De Overlandveldtocht vond plaats tussen 4 mei – 24 juni 1864 in Virginia tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Deze veldtocht is ook gekend als Grants Overlandveldtocht of de Wildernessveldtocht. Luitenant-generaal Ulysses S. Grant, opperbevelhebber van alle Noordelijke legers, stuurde persoonlijk de bewegingen aan van het Army of the Potomac. Dit leger stond onder nominaal bevel van generaal-majoor George G. Meade. Hun tegenstander was de Zuidelijke generaal Robert E. Lee, bevelhebber van het Army of Northern Virginia. Hoewel Grant zware verliezen leed tijdens de veldtocht was het toch een strategische Noordelijke overwinning. De Zuidelijken verloren proportioneel meer soldaten en werden in het defensief gedwongen. Richmond en Petersburg werden door de Noordelijken belegerd na een acht weken durende titanenstrijd.
Op 4 mei 1864 stak Grant de Rapidan-rivier over. Hij hoopte Lees leger tot een open veldslag te dwingen door snel troepen tussen de Zuidelijke hoofdstad en Lee te plaatsen. Grant werd verrast door de agressieve aanval van Lee in de Slag in de Wildernis tussen 5 mei en 7 mei. Beide zijden verloren kostbare manschappen. In tegenstelling tot zijn voorgangers trok hij zijn leger niet terug na deze tegenslag. Hij manoeuvreerde zijn leger in zuidoostelijke richting om zich opnieuw tussen Lee en Richmond te wringen. Lees leger kon deze beweging pareren. In de Slag bij Spotsylvania Court House tussen 8 mei en 21 mei viel Grant verschillende keren de Zuidelijke stellingen aan om ergens een doorbraak te forceren. Het enige resultaat was opnieuw zware verliezen langs beide zijden.
Opnieuw probeerde Lee zijn leger te herpositioneren. Dit resulteerde in de Slag bij North Anna. Lee had sterke defensieve posities ingenomen en had de kans om delen van Grants leger te vernietigen. Door ziekte kon Lee dit plan niet uitvoeren. De laatste grote slag van deze veldtocht vond plaats rond Cold Harbor tussen 31 mei en 12 juni. Grant hoopte dat Lees leger te uitgeput was. Daarom opteerde Grant om de sterke Zuidelijke defensieve stellingen frontaal aan te vallen. Dit resulteerde in zware Noordelijke verliezen. Grant koos nog een laatste maal om zijn leger te herpositioneren. Grant stak in het geheim de James over en dreigde om Petersburg in te nemen. Dit zou het einde betekenen van de Zuidelijke hoofdstad. Het Beleg van Petersburg, dat duurde van juni 1864 tot maart 1865, zou uiteindelijk leiden tot de Appomattoxveldtocht. Dit betekende het einde van Lees leger en de uiteindelijke overgave van de Zuidelijke staten.
Tijdens deze veldtocht werden twee raids uitgevoerd onder leiding van de Noordelijke generaal-majoor Philip Sheridan. In de raid tegen Richmond sneuvelde de legendarische Zuidelijke generaal-majoor J.E.B. Stuart in de Slag bij Yellow Tavern op 11 mei. De tweede raid was tegen de Virginia Central Railroad gericht. Hier werd Sheridan gestopt door generaal-majoor Wade Hampton III in de Slag bij Trevilian Station op 11 juni en 12 juni. Dit was de grootste cavalerieslag tijdens de oorlog.
Achtergrond en samenstelling van de legers Belangrijkste Noordelijke bevelhebbersZuidelijke bevelhebbers van korpsen In maart 1864 werd generaal-majoor Ulysses S. Grant terug geroepen van de westelijke slagvelden en bevordert tot luitenant-generaal en opperbevelhebber van de Noordelijke legers. Hij sloot zich aan bij het Army of the Potomac. Meade bleef nominaal bevelhebber van het leger. Generaal-majoor William T. Sherman volgde Grant op als bevelhebber van de westelijke legers. Grant en president Abraham Lincoln werkten een algemene strategie uit om het hartland van de Zuidelijke staten van uit verschillende richtingen aan te vallen. Grant, Meade en Benjamin Butler namen het op tegen Robert E. Lee in Virginia. Franz Sigel nam de Shenandoahvallei voor zijn rekening. Sherman viel Georgia binnen, nam het op tegen Joseph E. Johnston en had Atlanta als doel. George Crook en William W. Averell namen de bevoorradingslijnen en spoorwegen in West Virginia voor hun rekening. Nathaniel P. Banks had Mobile, Alabama als doel. Voor de eerste keer in de geschiedenis van het conflict stond een gecoördineerd Noordelijk offensief op papier.Salmon, p. 251; Grimsley, p. 3.
