Suchomimus tenerensis is een vleesetende theropode dinosauriër, behorend tot de groep van de Spinosauridae, die tijdens het vroege Krijt leefde in Afrika.

De eerste fossielen van Suchomimus werden in 1997 in Niger gevonden door een team van de beroemde paleontoloog Paul Callistus Sereno. Het dier kreeg al in 1998 zijn naam die "krokodilnabootser" betekent toen de typesoort Suchomimus tenerensis beschreven werd. Van Suchomimus is een wat completer skelet aangetroffen en verschillende losse botten. Daardoor zou veel van het dier bekend kunnen zijn ware het niet dat de snelle beschrijving weinig grondig was.

Suchomimus werd een kleine tien meter lang en drie ton zwaar. Hij had een lange krokodilachtige kop waarmee hij vissen kon vangen. Suchomimus liep op zijn stevige achterpoten. Zijn voorpoten waren kort maar zeer sterk gebouwd met enorme handklauwen om zich te verdedigen tegen andere theropoden. Op de rug stond een lage kam.

Suchomimus is vermoedelijk hetzelfde dier als de eerder uit hetzelfde vondstgebied benoemde Cristatusaurus. Ook is hij lastig te onderscheiden van de Britse Baryonyx en Suchosaurus, zijn directe verwanten in de Baryonychinae.

Vondst en naamgeving De typesoort Suchomimus tenerensis is op 11 november 1998 benoemd en beschreven door Paul Sereno, Allison Beck, Didier Dutheil, Boubacar Gado, Hans Larsson, Gabrielle Lyon, Jonathan Marcot, Oliver Walter Mischa Rauhut, Rudyard Sadleir, Christian Sidor, David Varricchio, Gregory Wilson en Jeffrey Wilson op basis van een aantal in 1997 bij Gadoufaoua in Niger gevonden fragmentarische skeletten waardoor in totaal ongeveer twee derde van de skeletelementen van het dier bekend zijn. Zo'n vierhonderd botten werden geborgen door een expeditie van achttien man, geleid door Sereno, die in de herfst van 1997 voor vier maanden naar Niger vertrokken was. De eerste vondst, een aan het woestijnoppervlak liggende duimklauw, werd gedaan op 4 december 1997 door Varrichio. De geslachtsnaam, "krokodilnabootser", verwijst naar de krokodilachtige snuit die alle bekende spinosauriden hadden en is afgeleid van het Oudgrieks σοῦχος, souchos, de naam van de Egyptische krokodil(lengod), en μῖμος, mimos, "nabootser". De soortaanduiding verwijst naar de Ténéréwoestijn, de vindplaats. left|thumb|380px|Het door Sereno opgestelde skeletmodel maakte sterk gebruik van gegevens afkomstig van Baryonyx Het holotype, MNN GDF500, is gevonden in de Tegamabedden van de Elrhazformatie die dateren uit het Aptien. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet zonder schedel. Bewaard zijn gebleven: drie nekribben, delen van veertien ruggenwervels, tien ribben, buikribben, stukken van drie sacrale wervels, stukken van twaalf staartwervels, chevrons, een schouderblad, een ravenbeksbeen, een voorpoot, een bekkenhelft en delen van een achterpoot. De wervelkolom werd grotendeels in verband gevonden; de overige elementen lagen los. Delen van het skelet waren vermoedelijk al eeuwen eerder door erosie blootgelegd en hadden verweringsschade. Het gaat om een jongvolwassen exemplaar. Als paratypen zijn aangewezen: MNHN GDF 501: een snuit; MNHN GDF 502: een quadratum; MNHN GDF 503; een stuk dentarium; MNHN GDF 504: een stuk dentarium; MNHN GDF 505: een stuk dentarium; MNHN GDF 506: een draaier; MNHN GDF 507: een achterste halswervel; MNHN GDF 508: een achterste ruggenwervel; MNHN GDF 510: een staartwervel; en MNHN GDF 511: een staartwervel. De fossielen maken deel uit van de collectie van het Musée National du Niger. thumb|upright|Voor Sereno was Suchomimus een groot publicitair succes Het is mogelijk dat Suchomimus een jonger synoniem is van de iets, minder dan een maand, eerder benoemde Cristatusaurus uit dezelfde formatie, die ervan slechts verschilt in de grootte van de tandkassen, iets wat een simpel gevolg kan zijn van individuele variatie. Een identiteit van Cristatusaurus met Suchomimus zou het bekende materiaal in ieder geval doen toenemen met enkele kaakelementen en wervels maar misschien ook met specimen MNHN GAD 513, een gedeeltelijk skelet zonder schedel dat in 2007 aan Cristatusaurus is toegewezen en de bekende elementen aanvult met onder andere de meeste halswervels.

