Hylaeosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de Ankylosauria, dat tijdens het Vroeg-Krijt leefde in het gebied van het huidige Engeland.

Het eerste fossiel van Hylaeosaurus werd in 1832 gevonden. In 1833 kreeg het dier zijn naam, die zoiets als 'woudsauriër' betekent, toen de typesoort Hylaeosaurus armatus benoemd werd. In 1842 was Hylaeosaurus een van de drie geslachten op basis waarvan de Dinosauria voor het eerst als een aparte groep onderkend werden. Ook is H. armatus de eerste ontdekte ankylosauriërsoort. Hoewel er nog eens drie soorten van Hylaeosaurus benoemd zouden worden, denken de tegenwoordige wetenschappers dat het daarbij misschien om heel andere dinosauriërs gaat. Ook bleek dat het alleen van het oorspronkelijk fossiel zeker was dat het om Hylaeosaurus ging. Omdat het een gedeeltelijk skelet was, is er maar weinig over de soort bekend.

Hylaeosaurus werd hooguit vijf meter lang en twee ton zwaar. Hij was plat en laag gebouwd. De rug werd bedekt door pantserplaten. Aan de zijkanten van de voorkant van de romp stonden lange naar achteren gebogen stekels die roofsauriërs moesten afschrikken. Ook aan de zijkanten van de nek stonden stekels. Vermoedelijk had Hylaeosaurus, net als zijn mogelijke directe verwanten, de Nodosauridae, een hoornsnavel waarmee hij stukken plant afbeet die in zijn brede buikholte verteerd werden.

Vondst en naamgeving Op 20 juli 1832 meldde de arts Gideon Mantell, de ontdekker van Iguanodon, in een brief aan professor Benjamin Silliman dat die zomer tijdens het met buskruit breken van een wand in een steengroeve in Tilgate Forest, in West-Sussex, de explosie het skelet van een sauriër losgeslagen had. Wetend dat Mantell zulke vondsten verzamelde, had een plaatselijke fossielenopkoper de ongeveer vijftig brokken steen, omschreven als een great consarn of bites and boanes, voor de paleontoloog apart gelegd. Mantell, die eerst nog twijfel had over de waarde van het geheel, was blij verrast toen de rotsen een groot aantal beenderen van een enkel individu bleken te bevatten, ten dele nog in verband liggend. Tot dan toe bestonden dergelijke fossielen slechts uit losse botten. left|thumb|Gideon Mantell gaf Hylaeosaurus zijn naam Mantell begreep eerst niet om wat voor dier het ging. De steengroeven in Tilgate Forest en omgeving hadden eerder resten van Iguanodon en Megalosaurus opgeleverd en Mantell hoopte van een van die vormen nu een completer exemplaar geborgen te hebben. Nadere bestudering leerde hem echter dat de bouw toch zeer afwijkend was. In de herfst werd het fossiel bezocht door William Clift, de conservator van het museum van het Royal College of Surgeons of England, en diens assistent John Edward Gray. Zij konden alleen vaststellen dat het in ieder geval geen krokodil of nauwe verwant van Megalosaurus was. Clift suggereerde als eerste dat vreemde stekels die in het hoofdblok aanwezig waren, huidverbeningen vertegenwoordigden en op de rug of aan de zijkant van de romp stonden, net als bij sommige huidige hagedissen. Na nog overwogen te hebben de vondst toch als een exemplaar van Iguanodon te gaan beschrijven, besloot Mantell in november het dier een nieuwe geslachtsnaam te geven: Hylaeosaurus. De naam is afgeleid van het Oudgriekse ὑλαῖος, hylaios, 'behorend tot het woud'. Om welk woud het dan precies gaat, is wat ambigu. In een eerste vermelding verwees Mantell naar Tilgate Forest, later zou hij stellen dat het een verwijzing was naar de Weald.