Hoewel de vorige Noordelijke veldtochten in Virginia tegen de vijandelijke hoofdstad Richmond gericht waren, had deze veldtocht de vernietiging van het Zuidelijke Army of Northern Virginia tot doel. Lincoln was al lang voorstander van deze strategie omdat hij ervan uitging dat de vernietiging van het belangrijkste leger de val van de hoofdstad alleen maar in de hand zou werken. Grant gaf het bevel aan Meade dat hij Lee overal moest volgen.Hattaway & Jones, p. 525. Grant hoopte dat hij een snelle en beslissende overwinning zou kunnen forceren. De kans op de uitputtingsoorlog was eveneens groot. De slagersrekening voor beide partijen kon snel oplopen. De Noordelijken hadden echter de middelen en de manschappen om deze verliezen te vervangen, iets wat de Zuidelijken niet hadden.Rhea, Wilderness, pp. 46-47; Eicher, pp. 661-62. McPherson, p. 734.
Bij het begin van de veldtocht telde Grants leger 118.700 soldaten en 316 kanonnen.Eicher, p. 660; Rhea, Wilderness, p. 34. Zijn leger bestond uit het Army of the Potomac onder leiding van George G. Meade en het IX Corps (tot 24 mei maakte dit nog formeel deel uit van het Army of the Ohio en zijn bevelhebber rapporteerde rechtstreeks aan Grant.) De vijf korpsen waren: II Corps aangevoerd door generaal-majoor Winfield S. Hancock en was samengesteld uit de divisies van generaal-majoor David B. Birney en brigadegeneraals Francis C. Barlow, John Gibbon en Gershom Mott. V Corps aangevoerd door generaal-majoor Gouverneur K. Warren met de divisies van brigadegeneraals Charles Griffin, John C. Robinson, Samuel W. Crawford en James S. Wadsworth. VI Corps onder leiding van generaal-majoor John Sedgwick met de divisies van brigadegeneraals Horatio G. Wright, George W. Getty en James B. Ricketts. IX Corps aangevoerd door generaal-majoor Ambrose Burnside bestaande uit de divisies van brigadegeneraals Thomas G. Stevenson, Robert B. Potter, Orlando B. Willcox en Edward Ferrero. Cavalry Corps onder leiding van generaal-majoor Philip H. Sheridan met de divisies van brigadegeneraals Alfred T.A. Torbert, David McM. Gregg en James H. Wilson.
Robert E. Lees Army of Northern Virginia telde 64.000 soldaten en 274 kanonnen en was ingedeeld in vier korpsen: First Corps aangevoerd door luitenant-generaal James Longstreet bestaande uit de divisies van generaal-majoor Charles W. Field en brigadegeneraal Joseph B. Kershaw. Second Corps onder leiding van luitenant-generaal Richard S. Ewell en samengesteld uit de divisies van generaal-majoors Jubal A. Early, Edward "Allegheny" Johnson en Robert E. Rodes. Third Corps aangevoerd door luitenant-generaal A.P. Hill met de divisies van generaal-majoors Richard H. Anderson, Henry Heth en Cadmus M. Wilcox. Cavalry Corps aangevoerd door generaal-majoor J.E.B. Stuart met de divisies van generaal-majoors Wade Hampton, Fitzhugh Lee en W.H.F. "Rooney" Lee.
Ondanks het getalsmatig overwicht, had Grant toch problemen. Na de Slag bij Gettysburg het vorige jaar was het I Corps en het III Corps ontbonden. De overlevenden werden ingedeeld bij de andere korpsen. Dit had een negatieve invloed op het moreel en cohesie van de overgebleven eenheden. Ook diende Grant zijn communicatielijnen te beveiligen. Dit was de reden waarom Grant rond Lees rechterflank zou manoeuvreren tijdens de veldtocht. Bovendien was de 3 jaar durende dienstplicht van veel van zijn soldaten bijna te einde. Hierdoor stonden veel soldaten weigerachtig tegenover gevaarlijke aanvallen. Grant vulde daarom zijn troepen aan met de eenheden die de zware artillerie rond Washington, D.C. bemanden.Hattaway and Jones, pp. 527-28; Salmon, p. 252; Eicher, pp. 660-61.