Het beschrijvende artikel verscheen in het gerenommeerde blad Science dat strikte beperkingen stelt aan de lengte van de publicatie. Als gevolg hiervan was de beschrijving summier en was Sereno gedwongen essentiële informatie in de voetnoten onder te brengen. Bij de beschrijving en het bouwen van een skeletmodel en een model van het levende dier, opgesteld in het Children's Museum te Chicago, leunde Sereno zwaar op de gegevens die bekend waren van Baryonyx. Dit leidde ertoe dat andere onderzoekers informeel hebben voorgesteld de soort maar bij dat geslacht onder te brengen. In 2002 benoemde Hans-Dieter Sues een Baryonyx tenerensis maar dat is geen gebruikelijke aanduiding geworden, hoewel Gregory S. Paul zich er in 2010 bij aansloot. De zaak wordt nog verder gecompliceerd doordat Baryonyx op zijn beurt weer een jonger synoniem zou kunnen zijn van het op tanden gebaseerde geslacht Suchosaurus.

Een gedetailleerde beschrijving van Suchomimus ontbreekt nog, met uitzondering van het vorkbeen, gevonden tijdens een vervolgexpeditie in 2000, waaraan in 2007 een kort artikel werd gewijd. Hoewel Suchomimus in wetenschappelijke zin dus nog slecht bekend is, was de publieke bekendheid die Sereno met deze vondst verwierf zeer aanzienlijk door de vele krantenartikelen en televisiedocumentaires die aan de vondst gewijd werden. Verschillende natuurhistorische musea tonen een afgietsel van het skeletmodel, dat door Sereno in een gebogen houding geplaatst werd, met opengesperde muil, om de bezoeker de indruk te geven dat hij door het dier aangevallen werd.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|Suchomimus, in het rood, in grootte vergeleken met andere spinosauriden Suchomimus is volgens Sereno ongeveer elf meter lang en heeft een rughoogte van zo'n drie meter. Paul schatte in 2010 de lichaamslengte op negenenhalve meter, het gewicht op tweeënhalve ton. Suchomimus heeft een zeer lange en smalle snuit met kegelvormige tanden. De rug werd misschien bekroond door een kort zeil. De armen zijn robuust en dragen een forse duimklauw. left|thumb|350px|Een diagram van het skelet door Jaime Headden Sereno wist enkele kenmerken vast te stellen die ook naar huidige inzichten nog onderscheidend zijn. De praemaxilla heeft een tak onder het neusgat lopen die het bovenkaaksbeen bijna helemaal van dat gat scheidt. De doornuitsteeksels van de achterste ruggenwervels, sacrale wervels en voorste staartwervels zijn verbreed. Het opperarmbeen heeft robuuste hoeken aan de bovenkant. De bult boven de gewrichtsknobbel van het opperarmbeen die contact maakt met het spaakbeen heeft een haakvormig uiteinde. Een identiteit met Cristatusaurus zou hieraan nog een middenkam op de snuit toevoegen.

Sereno had het nadeel dat hij niet kon beschikken over de meer gedetailleerde herbeschrijving van Baryonyx uit 1998. Michael Mortimer heeft erop gewezen dat als de door Sereno afgebeelde skeletreconstructie met de nieuwere gegevens over Baryonyx wordt vergeleken, enkele verschillen duidelijk in het oog springen. De snuit van Suchomimus is korter. Het bovenste uiteinde van het schouderblad is breder en het onderste uiteinde is abrupter ingesnoerd. Het opperarmbeen is robuuster. De onderkant van de ellepijp is meer verbreed. De voet van het schaambeen is meer verbreed. Het darmbeen heeft een korter aanhangsel voor het zitbeen en bij het achterblad strekt het in zijaanzicht zichtbare deel van de groeve voor de musculus caudofemoralis brevis zich minder ver naar achteren uit. Deze verschillen zouden echter kunnen voortkomen uit een verschil in rijping en daarbij kan de correctheid van Sereno's illustratie wegens het ontbreken van een gedetailleerde beschrijving van Suchomimus niet gecontroleerd worden.

