Hoefverzorging gaat over de verzorging van de hoef van een hoefdier, zoals een paard. Naast de dagelijkse verzorging zoals uitkrabben en invetten gebeuren standcorrecties en beslaan meestal door een professionele hoefsmid.
Anatomie van de hoef thumb|Schema van een paardenhoef De hoef is een uitgroeisel of verlengstuk van de huid. Het is een bijzondere vorm van huid die bestaat uit verhoornde cellen. De hoef van een paard komt overeen met de nagel van andere zoogdieren. Bij de voeten van het paard gaat de opperhuid aan de hoornrand over in de hoef met de hoeflederhuid, waarbij de hoornige hoef dan de voortzetting van de opperhuid is en de hoeflederhuid de voortzetting is van de behaarde lederhuid. In de hoeflederhuid komen geen haarzakjes voor en ook geen smeerklieren, verder zo goed als geen zweetklieren (die zijn alleen nog aanwezig in de straallederhuid). Afhankelijk van de plaats onder de hoornige hoef noemen we de hoeflederhuid zoom-, kroon-, wand-, zool-, straal- en steunsellederhuid. De drie eerstgenoemde liggen aan de voor- en zijvlakken van de hoef, direct onder het hoorn; de drie laatstgenoemde delen liggen aan de onderkant van de hoef, eveneens direct onder het hoorn. De lederhuid is voorzien van viltachtige vlokken. De wandlederhuid echter heeft plaatjes in plaats van vlokken. De hoeflederhuid die anders dan de hoornlaag en de opperhuid zenuwen en bloedvaten bevat, wordt ook wel aangeduid als “het leven”. Bij een vernageling (verkeerd geslagen hoefnagel) gaat de nagel niet alleen door het hoorn, maar ook door de hoeflederhuid. “Het leven” is dan geraakt.
De hoornige hoef De hoornschoen ziet er als één geheel uit maar wordt onderverdeeld in meerdere delen nl. hoornzoom, hoornwand, hoornzool, hoornstraal, hoornige steunsels, hoornige ballen, en de plaatjesrand of witte lijn. De hoornzoom bestaat uit elastische hoorn, dat de overgang vormt van de opperhuid naar de hoef. De hoornzoom is 1–2 cm breed, maar zet zich als dek- of glazuurlaag voort over de wand. Deze glazuurlaag bedekt ongeveer ¾ gedeelte van de wandvlakte. Bij beslagen hoeven is zij vaak weggeraspt. De verschillende delen van de hoef hebben een sterk uiteenlopend water- en vetgehalte (wand resp. 10% en 0,95%, zool 30% en 0,25%, straal 42% en 0,50%). Naarmate er meer water en vet in het hoornweefsel voorkomt is de elasticiteit groter. Bij een laag gehalte is het hoorn hard en brokkelig. Hoorn is zeer goed bestand tegen vreemde stoffen. Inwerking van ammoniak (NH3), dat ontstaat door omzettingen van stoffen in de urine en strooisel, kan echter een probleem zijn. Door voortdurende inwerking van ammoniak lost het hoorn op, met als gevolg zachter weefsel. De straal is het meest gevoelig voor deze inwerking (veel contact en zacht weefsel), waardoor rotstraal kan ontstaan. Ook losse wanden, waarbij de hoef meestal langs de witte lijn splijt kunnen het gevolg zijn van de inwerking van ammoniak.
