer over de Beneden-Schelde konden ze zelf of via zaakwaarnemers regelen. Het verplichte verbodemen leidde tot extra kosten en vertragingen, maar deze waren relatief beperkt in vergelijking met andere logistieke uitdagingen van die tijd. Toch bracht dit een concurrentienadeel voor Antwerpen met zich mee ten opzichte van bijvoorbeeld Amsterdam. In internationaal verband was de verplichting tot verbodemen (overladen, overslaan, lastbreken) aan de grens echter vrij gebruikelijk. Ook binnen één land, zoals op de Rijn in Dordrecht, Keulen en Mainz, en de Vlaamse kanalen in Gent en in Brugge, kwam ze eeuwenlang voor.

De provincie Zeeland spande zich in om het systeem van de verbodeming en de heffingen ook in tijden van wapenstilstand en na de oorlog te behouden. Vandaar maakte het Twaalfjarig Bestand geen einde aan de blokkade. Holland zag er aanvankelijk weinig voordeel in en wilde het wel inruilen voor Spaanse concessies. Voor Zeeland was het belangrijk in verband met de veiligheid van zijn wateren en kwetsbare polders. De voorhavenfunctie leverde ook bedrijvigheid, werk en geld op. Het kleine Zeeland zag in dat het om politieke en geografische redenen nooit de plaats van Antwerpen als commercieel centrum zou kunnen overnemen. Daarom probeerde het mee te profiteren van de Antwerpse, Gentse en Brugse handelsactiviteit. De Scheldehandel moest daarvoor zoveel mogelijk ongestoord doorgaan. Tollen, licenten en convooien dienden daarom onbezwaarlijk te blijven en wederzijds te worden verlaagd of afgeschaft.

De regeringen in Madrid en Brussel gingen daar niet in mee. Ze hadden moeite de volle soevereiniteit van de Republiek over de Beneden-Schelde te accepteren en vonden het verbodemen daar strijdig met hun waardigheid. Ze hadden ook weinig op met het vrijzinnige Antwerpen en beperkten de contacten met het protestantse Noorden en andere niet-katholieke naties zoveel als mogelijk. Om zo min mogelijk afhankelijk te zijn van de Republiek, hieven ze zware belastingen op de Scheldehandel. Ze zochten een alternatief voor de Schelderoute door het verbeteren en bevorderen van de achterlandverbindingen van de Vlaamse kusthavens Oostende, Nieuwpoort en Duinkerken. Voor de kooplieden van het Zuiden boden die meestal echter, ondanks lagere tarieven, weinig voordelen.

Neergang van Antwerpen en opkomst van Amsterdam In de literatuur van de 19e en het begin van de 20e eeuw was de sluiting van de Schelde omstreden en werd soms verkeerd geïnterpreteerd. Ze zou strijdig zijn geweest met het eertijds geldende rivierenrecht. Ook zou ze de voornaamste reden zijn geweest voor de neergang van Antwerpen als handelsmetropool en de opkomst van Amsterdam als nieuw centrum van de wereldhandel. Vanaf het midden van de 20e eeuw zijn verschillende studies verschenen die meer licht wierpen op de sluiting en die deze zienswijze deels weerlegden of nuanceerden.

Er waren ook andere redenen voor de neergang van Antwerpen. Antwerpen was altijd al kwetsbaar, omdat het vooral handelde in luxe goederen en buitenlandse handelshuizen en vrachtvaarders er een grote rol speelden. De stad verloor al vanaf circa 1550, dus al vóór de opstand, aan aantrekkingskracht. Religieuze onderdrukking, oorlogen van Spanje met Engeland, Frankrijk en de Republiek, en een verslechterende economische toestand speelden daarbij een rol. Daardoor begonnen zowel buitenlandse als eigen kooplieden, industriëlen en ambachtslieden uit te wijken, eerst naar Engeland, Frankrijk en Duitsland. Pas in een later stadium, toen het in Holland rustiger werd en beter ging, werd ook dat gewest doel van emigranten. Slechts weinig handel en industrie verplaatste zich naar Zeeland.

Antwerpen bleef een belangrijk handelscentrum in de Zuidelijke Nederlanden, maar verloor zijn vooraanstaande positie in het internationale verkeer. De regering in Brussel kon of wilde weinig ondernemen om Antwerpen aantrekkelijker te maken. Het verbodemen op de Schelde speelde bij dat alles niet de voornaamste rol, maar was wel een factor in de neergang van Antwerpen. Amsterdam was in opkomst, ondanks dat ook daar de zeevaart op de rede van Texel verbodemd en over grote afstand met lichters door de Zuiderzee vervoerd moest worden. De bloei van Amsterdam had eigen autonome oorzaken. Vooral de relatief open en tolerante instelling, de goede en integrale organisatie van handel, landbouw, veeteelt, visserij en industrie, de uitgewogen handelspolitiek van de overheden in overeenstemming met de handelselites, en de beschikbaarheid van een enorme eigen vloot, droegen daartoe bij. Amsterdam hechtte nooit veel belang aan het verbodemen op de Schelde.

Onderhandelingen over de sluiting miniatuur|Zeeland op de kaart (1690)Het verbodemen bij de vaart op Antwerpen en Gent werd tijdens de Tachtigjarige Oorlog niet formeel tussen de partijen geregeld. Dit gebeurde wel met de vaart op Sluis en Brugge. De Republiek had aanvankelijk de vaart op de moeilijk te controleren Vlaamse kusthavens helemaal geblokkeerd. Door verdragen tussen de besturen van Brugge en Zeeland in 1591 en 1596 werd de toegang tot het Zwin weer mogelijk, mits er verbodemd werd zoals op de Schelde.Tekst verdragen in Zijlmans, Troebele betrekkingen, bijlage 1