Camarasaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende sauropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Camarasauromorpha, dat tijdens het Laat-Jura leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika. Fossielen zijn bekend uit Wyoming, Utah, Colorado, Montana, New Mexico, Oklahoma en South Dakota (Morrison-formatie). Camarasaurus werd 13–18 meter lang, met een gewicht van 1–23 ton.

De eerste fossielen van Camarasaurus werden in 1877 gevonden. Dat jaar groeven teams van zowel professor Cope als van professor Marsh skeletten op. Cope zou in 1877 het dier zijn naam geven, dat zoiets als 'overkapte sauriër' betekent, door de typesoort Camarasaurus supremus te benoemen. Daarna zouden nog eens negen soorten in het geslacht benoemd worden. Van de meeste daarvan wordt tegenwoordig begrepen dat het om synoniemen van al eerder benoemde soorten gaat of zelfs heel andere dinosauriërs. Twee soorten zouden echter geldig kunnen zijn: C. grandis en C. lentus. De soorten verschillen maar weinig van elkaar, het meest nog in lichaamsomvang. Van Camarasaurus zijn veel skeletten gevonden. Daardoor kregen de wetenschappers een goed beeld van de bouw van het dier.

Net als alle sauropoden was Camarasaurus een viervoeter met een lange hals. Voor een sauropode was die nek echter nog relatief kort en droeg een korte, hoge, schedel. De staart was niet erg lang maar de poten waren tamelijk langgerekt, vooral de voorpoten. Zo kon het dier ondanks de wat korte nek toch nog redelijk hoog in de bomen reiken. Het was dus gespecialiseerd in het eten van de middelste plantenlagen die met krachtige tanden afgebeten werden. Dat was een succesvolle levenswijze want Camarasaurus was de meest voorkomende sauropode in zijn leefgebied. Volgens de Princeton Field Guide to DinosaursPaul, G.S., 2016. The Princeton Field Guide to Dinosaurs (2nd ed.). Princeton Field Guides (Book 110), Princeton University Press, , 360 pp. werd Camarasaurus grandis tot veertien meter lang met een gewicht tot dertien ton, C. lentus tot vijftien meter met een gewicht tot vijftien ton, C. supremus tot achttien meter met een gewicht tot 23 ton en C. lewisi tot dertien meter met een gewicht tot tien ton. De niet al te grote Camarasaurus moet een favoriete prooi geweest zijn van roofdieren als Allosaurus en Ceratosaurus.

Vondst en naamgeving Camarasaurus supremus thumb|De opgraving door Lucas in 1877 Sauropoden waren al in het begin van de negentiende eeuw ontdekt maar lange tijd had men een zeer onnauwkeurig beeld van de bouw van deze dieren. Langzaam begon men te begrijpen dat het landdieren waren in plaats van zeedieren. Cetiosaurus uit Engeland, waarvan de meeste resten gevonden waren, bleef toch nog onvolledig bekend. Aan deze situatie zou op het eind van de jaren zeventig plots een einde komen, toen in de woestijnen van de Verenigde Staten van Amerika uitgebreide beenderlagen van sauropoden aan het oppervlak bleken te komen. Camarasaurus zou de eerste sauropode worden waarvan vrijwel het complete skelet opgegraven werd. left|thumb|Cope in 1881 In, vermoedelijk maart, 1877 was onderwijzer Oramel William Lucas op een zaterdagavond op jacht in Fremont County. Na op een hert geschoten te hebben achtervolgde hij het dier te paard maar wist er geen spoor van te ontdekken. Terugkerend over een heuvelrug viel hem een vreemd gevormde steen op waarvan hij eerst dacht dat het een vissenfossiel was. Nadere bestudering bracht hem echter tot de conclusie dat het om een groot versteend bot ging. Iets verderop stak een bot van drie voet lang boven de grond uit. Het kostte hem een paar avonden om dit te bergen. De zaterdag erop vond hij een hele beenderlaag. Lucas had kort daarvoor zijn opleiding wegens geldtekort beëindigd maar was eigenlijk van plan geweest geologie te studeren onder professor Albert Allen Wright te Oberlin. Hij meldde de vondst bij deze geoloog die echter aangaf geen geld te hebben voor een aankoop en hem doorverwees naar E. D. Cope of O. C. Marsh. Paleontoloog Edward Drinker Cope was de eerste die reageerde en Lucas voor een redelijk salaris in dienst nam om nog meer fossielen te zoeken. Lucas huurde daartoe weer een paar spoorwegarbeiders in. Benjamin Franklin Mudge zou later, uitgezonden om de opgravingen te bespioneren, Lucas een aanbod doen om tegen een hogere vergoeding voor Marsh te gaan werken maar deze ging daar niet op in, hoewel hij voor de vermeende onbetrouwbaarheid van Cope gewaarschuwd werd. Lucas had overigens een geregistreerde claim op de grond van het opgravingsgebied. thumb|Dijbeen van AMNH 5760, eerder AMNH 5761/Femur-1, door Lucas in augustus verzonden In de zomer van 1877 groef, nu onderwijsinspecteur, Lucas bij Garden Park in Colorado de resten van minstens twee grote sauropoden op in de buurt van een heuveltje dat later Cope's Nipple werd genoemd. Het lag op de grote heuvelkam die de westzijde vormt van de grote vallei van Garden Park. Minstens één skelet lag in wat later de Cope Quarry N° 1 genoemd werd en minstens één ander in de Cope Quarry N° 2. Lucas verzond ze in de zomer en de herfst van dat jaar. Cope groepeerde de beenderen alsof ze een enkel individu vormden — zonder overigens een skeletopstelling te maken, waarvoor hij tijd noch ruimte had — en benoemde al op basis van de eerste partij botten op 23 augustus 1877 de typesoort Camarasaurus supremus. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse καμάρα, kamara, 'overkapte ruimte', een verwijzing naar de holle bouw van de wervels. Lucas had zelf al een wervel uitgehold om dit aan te tonen. De soortaanduiding supremus betekent 'de hoogste' in het Latijn omdat Cope vond dat hij de hoogste dinosauriër tot dan toe gevonden had. Camarasaurus supremus is daarmee de typesoort van het geslacht. De beenderen waren geprepareerd door Jacob Geismar.