Bouw en hoorngroei thumb|Zijaanzicht van een hoef De hoefwand bestaat uit sterk verhoornde lagen huid, die in primaire en secundaire lamellen zijn gevouwen. De lamellen vormen een verbinding met de daaronder liggende lagen van de huid. Zowel in de hoornwand als in de hoefbalhoorn bestaat het weefsel uit tubulair hoorn (hoornpijpjes met een schors en een mergholte) als uit intertubulair hoorn (hoorn tussen de hoornpijpjes). Gedurende het proces van verhoorning treden er veranderingen op in de verbindingen tussen de cellen, die gevolgen hebben voor de mate van onderlinge beweging. De verhoornde cellen worden gevormd door celdeling van de cellen uit de kiemlaag van de kroonrand, waarbij de nieuw gevormde cellen steeds opschuiven. De kiemlaag ligt op de hoeflederhuid en wordt van daaruit gevoed. De kiemlaag is eigenlijk de onderste laag van de opperhuidcellen. De kiemlaag ligt in plooien (van de eerste orde) waarop weer kleine plooien (van de tweede orde) voorkomen. Vorming van nieuwe cellen leidt tot een beweging naar beneden, met gedurende dit transport een toenemende verhoorning. De precieze relatie tussen de verhoornde producten van de naar beneden bewegende hoefwand en het naar buiten bewegen van door lamellen gevormd weefsel is echter niet bekend. De hoornpijpjes worden gevormd door de kiemlaag van de kroonrand. Het weefsel tussen de pijpjes wordt gevormd door de hoornplaatjes van de wand. In totaal zijn er ongeveer 600 pijpjes van de eerste orde (uit plooien van de eerste orde), met elk weer ongeveer 100 pijpjes van de tweede orde (uit plooien van de tweede orde). Groei vindt plaats vanaf de kroonrand naar beneden. De primaire hoornpijpjes verhoornen gedurende het proces van uitgroei naar beneden. Dit is niet het geval bij de secundaire hoornpijpjes. Gedurende het proces van verhoorning neemt de hoeveelheid cystine (een aminozuur), en in mindere mate de hoeveelheid threonine en tyrosine toe. De hoeveelheid histidine daarentegen, wordt lager dan in de buitenste lagen van de huid. Gedurende de verhoorning neemt de hoeveelheid koolhydraten af. Dit zijn in de zachtere delen in hoofdzaak galactose- en in de harde delen glucose-/mannose-verbindingen met eiwitten. Gemiddeld bedraagt de hoorngroei ~6 mm per maand. De groei is trager gedurende perioden van kou, in een droge omgeving, en bij weinig beweging. Anders dan wel wordt aangenomen bestaat er geen verschil in sterkte tussen gekleurd en ongekleurd hoornweefsel. Door vervetting van het merg van de hoornpijpjes wordt de hoornige hoef beschermd tegen uitdrogen. De hoornwand blijkt 6 keer harder te zijn dan de hoefbalhoorn. De effecten van endogene factoren, zoals biotine, zwavelhoudende aminozuren, seleen, en zink, en exogene factoren, zoals vocht, ammoniak, en gebruik van hoefolie, op de verschillende eigenschappen van hoornweefsel is niet goed bekend.
Voetas thumb|Onderaanzicht van een hoef De voetas wordt, van voren gezien, gevormd door een denkbeeldige lijn door het midden van het hoefbeen, kroonbeen en kootbeen. De voetas behoort, zowel van voren als van opzij gezien, een rechte lijn te vormen. Wanneer dit niet het geval is spreken we, afhankelijk van de richting waarin de hoek wijst, van een naar voren of naar achteren gebroken voetas. De beenas is de denkbeeldige verticale lijn door kogel, pijp, voorknie of sprong en opperarmbeen of schenkel. De beenas moet van voren gezien een rechte lijn vormen en in hetzelfde vlak liggen als de voetas. De voet wordt “in balans” of vlak genoemd als de denkbeeldige dwarse lijn door de kroonrand evenwijdig loopt aan het grondoppervlak en loodrecht staat op het vlak door de voetas en de beenas. De hoek, die de teen van de hoef maakt met de bodem, behoort gelijk te zijn aan de hoek tussen voetas en bodem. Vóór bedraagt deze hoek ~45-50 graden en achter ~50-55 graden. Deze hoek kan worden gemeten met behulp van een hoefhoekmeter. De afstand tussen kroonrand en bodem (middenvoor gemeten) wordt wel teenlengte genoemd. Een te steile of te weke stand vergroot de kans op afwijkingen. Bij een rechte voetas moet niet worden geprobeerd de stand te wijzigen. Een rechte voetas moet wel altijd worden nagestreefd bij het bekappen. Veranderingen van de hoefhoek moeten geleidelijk worden uitgevoerd om het risico op blessures zo klein mogelijk te houden (~2-3 graden per 2 weken). De hoef behoort vlak te zijn. Dit betekent dat de binnen- en buitenwand een gelijke lengte hebben.
