Atlantis (Oudgrieks: Ἀτλαντίς, eiland van AtlasKritias, (2001), Uitgeverij Bert Bakker, p. 114: 'De oudste, die ook koning was, gaf hij [Poseidon] de naam waarnaar heel het eiland en de oceaan, de zogeheten Atlantische Oceaan, zijn vernoemd. Want de eerste koning van toen heette Atlas.') is een mythisch eilandenrijk waarvan de historiciteit onduidelijk is. Atlantis werd voor het eerst vermeld in Plato's dialogen Timaeus en Critias. Door een grootschalige catastrofe zou dit rijk rond 9600 v. Chr. plotseling zijn verdwenen.

Klassieke bronnen Plato thumb|Atlas (oude man links) en Hercules, tussen zijn Zuilen van Hercules, schilderij van Lucas Cranach de Oudere, na 1537. Volgens Plato heersten Atlas en zijn negen broers als eersten over Atlantis. Plato's beschrijving van een mythisch eiland lijkt op verhalen die over de hele wereld voorkomen, over een aards paradijs dat ten onder gaat aan natuurrampen, zoals aardbevingen of een zondvloed. Sommigen denken dat Plato geïnspireerd was door de vulkanische gebeurtenissen op het eiland Santorini (Thera) omstreeks 1600 v.Chr. Anderen veronderstellen dat hij door de verwoesting van Helike in 373 v.Chr. of de mislukte Atheense expeditie naar Sicilië in 415–413 v.Chr. zijn inspiratie voor Atlantis kreeg. Omdat Plato de verwoesting van Atlantis in verband brengt met de vloed van Deucalion wordt ook wel verondersteld dat hij zich liet inspireren door een zondvloedverhaal.

Volgens Plato's dialogen zelf waren Egyptische priesters van Saïs de inspiratiebron voor Solons verhaal. Solon was een verwant en vriend van Dropides, de overgrootvader van zowel de oligarch Critias als Plato. Critias was een neef van Plato's moeder. Critias bewaarde aantekeningen, waarin Egyptische namen in het verhaal naar het Grieks waren overgezet.Warren, H, Molegraaf, M. (2001), Plato, Deel X, Timaios, Kritias, p. 128, p. 113: 'Die aantekeningen, waarin ik me als kind heb verdiept, lagen bij mijn grootvader [Critias de oudere] en tegenwoordig liggen ze nog bij mij.'

De Egyptische priesters begonnen hun verhaal over Atlantis met de mythe van Phaëton, de zonnezoon die met de zonnewagen op de aarde afkoerste, door Zeus met een bliksem uit de hemel werd geschoten en met fragmenten van het zonnewagenwrak op aarde neerstortte: "Eens zou Faethon de wagen van zijn vader hebben ingespannen maar hij kon die niet in diens baan houden: daardoor vloog alles op aarde in brand terwijl hij zelf door de bliksem omkwam. Zo verteld lijkt dit een legende, maar het is een feit dat de hemellichamen die rond de aarde draaien van hun baan afwijken waardoor met grote tussenpozen alles op aarde in een zee van vuur ondergaat" (Timaios, 22C).Plato, Deel X, Timaios, Kritias, vertaling Warren, H. en Molegraaf, M. (2001), p. 16

Volgens Plato hadden Atlantische koningen macht over delen van het continent aan de overzijde van de Atlantische Oceaan.Plato, Timaios, 24E-25B, in Verzameld Werk, deel X, vertaling H. Warren en M. Molegraaf, uitgeverij Bert Bakker, 2001, p. 18-19: 'De teksten vermelden namelijk hoe jullie [Atheense] staat eens een wereldmacht een halt toeriep toen die zo overmoedig was om ergens vanaf de Atlantische Oceaan tegen heel Europa en Azië op te trekken. Die oceaan was destijds namelijk bevaarbaar: voor de monding die jullie, in jullie taal, de Zuilen van Heracles noemen, lag een eiland. Vanaf dat eiland, dat [in zijn bloeitijd] groter was dan Libië en Azië bij elkaar, kon de reiziger van toen oversteken naar de andere eilanden. En vanaf die eilanden kon je heel het tegenovergelegen continent bereiken waar die oceaan ophield. Een onvervalste oceaan, terwijl alles wat aan ónze kant ligt van de monding waarover we spraken aan een haven met een smalle ingang doet denken. Maar dáár heb je een echte oceaan en het vasteland dat hem omsluit verdient in elk opzicht zonder meer de naam continent. Op dat eiland Atlantis hadden koningen een grote en wonderbaarlijke macht gevestigd. Zij beheersten heel het eiland, vele andere eilanden en delen van het continent. Hun heerschappij reikte zelfs tot onze streken, ze hadden het voor het zeggen in Libië tot aan Egypte toe en in Europa tot Tyrrenië.'

