thumb|Theo Kars, diens echtgenote Karin, Morriën en Metten Koornstra (Boekenbal 1972) Adriaan Morriën (IJmuiden, 5 juni 1912 – Amsterdam, 7 juni 2002) was een Nederlands dichter, schrijver van kort proza, essayist, vertaler en criticus. Hij studeerde Frans en was aanvankelijk een aantal jaren docent in die taal. Hij was na de Duitse bezetting van Nederland werkzaam als adviseur van uitgeverijen (Van Oorschot en De Bezige Bij), als redacteur en vertaler, en als recensent (o.a. voor Het Parool en Vrij Nederland). Morriën debuteerde als dichter in 1935 vlak voor opheffing nog in het tijdschrift Forum van Menno ter Braak en E. du Perron. Na de oorlog was hij hoofdredacteur van Litterair Paspoort (1946-1964), redactie-secretaris van Criterium (1946-1948), redacteur van Libertinage (1948-1953), Tirade (1958-1963), en Literair Akkoord (1968-1970). Ook zat hij in tientallen jury's van literaire prijzen en was hij criticus voor Het Parool, Vrij Nederland en de VPRO.
Morriën groeide op in IJmuiden. Vanwege tuberculose verbleef hij lange tijd in een sanatorium. In 1939 verscheen zijn eerste dichtbundel, Hartslag, die door Menno ter Braak waarderend besproken werd. Tijdens de Duitse bezetting verhuisde hij, noodgedwongen vanwege de aanleg van de Atlantikwall, naar Amsterdam, waar hij literaire vriendschappen sloot. Meteen na de Bevrijding werd hij redactiesecretaris van het tijdschrift Criterium en stelde ook de redactie samen. Vanaf 1946 redigeerde hij jarenlang in zijn eentje het tweemaandelijkse literaire tijdschrift Litterair Paspoort.
In de periode van het einde van de Duitse bezetting van Nederland tot begin jaren vijftig was hij zowel de mentor als de kameraad van Willem Frederik Hermans (die hij ‘ontdekt’ zou hebben). Hij vertaalde werken van o.a. Heinrich Böll en Albert Camus. Morriën was een eigenzinnige man, die hevige ruzie zou krijgen met zijn eerdere kameraad W.F. Hermans.
Biografie Jeugd (1912-1928) Adriaan MorriënDe stamboom van Morriën gaat terug tot de vroege achttiende eeuw. Rond 1700 werd de stamoudste geboren, waarschijnlijk in Amsterdam waar de volgende vijf generaties bleven. Biograaf Rob Molin acht een Duitse herkomst van de naam - (Von) Morrien - waarschijnlijk. Molin (2005), 524-525, noot 13 werd op maandag 5 juni 1912 aan de Annastraat 12 in IJmuiden geboren als derde van vier kinderen van de scheepsarbeider Gerrit Morriën en Neeltje Morriën-van der Kuil.Molin (2005), 13-17 Hij werd vernoemd naar zijn grootmoeder van vaderskant, Adriana Morriën-Wessel, die in 1881 van Amsterdam naar IJmuiden was verhuisd.Molin (2005), 12 Zijn familie van moederszijde was afkomstig uit Zwartewaal op het Zuid-Hollandse eiland Voorne; in 1903 was zijn moeder met haar moeder naar IJmuiden getrokken.Molin (2005), 13 en 525, noot 14 Het huwelijk van de ouders van Morriën, waarvoor de hervormde Gerrit zich tot het gereformeerde geloof had moeten bekeren, werd op 4 juni 1908 gesloten.Molin (2005), 15 Hierom wordt gesteld dat Adriaan Morriën opgroeide in een "gereformeerd milieu".