De Slag in de Wildernis (5 mei tot 7 mei 1864) thumb|Overlandveldtocht van de Wildernis tot de oversteek van de James. De Overlandveldtocht begon toen Grant zijn leger de Rapidan-rivier overstak op 4 mei 1864. Grant zocht een open veldslag met Lee door hem uit zijn Mine Run-versterkingen te manoeuvreren of door Lee te flankeren. Lee verliet zijn versterkingen sneller dan Grant wilde. De Noordelijke troepen waren het ruige gebied van de Wildernis nog niet heelhuids doorgetrokken. Door de gevechten hier te laten plaatsvinden neutraliseerde Lee de Noordelijke artillerie. Lee gaf het bevel aan Ewells korps om op te rukken naar de Orange Turnpike terwijl A.P. Hills eenheden parallel oprukten via de Orange Plank Road en Longstreet oprukte vanuit Gordonsville.Salmon, p. 252; Eicher, pp. 662-64.
In de vroege ochtend van 5 mei trok het Noordelijke V Corps van Warren op in zuidelijke richting naar de Plank Road toen Ewells korps verscheen ten westen van de Turnpike. Meade liet de opmars stoppen en beval Warren om deze ogenschijnlijk kleine en geïsoleerde Zuidelijke eenheid aan te vallen. Ewells soldaten hadden ondertussen borstweringen opgericht bij Saunders Field. Warren vroeg aan Meade uitstel om tot de aanval over te gaan tot Sedgwicks VI Corps zijn rechterflank kon versterken. Tegen 13.00u gaf de gefrustreerde Meade het order aan Warren om aan te vallen zonder op Sedgwick te wachten. Bij de aanval kwam brigadegeneraal Romeyn B. Ayres’ brigade niet ver. De brigade op zijn linkerflank onder leiding van brigadegeneraal Joseph J. Bartlett had meer succes en brak door de linie van brigadegeneraal John M. Jones. Jones overleefde deze aanval niet. Omdat Ayres’ soldaten niet vooruit raakten, was Bartletts flank onbeschermd. Hij werd gedwongen zich terug te trekken.Rhea, Wilderness, pp. 101-03, 130, 140-56; Grimsley, pp. 35-36; Eicher, pp. 664-65.
Op Bartletts linkerflank vocht de Iron Brigade onder leiding van brigadegeneraal Lysander Culter tegen Alabamians onder leiding van brigadegeneraal Cullen A. Battle. Na een tegenaanval diende ook de Iron Brigade zich terug te trekken. Verderop bij Higgeson Farm vielen de brigades van kolonel Roy Stone en brigadegeneraal James C. Rice de Zuidelijk brigades van brigadegeneraal George P. Doles en brigadegeneraal Junies Daniel. Beide aanvallen werden afgeslagen door hevig kruisvuur. Crawford liet zijn brigades terugtrekken. Warren liet een artilleriebatterij aanrukken. Deze werd echter veroverd door de Zuidelijken. Door de hevige gevechten stond het graanveld in brand. Verschillende soldaten van beide zijden werden hierdoor levend verbrand. Rond 15.00u arriveerde de voorhoede van Sedgwicks VI Corps. Sedgwick viel Ewells linie aan in de bossen ten noorden van de Turnpike. Aanval volgde op tegenaanval. Na een uur werden de gevechten gestaakt en trokken beide opponenten borstweringen op.Rhea, Wilderness, pp. 138-39, 157-69, 176-81; Eicher, pp. 665-66.
Verkenners van Meade hadden de opmars van A.P. Hill langs de Plank Road gedetecteerd. Meade stuurde een divisie van het VI Corps onder leiding van brigadegeneraal George W. Getty naar het belangrijke kruispunt tussen de Plank Road en Brock Road om de Zuidelijke opmars te stoppen. De Noordelijken arriveerden net voor Hills soldaten. Na een korte schermutseling trokken de Zuidelijken zich enkele honderden meters terug. Meade stuurde orders naar Hancock om met zijn II Corps de stellingen van Getty te versterken. Bij deze manoeuvre botsten de Noordelijken op de stellingen van generaal-majoor Henry Heth. De verse divisies van het II Corps werden bij aankomst onmiddellijk ingezet. Door de grote druk was Lee verplicht zijn reserves in te zetten in de vorm van de divisie van generaal-majoor Cadmus M. Wilcox. Ondanks zware gevechten slaagden noch de Noordelijken, noch de Zuidelijken erin om vooruitgang te boeken.Eicher, pp. 664-67; Esposito, text to map 122; Grimsley, pp. 35, 39-41; Rhea, Wilderness, pp. 127-29, 133-36, 187-89, 191-229.