Herodotus Plato heeft het woord 'Atlantisch' niet verzonnen. De geschiedschrijver Herodotos (ca. 485 - tussen 425/420 v.Chr.), die éérder schreef dan Plato (ca. 427 - 347 v. Chr.), vertelde in zijn Historiën al over een 'Atlantische' zee voorbij de Zuilen van Hercules (I, 203), de berg Atlas de 'Hemelzuil' in 'Libya' en de bewoners daar, die naar de berg 'Atlantes' werden genoemd (IV, 184).Herodotus, Histories, Engelse vertaling T. Griffith, Wordswort Editions, 1996, Boek I, 203: 'De zee bezocht door de Grieken, die voorbij de Zuilen van Heracles, die de Atlantische wordt genoemd, en ook de Erythrese, zijn alle een en dezelfde zee.' (p. 91); Boek IV, 184: 'Bij de zoutheuvel is een berg die Atlas heet, die erg taps toe loopt en rond is; zo verheven, bovendien, dat de top (naar men zegt) niet gezien kan worden, de wolken verlaten haar in de zomer noch in de winter. De bewoners noemen deze berg 'de Pilaar van de Hemel'; en ze hebben er hun naam van afgeleid, ze worden Atlanten genoemd. Er wordt van hen verteld dat ze niets eten wat leeft en nooit enige droom hebben.' (p. 370) Vóór Herodotus schreef Anaximander (ca. 610-ca. 546 v. Chr.) van Miletus, die een 'eerste' wereldkaart maakte (tussen 580 en 570 v. Chr.), al over de Atlantische Oceaan.Cunliffe, B. (2001), The Extraordinary Voyage of Pytheas the Greek, p.30: 'The entire world was surrounded by the Outer Ocean; that part to the west, joined to the Mediterranean by a channel through the Pillars of Hercules, was called the Atlantic. (..) drawn up some twenty to thirty years after Massalia was founded [ca. 600 v. Chr.] (..)'

Oudere schrijvers als Homeros (8e eeuw) en Hesiodos (8e/7e eeuw) bedoelden met de berg Atlas de Piek van Tenerife, een van de Canarische eilanden. Zij hadden die kennis van Phoenicische bronnen.Plato, Histories, 1996, p.387, noot 209

Herodotus noemde ook het eiland Erytheia (van erythos, rood), voorbij de Zuilen van Hercules, in de Oceaan, bij Gades (Cadiz), waar de reus Geryon woonde (Boek IV,8). Heracles nam volgens de Griekse mythologie Geryons koeien mee en trok oostwaarts naar Scythia.

Proclus De neoplatonische filosoof Proclus (412-485) vermeldde in zijn Commentaar op Plato's TimaeusTarrant, H. (2006), Commentary on Plato's Timaeus, Volume 1, Book 1: Proclus on the Socratic State and Atlantis, Cambridge Edition, p. 277 de geograaf Marcellus (mogelijk ca. 100 v.Chr.), die een Aethiopica,Marcellus:and his work aethiopica. Gearchiveerd op 9 januari 2022. een geschiedenis over Ethiopische zaken, had geschreven. Marcellus zou in zijn Aethiopica zeven eilanden in de buitenzee hebben genoemd, gewijd aan Persephone en drie andere grote eilanden: een gewijd aan Pluto, de ander aan Ammon en de derde, tussen hen in, aan Poseidon (200 km lang). De bewoners hielden de herinnering van hun voorouders in stand over het grootste eiland, Poseidons heilige eiland, dat vele cycli lang heer was over alle eilanden in de Atlantische Oceaan.

Meropis van Theopompus In Filippika van Theopompus' (4e eeuw v. Chr.) – overgeleverd via Aelianus – komt een verhaal over een ander groot en mysterieus eiland voor, Meropis. Dit wordt wel gezien als parodie op Plato's Atlantis. Meropis zou een continent zijn met twee landen, bewoond door twee rassen, een strijdbaar, oorlogszuchtig ras en een vroom, meditatief ingesteld ras, gesymboliseerd door twee steden. De vrome stad werd door goden bezocht, de oorlogszuchtige stad door wezens, die alleen door steen of hout konden worden verwond.