Het holotype wordt meestal aangegeven als het specimen AMNH 5760, hetwelk vermoedelijk bestaat uit de composiet van beide skeletten. Het is gevonden in de late Morrisonformatie die dateert uit het Tithonien. Lucas zond in de zomer van 1877 eerst een partij van zes wervels: een van de nek, twee van de rug en drie van de staart. Osborne & Mook meenden in 1921 dat ze niet van één individu afkomstig waren en wezen de wervels aan als de syntypen. Ze vermoedden dat AMNH 5760 uit minstens drie individuen bestond die ze weer aanwezen als topotypen. J.S. McIntosh zou de zes wervels zien als het lectotype van C. supremus. Hij dacht dat ze allemaal uit de Cope Quarry N° 1 kwamen. De wervels hebben nooit, apart of samen, speciale inventarisnummers gekregen. Wel werden in 1921 de drie individuen aangeduid als AMNH 5760, AMNH 5760' en AMNH 5760' '. Lucas verzond in augustus 1877 een tweede kist met daarin nog wat wervels van de rug en de staart, een heiligbeen, een chevron, een schouderblad, delen van het bekken en een dijbeen van zes voet lengte — dit bot was deel van de allereerste vondsten van Lucas. Dit werd gevolgd door nog eens drie kleinere zendingen tot augustus 1878.

Daarnaast behoort specimen AMNH 5761 tot dezelfde soort. Het vertegenwoordigt een partij botten van vermoedelijk meerdere individuen die op dezelfde vindplaats als het holotype zijn aangetroffen, vierhonderd meter ervan verwijderd, in Cope Quarry N° 2. Ze werden door de broer van O.W. Lucas, Ira Hiram Lucas, na een eerste melding op 10 februari 1879, tussen 27 januari 1881 en 1883 naar Philadelphia gezonden maar hun kisten zijn nooit door Cope opengemaakt. Oramel was ondertussen weer gaan studeren. Omdat Cope hoorde dat ze geen delen van de ledematen bevatte, besloot hij de zending te verkopen en sloeg de kisten op in zijn kelder. Deze fossielen werden na Cope's dood in 1897 verkocht aan het American Museum of Natural History. AMNH 5761 werd pas tussen 1912 en 1919 onderzocht en geprepareerd door Peter Kaisen. Daarbij werden ten onrechte botten van eerdere zendingen onder het inventarisnummer AMNH 5761 gecatalogiseerd. In 1919/1921 liet het AMNH een grote publicatie over de sauropode vondsten van Cope verschijnen. Het gedeelte daarvan dat aan Camarasaurus gewijd was, behelsde toen de grootste hoeveelheid tekst die ooit over een sauropodengeslacht was verschenen.