Skelet Schedel thumb|380px|Een model van de schedel De schedel van Suchomimus is, voor zoverre uit het snuitfragment valt op te maken, zeer langwerpig met een geschatte lengte van ongeveer 120 centimeter. Hij is ook zeer smal, vooral in de snuit. De schedel is echter tevens zeer robuust met zware geornamenteerde beenwanden en stevige vergroeiingen. De voorste snuitbeenderen, de praemaxillae, hebben van boven bezien aan de achterste basis een insnoering; daarvóór verbreden ze zich weer zodat een afgeronde rozet ontstaat die kon dienen als grijporgaan. Ook in zijaanzicht in er een insnoering, zij het niet zo sterk omdat de snuitpunt op een hoger niveau ligt dan het achterliggende gedeelte van de kaak, het bovenkaaksbeen. Iedere praemaxilla heeft zeven tanden. De voorste drie daarvan zijn erg groot en nemen van de eerste tot derde in grootte toe. De vierde tand is echter kleiner dan de tweede en na achteren nemen de premaxillaire tanden snel in omvang af. De punt van de snuit is bedekt met diepe putten. De praemaxilla is erg lang en daardoor ligt het langwerpige grote neusgat vrij ver naar achter, slecht beginnend ter hoogte van de vierde maxillaire tand. Het wordt zowel aan de bovenkant als de onderkant vermoedelijk voor meer dan de helft van de lengte door een tak van de praemaxilla omvat. left|thumb|350px|Suchomimus heeft een opvallende knik in de lijn van de bovenkaak De achterste van die takken rust op het voorste deel van het bovenkaaksbeen. Deze maxilla heeft minstens tweeëntwintig maxillaire tanden. De rand van de voorkant van het bovenkaaksbeen kromt vlak achter de praemaxilla scherp naar beneden toe, een grote bocht vormend. In de hoek tussen praemaxilla en maxilla bevindt zich een klein tandje, schuin naar voren gericht. De tweede maxillaire tand is al een stuk groter en de bolling is bezet met zeer grote, door de kromming naar buiten uitwaaierende, tanden; de derde maxillaire tand is het grootst en naar achteren nemen de maxillaire tanden geleidelijk in omvang af, een lange tandrij vormend op een nogal holle achterste kaakrand. Boven de tanden bevindt zich een rij grote aderkanalen. Alle tanden zijn licht naar achteren gekromd en min of meer kegelvormig. Ze bezitten kleine rechthoekige kartelingen op de snijranden. Het tandemail is bedekt door een patroon van nauwe, naar beneden uitwaaierende, groefjes. In 2019 vergeleek een studie de tanden met die van Sarcosuchus. De structuur bleek sterk gelijkend maar ze waren taaier doch zachter dan die van de krokodilachtige.

De verbinding tussen maxilla en praemaxilla is vrij complex. Waar het raakvlak tussen beide botten achteraan bijna horizontaal loopt, daar waar de achterste praemaxillaire tak contact maakt, is de beennaad onder de insnoering meer verticaal gericht, zij het in een sterke zigzagvorm zodat de snuit hecht met het bovenkaaksbeen vergroeid is. Intern lopen de bovenkaaksbeenderen ver naar voren door, plaatvormige uitsteeksels vormend die op de middenlijn van de schedel over een stuk van de onderkanten van de praemaxillae heen groeien. Een opening aan de middelste onderzijde van het rozet ontbloot de voorkanten van deze smalle uitgroeisels. De interne vleugels van de bovenkaaksbeenderen raken elkaar over een lang gedeelte van het verhemelte zodat andere botten daarvan, het verhemeltebeen, het pterygoïde en het ectopyterygoïde, kennelijk ver naar achteren werden gedrongen, samen met de interne neusgaten, de choanae.

Het bovenkaaksbeen heeft achteraan twee takken die de voorkant van de grote schedelopening omvatten, de fenestra antorbitalis. Dit venster is plat en langwerpig en bezit slechts aan de voorste bovenhoek een duidelijke omgevende uitholling. Daar dringt een kegelvormige pneumatische uitholling naar voren toe het bot binnen, de vermoedelijke toegang voor een uitloper van een luchtzak.