Morriën was een makkelijk kind met een grote verbeeldingskracht en een sterke moederbinding, nog bevorderd doordat vader Gerrit bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 gemobiliseerd werd en in Den Helder werd gestationeerd.Molin (2005), 18 Nadat Gerrit in december weer terugkeerde, heeft de aanwezigheid van zijn vader Morriën tot omstreeks zijn twintigste gehinderd.Molin (2005), 19
In 1915 werd Morriën op de hervormde bewaarschool aan het Emmaplein gedaan.Molin (2005), 21 Vanaf april 1918 ontving hij gereformeerd onderwijs aan de Groen van Prinstererschool aan het Koningsplein.Molin (2005), 26 In de vakanties speelde hij met vriendjes op het strand en in de duinen, waarbij zich graag afzonderde om dromerig te denken aan Bijbelse situaties die zich daar konden voordoen, zoals een brandend braambos. Ook vanwege zijn door de oorlogsschaarste geringere lichaamskracht speelde hij vaak de afzijdige toeschouwer bij de activiteiten.Molin (2005), 30-31
Na de oorlog verkeerde het gezin in een toenemende welstand; rond 1920 werd Gerrit compagnon in de zeilmakerij waar hij werkte.Molin (2005), 31 Toen hij acht was, moest Morriën naar de zondagsschool om onder leiding van een ouderling de psalmen en geestelijke liederen te leren. Zelf zou hij liever voetbalwedstrijden hebben bezocht.Molin (2005), 32-33 In hetzelfde jaar werd zijn broertje Jan geboren, over wie Morriën zich ontfermde als een vader, wat de band met zijn moeder nog versterkte.Molin (2005), 34 Verhalen over de Tachtigjarige Oorlog brachten Morriën volgens biograaf Rob Molin op een heroïsche visie 'waarmee de papenhaat en alles wat naar katholiciteit zweemde zich voorgoed in hem vastzette'.Molin (2005), 35
In de vijfde klas begon hij een lezer te worden: met andere jongens wisselde hij geleende boeken uit, zodat hij voor het leengeld meerdere boeken kon lezen, zoals de avonturen van Pietje Bell en Dik Trom, en de indianenverhalen van Karl May. Hij was ook gecharmeerd van de orgelmuziek in de kerk en van de harmonie. Ook zijn belangstelling voor beeldende kunst begon in deze tijd te ontluiken.Molin (2005), 35-37
Na de lagere school bezocht Morriën de MULO. Toekomstplannen had hij nog niet. ook bezocht hij de zondagse 'knapenvergadering' van de gereformeerde kerk, waar hij in het tweede jaar penningmeester van werd. Door de week volgde hij onderricht in de Heidelbergse Catechismus Hij was een dromerige, maar vooral gehoorzame jongen.Molin (2005), 39-41 In de winter van 1926-1927 werd hij getroffen door borstvliesontsteking en daarmee gepaard gaande vochtophoping achter de longen, gediagnosticeerd als 'natte pleuritis'.Molin (2005), 43 De aandoening hield hem vier maanden in bed. Kort na zijn genezing begon de gezondheid van zijn moeder te verslechteren met aanvallen van epilepsie. Door de opgelopen onderwijsachterstand kon hij pas een jaar later, in 1928, het eindexamen mulo-a afleggen. Hij behaalde zijn diploma met hoge cijfers, waaronder een tien voor geschiedenis.Molin (2005), 43-46
In de examenklas raakte hij bevriend met Gé van Gelder, een nieuwe leerling met humor, rake uitspraken en ondanks een hervormde achtergrond even weinig sympathie voor religie als Morriën zelf had. Hij woonde met zijn moeder en zeven broers en zusters in een nieuwe wijk; zijn vader was een visserman die in de Eerste Wereldoorlog om het leven was gekomen bij een aanval van een Duitse onderzeeboot. Het verlies van zijn vader woog zwaar en hij kon niet tegen sociaal onrecht. Vrijwel dagelijks kwamen Gé en Morriën bij elkaar over de vloer. Ze bespraken hun leeservaringen, vanuit de gezamenlijke overtuiging dat alles wat los van de Bijbel stond hen tot leidraad zou kunnen dienen.Molin (2005), 44-46
Hbs-leerling (1928-1932) Na een toelatingsexamen dat op 7 september 1928 werd afgenomen, werd Morriën toegelaten tot de derde klas van de Rijks hogereburgerschool te Velsen.Molin (2005), 46-47 Hij ging voortaan per trein van IJmuiden naar Velsen, waar hij zich maar langzaam een houding wist te geven tussen de kinderen uit de middenstand en hoger milieu. Hij probeerde op deze openbare school te verbergen dat hij gereformeerd was en dat zondagse activiteiten voor hem taboe waren. Wel nam hij deel aan hockey en maakte vrienden. Enkele verliefdheden bleven platonisch.Molin (2005), 48-49 Zijn cijfers waren matig, zelfs voor een lievelingsvak als Duits.Molin (2005), 49-50 Als zestienjarige was hij in de gereformeerde jongerenvereniging niet te handhaven. Wel bleef hij de kerk bezoeken, waar hij de saaie diensten benutte door zich te oefenen in het observeren van de andere kerkgangers. De lange preken bezorgden hem later een aversie tegen lange lezingen en redevoeringen.Molin (2005), 51