Andere soorten en geslachten Verdere taxa benoemd door Cope thumb|upright=1.7|Ryders reconstructie van Camarasaurus uit 1877 In de jaren daarna zou een groot aantal vondsten van Camarasaurus gedaan worden. Veel daarvan zouden worden toegeschreven aan nieuwe soorten van dat geslacht of zelfs aan geheel nieuwe geslachten. Nog in 1877, 21 november, benoemde Cope een Caulodon diversidens (gebaseerd op AMNH 5768, een partij van tien tanden verstuurd op 12 november 1877), en op 12 januari 1878 een Caulodon leptoganus, gebaseerd op specimen AMNH 5769, nog twee tanden die vermoedelijk uit Colorado komen. In juni 1879 benoemde hij een Camarasaurus leptodirus, 'de slankhals', gebaseerd op resten van drie wervels waarvan in 1921 alleen specimen AMNH 5763 over was, een zevende halswervel; de wervels zijn in deze positie wat langer, wat Cope tot de onjuiste conclusie bracht een afwijkende vorm te hebben gevonden. Tegenwoordig worden alle drie gezien als jongere synoniemen van Camarasaurus supremus. Caulodon betekent 'steeltand' in het Grieks, vanwege de lange tandwortels. Ten onrechte meende Cope dat de tanden van het normale reptieltype afweken door het ontbreken van vervangingstanden.

Cope liet in 1879 — een melding over het gebruik van afbeeldingen bij een lezing voor de American Philosophical Society op 21 december 1877 verwijst vermoedelijk naar tekeningen van losse botten — ook een reconstructietekening maken door de vergelijkend anatoom John A. Ryder, de eerste keer dat dit voor een sauropode gebeurde. De reconstructie was niet heel nauwkeurig en de nek werd te plat afgebeeld. De basis van de staart werd echter wel correct horizontaal weergegeven. Er zijn een dozijn halswervels, de rug toont het te hoge aantal van achttien en er zijn zevenenvijftig staartwervels. Ten onrechte worden hand en voet met een volledig stel klauwen afgebeeld. De tekening werd op ware grootte op doeken overgebracht zodat Cope die kon gebruiken bij lezingen om indruk op het publiek te maken met de lengte van achtenzestig voet. Cope zelf zou de tekening nooit publiceren; dat deed C.C. Mook voor het eerst in 1914.

Cope benoemde in 1878 een Amphicoelias latus, gebaseerd op specimen AMNH 5765, vier staartwervels en een dijbeen. Vermoedelijk gaat het hier om een jong exemplaar van Camarasaurus. Dat maakt A. latus vermoedelijk tot een jonger synoniem van C. supremus.

Vondsten door Marsh thumb|Het gebied waar camarasaurusfossielen gevonden zijn Cope had een rivaal, zijn collega professor Othniel Charles Marsh. Ook Marsh kreeg de beschikking over fossielen van Camarasaurus, in 1877 gevonden door zijn medewerkers William Harlow Reed en William Edwards Carlin, maar was niet genegen om die een naam te geven die Cope bedacht had. In december 1877 benoemde hij daarom een skelet met schedel uit de Como Bluff Quarry 1, YPM 1901, als een soort van Apatosaurus: Apatosaurus grandis, 'de grote'. Ondanks de naam gaat het om een jong dier. Het paratype is een tweede skelet, YPM 1905, gevonden in de winter van 1877/1878. Dit bewaarde een veel groter deel van de schedel, de eerste keer dat van een sauropode ook een deel van de snuit gevonden was. Marsh beschreef YPM 1905 kort in 1879 en meer uitgebreid in 1880, waarbij ook de binnenkant van de hersenpan besproken werd. Uiteindelijk zou Marsh alle schedelelementen uit elkaar laten nemen waarvan hij illustraties liet maken voor een gepland boek over de Sauropoda dat echter nooit gepubliceerd zou worden. Het zou dit schedelmodel zijn dat Marsh in 1883 zou gebruiken in zijn reconstructie van Brontosaurus wat weer zou leiden tot het beruchte geval dat dit laatste dier een eeuw lang met de foute kop werd afgebeeld. Later liet Marsh ook nog de schedels YPM 1902 en YPM 1917 opgraven. left|thumb|Marsh was in 1877 net te laat om als eerste het taxon te benoemen