Voeding en hoefkwaliteit Bij varkens en kippen is een gunstig effect vastgesteld van het verstrekken van extra biotine in het rantsoen op de klauwkwaliteit respectievelijk de kwaliteit van de huid. Naar aanleiding daarvan zijn ook bij paarden verschillende experimenten met biotine uitgevoerd. Biotine is een vitamine uit de B-groep (vitamine H) en maakt deel uit van verschillende enzymsystemen. Het is een vitamine nodig voor groei, botontwikkeling, voortplanting en voor de stofwisseling van de huid (intact houden van de huid). Het werkingsmechanisme van biotine in relatie tot de hoornkwaliteit is niet duidelijk. Mogelijkerwijs beïnvloedt het de hoeveelheid keratine moleculen in het hoorn. De beschikbaarheid van biotine in het rantsoen is in een groot aantal voedermiddelen (tarwe, gerst, haver) beperkt. Vers gras is een goede biotinebron, evenals lucernemeel, melasse, grondnotenschroot, raapzaadschroot en biergist.
Het verstrekken van biotine in hoeveelheden van 15 mg per dag aan rijpaarden of 5 mg per 100–150 kg lichaamsgewicht aan verschillende rassen (koud- en warmbloeden) leidde tot een grotere hardheid van de hoornwand. De resultaten ten aanzien van de groeisnelheid waren niet eenduidig. Zowel een snellere als een niet veranderde groei is beschreven. In de winter werd een tragere groei gezien dan in de zomer (een verschil van 1–2 mm/28 dagen). Een probleem bij het beoordelen van beide hier genoemde experimenten is dat in het ene geval wel is gewerkt met proef- en controlegroepen maar de duur van de proef beperkt was tot een periode van 10 maanden. Ondanks de trage groei van hoornweefsel werd al een verschil vastgesteld na 2 maanden, zodat het lijkt alsof er al een grotere hardheid is ontstaan voordat met het verstrekken van biotine is begonnen. In het andere geval is bij de proefopzet niet bij alle groepen paarden gebruikgemaakt van proef- en controlegroepen. Hierdoor zijn de veranderingen moeilijk toe te schrijven aan het verstrekken van biotine. Onderzoek bij varkens geeft echter een duidelijk en specifiek effect aan van biotine op de hardheid van hoorn. De hoornwand wordt harder, terwijl de balhoorn zachter wordt. De verschillen in chemische samenstelling van beide onderdelen van de hoefwand spelen hierbij waarschijnlijk een rol.
Het bekappen van de normale hoef thumb|Bekappen door een hoefsmid Elke 6-8 weken behoort een paard te worden bekapt en, in geval van beslag, de ijzers te worden verlegd of vernieuwd. In de draf- en rensport worden de paarden elke 2-4 weken de ijzers verlegd of vernieuwd. Hoewel steeds rechte voet- en beenassen worden nagestreefd, moet toch bij elk paard worden beoordeeld wat de beste stand van hoef en been is voor dat individuele paard. In rust en in beweging moeten de hoeken aan het been van voren, van opzij, en van achteren worden beoordeeld om de best mogelijke keuze te kunnen maken. Van voren wordt beoordeeld of de voet vlak op de grond staat. Dit is het geval als een dwarse lijn door de kroonrand een rechte hoek maakt met het grondoppervlak en loodrecht staat op de verticale beenas. Van opzij wordt gekeken of de wand hol of bol is en of er ringen op de hoef zijn gevormd. De voetas wordt tevens beoordeeld (recht, naar voren gebroken, naar achteren gebroken). Van achteren wordt gekeken naar de vorm (is er sprake van samengetrokken hielen?), de hoogte en de symmetrie van de hielen. De genoemde aspecten worden ook in beweging beoordeeld. Het accent ligt dan echter op de wijze van vrijkomen van de grond en de wijze van neerzetten van de voet. Dit is het best te beoordelen op een harde, vlakke ondergrond zoals stenen of asfalt. Bij een goed gebalanceerde voet komen de hielen van de hoef gelijktijdig op de grond en rolt de voet in het midden over de teen.