Atlantis volgens Plato De Griekse filosoof Plato (427-347 v.Chr.) was, zover als nu bekend is, de eerste die over Atlantis schreef. De Timaios en Kritias zijn mogelijk Plato's laatste werken, 'een soort literair testament. Sommigen nemen zelfs aan dat de dood hem overviel toen hij aan de Kritias schreef. (..) Menigeen oppert dat het geheel een trilogie had moeten worden, met als derde deel Hermokrates. Er wordt immers ook een toespraak van Hermokrates aangekondigd, en die blijft uit.'Mario Molegraaf, Kritias (2001), p.127

In een van zijn dialogen, vertelt het personage Critias dat zijn grootvader Critias het verhaal over Atlantis, via zijn vader Dropides, van de grote Solon (638–558 v.Chr.), een van de zeven wijzen, vernomen zou hebben. Dropides was een verwant en goede vriend van Solon. Critias vertelt er verder over in de Critias. Hoe het land eruitzag, is door Plato bij monde van deze Critias in detail beschreven. Onder andere was er op het eiland een tempel gewijd aan de god Poseidon, de god van de zee. Het eiland Atlantis lag buiten de Middellandse Zee, dus nog verder dan de Zuilen van Hercules (de Straat van Gibraltar).

In zijn Timaeus (20D-25D) en vooral in Critias (108E-121C) vertelt Plato uitgebreid over een eiland, "groter dan Noord-Afrika en Klein-Azië bij elkaar", waarvan de bevolking in overvloed en weelde leefde, zo'n 11.600 jaar geleden. Poseidon had Atlantis geloot om er over te heersen. Hephaistos en Athena leidden de Griekse staat. Het erechtheion was in de stad Athene voor hun zoon Erechtheus opgericht. "(..) voor (..) de Zuilen van Hercules (..) lag een eiland. Vanaf dat eiland (..) kon de reiziger van toen oversteken naar de andere eilanden. En vanaf die eilanden kon je heel het tegenovergelegen continent bereiken waar die oceaan ophield. (..) dáár heb je een echte oceaan en het vasteland dat hem omsluit verdient in elk opzicht zonder meer de naam continent. (..) Zij [de koningen] beheersten heel het eiland [Atlantis], vele andere eilanden en delen van het continent."Timaios, vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf, Bert Bakker, Amsterdam, 2001, blz. 18, 19 Tijdens een bezoek aan Egypte zou Solon in de stad Saïs een oude priester ontmoet hebben, die hem uitvoerig vertelde over de overwinning van de Grieken op "een machtig leger dat, vanuit een ver punt in de Atlantische Oceaan, oprukte om Europa te veroveren. De indringers kwamen van een eiland Atlantis, buiten de Zuilen van Hercules" (de huidige Straat van Gibraltar). "(..) ze hadden het voor het zeggen in Libië tot aan Egypte toe en in Europa tot Tyrrhenië (Italië)."Timaios, vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf, Bert Bakker, Amsterdam, 2001, blz. 19

Athene De Grieken, die de Atlantiërs overwonnen, waren verre voorouders van de Grieken uit Solons tijd. De stad Athene zou al vóór de ondergang van Atlantis zijn gesticht en duizend jaar ouder zijn dan de Egyptische zusterstad Saïs. En Saïs bestond al 8000 jaar, vertelde de Egyptische priester aan Solon. Beide steden werden door Athena-Neith gegrondvest. Athene zou dus gesticht zijn rond 9600 v.Chr. (10e millennium v.Chr.) en zo oud zijn als Göbekli Tepe (Turkije) en Oud-Jericho ('de oudste stad ter wereld', Palestina).

Het land van Athene werd toen begrensd door de Isthmos, aan de landzijde door de toppen van de Kithairon en Parnes, aan de rechterkant door de Oropos en aan de linkerkant bij de zee door de Asopos.

Door vele grote overstromingen in negenduizend jaar spoelde vruchtbare grond van de hogere delen van de stad in de diepte van de zee. "Al het vette en zachte van de grond is rondom weggespoeld, waardoor alleen het magere lichaam van het land overbleef. (..) "Kritias, vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf, Bert bakker, Amsterdam, 2001, blz. 110 Ook de Akropolis was ooit met aarde overdekt. "Eerder, in de voorafgaande periode, liep de Akropolis naar beneden door tot de Eridanos en de Ilissos, ze omvatte de Pnyx, en werd aan de andere kant daarvan begrensd door de Lykabettos. Ze was helemaal met aarde bedekt en van boven vrijwel overal vlak."Kritias, p.111 In de bergen waren bossen. De grond hield het regenwater vast in een afgesloten kleilaag. "Zelfs vandaag nog bewijzen de heiligdommen die bij vroegere bronnen zijn bewaard dat de verhalen van nu over het oude land waar zijn."