Een bijzondere band ontstond met zijn leraar Nederlands in de derde klas, David Fuldauer. Deze Jood met socialistische overtuiging ging weleens in op de literaire kant van een werk en besprak de recente literatuur.Molin (2005), 50 Van 1904 tot en met 1906 was Fuldauer redactielid van het studentenblad Propria Cures geweest, waardoor de aandacht voor literatuur in het blad sterk was toegenomen.Molin (2005), 532 noot 26 Maar hij was alleen bevoegd om in de lagere klassen les te geven, zodat Morriën in de verdere jaren een andere leraar kreeg, Ch. Haje, een Vondelkenner en taalpurist. Morriën had in de zomervakantie van 1929 het schoolboek van L. Leopold, de door Pik en Opstelten herziene bloemlezing Nederlandse schrijvers en schrijfsters, doorgenomen, vooral het gedeelte over de recente tijd. De kennismaking met sonnetten van Willem Kloos inspireerden Morriën om zelf sonnetten te schrijven.Molin (2005), 52 Haje besteedde vooral veel aandacht aan de oudere letterkunde; met Fuldauer bleef Morriën contact houden en hij werd ook geregeld bij hem thuis in Santpoort uitgenodigd. Fuldauer stelde zijn bibliotheek open voor Morriën, die zo kennismaakte met moderner werk als J.J. Slauerhoff en onder de oudere dichters Herman Gorter ontdekte, dichters die hem naar eigen zeggen een 'schok van innerlijke ontsteltenis' gaven.Geciteerd in Molin (2005), 532 noot 14 In de winter van 1930 liet hij zijn eigen gedichten aan Fuldauer lezen. Fuldauer moedigde hem aan te blijven schaven en leerde hem zodoende de nodige zelfkritiek te ontwikkelen.Molin (2005), 53-54 Zijn prozastijl werd door leraar Haje aan andere leerlingen ten voorbeeld gesteld. De Bijbel had hem laten zien welke uitdrukkingsmogelijkheden de taal bood.Molin (2005), 55
Behalve gedichten waarin Morriën zijn hevige maar vruchteloze verliefdheid voor een medeleerlinge verwerkte, waagde hij zich aan een jambisch epos over de vissers en havenarbeiders van IJmuiden. Na enkele honderden verzen hield hij ermee op.Molin (2005), 56 In de taallessen had hij het werk van de romantische dichter John Keats leren kennen, die samen met de socialistische poëzie van Gorter invloed had op het epos over IJmuiden.
Rond 1930 begon hij filosofie te lezen: de moraaltheorie van Kant, over wie hij een spreekbeurt hield. Verder las hij Also sprach Zarathustra van Nietzsche en de Ethica van Spinoza.Molin (2005), 57 Ook zijn belangstelling voor klassieke muziek ontwikkelde zich: bij een vriend thuis luisterde hij elke zondag naar het concert van Mengelberg op de radio.Molin (2005), 60
In de zomer van 1930, toen de wereldwijde crisis ook in IJmuiden merkbaar werd, verhuisde het gezin naar de Edisonstraat 24 in Nieuw-IJmuiden, tegen de duinen aan. Het huis was met geleend geld gekocht, tegen de wil van Morriëns moeder. De schoolresultaten van Morriën waren verbeterd en lagen nu rond het cijfer zeven.Molin (2005), 58-59 Ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de school werd de tragedie Lucifer van Vondel opgevoerd, waarin Morriën de rol van de aartsengel Gabriël voor zijn rekening nam en veel tekst uit zijn hoofd moest leren. Haje besteedde in zijn lessen veel aandacht aan de drama's van Vondel, zodat Morriën in de vijfde klas nog maar net aan de achttiende-eeuwse literatuur was begonnen. Hij behaalde het eindexamen hbs-a met redelijke cijfers: achten voor de talen, zessen voor natuur- en scheikunde.Molin (2005), 62 Fuldauer had hem bij de voorbereiding van het examen geholpen. Hij betaalde Morriën vijf gulden per week voor het catalogiseren van zijn bibliotheek. Na zijn examen nam Morriën de boekhouding van de zeilmakerij op zich, tegen kost en inwoning en één gulden zakgeld in de week.Molin (2005), 64
Tuberculose en sanatorium Hellendoorn (1932-1934)