Op 30 november zond Mantell het fossiel naar de Geological Society of London. In december reisde hij zijn nieuwe vondst achterna en presenteerde deze op 5 december op een vergadering van dit genootschap, waarbij hij voor de eerste keer Richard Owen persoonlijk ontmoette. Er was grote belangstelling voor het fossiel, maar dat bracht ook problemen met zich mee. Mantell werd meteen duidelijk gemaakt dat het beschrijvende artikel dat hij al klaar had een derde te lang was voor publicatie. Op advies van zijn vriend Charles Lyell besloot Mantell in plaats van het artikel te herschrijven een heel boek te publiceren en daarin een hoofdstuk aan Hylaeosaurus te wijden. Binnen drie weken had hij het werk gereed. Op 17 december waarschuwde Henry De la Beche hem dat de nieuwe conventies in de taxonomische nomenclatuur inhielden dat alleen degene die een volledige soortnaam gaf, als naamgever erkend werd: aan Hylaeosaurus moest dus een soortaanduiding worden toegevoegd. Mantell koos hiervoor op 19 december armatus, Latijn voor 'de gewapende' of 'de gepantserde', een verwijzing naar de stekels en de pantserplaten. In mei 1833 verscheen The Geology of the South-East of England en was de typesoort Hylaeosaurus armatus formeel benoemd. thumb|390px|Het hoofdblok zoals door Mantell in elkaar gezet Het holotype werd in 1838 aangekocht door het British Museum of Natural History en heeft daar het inventarisnummer NHMUK 3775 (eerder BMNH R3775). Het is naar huidige inzichten gevonden in een laag van de Grinstead Clay Formation die dateert uit Valanginien, ongeveer 137 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel, dat, behalve de achterkant van een schedel en wellicht onderkaken, tien halswervels en ruggenwervels, beide ravenbeksbeenderen uit de schoudergordel, de onderkanten van beide schouderbladen, de ribbenkast, pantserplaten en stekels omvat. De elementen zijn voornamelijk aanwezig op het hoofdblok met een afmeting van 135 bij 75 centimeter. In 1832 was het het meest complete fossiele dinosauriërskelet ooit gevonden. De beenderen zijn nu nog aanwezig zoals Mantell ze aantrof en niet vrijgemaakt uit het omringende gesteente.

Naast het holotype is een groot aantal andere vondsten ooit aan Hylaeosaurus toegewezen, voornamelijk tanden en losse beenderen. De meeste daarvan bleken echter later aan andere dinosauriërs toe te behoren of niet determineerbaar te zijn. Daaronder behoort ook specimen BMNH 2584, een linkerschouderblad dat Mantell bij het materiaal van Hylaeosaurus onderbracht maar in 1928 door baron Franz Nopcsa benoemd zou worden als Polacanthoides ponderosus, nu beschouwd als een nomen dubium. Zoals geïllustreerd toont het een processus acromialis die haaks op de proximale plaat staat, een onderscheidend kenmerk van het holotype, maar in 2020 bleek het stuk beschadigd en net dit uiteinde te missen, zodat er geen basis was voor een toewijzing. Het bij het schouderblad gevonden scheenbeen NHMUK PV R2615 kan aldus ook niet toegewezen worden.

Zelfs bij degene die naar huidige inzichten mogelijkerwijs van Hylaeosaurus zouden kunnen zijn, is een toewijzing riskant omdat er een tweede ankylosauriër uit dezelfde lagen bekend is: Polacanthus. Specimina NHMUK 2584: een linkerschouderblad, NHMUK 2620a: een rechterschouderblad en NHMUK 28681, een stekel, zijn hierom door Sussanah Maidment uit het materiaal verwijderd. Hetzelfde deed zij met specimina die de elementen uit het holotype niet aantoonbaar overlapten, zoals BMNH 2188 en BMNH 2220: twee stukken scheenbeen; BMNH 2583 en BMNH 2587: twee stukken kuitbeen; BMNH 2190 en BMNH 28681: twee stekels; BMNH 2123: een stuk achterste ruggenwervel; BMNH 2125: wervels; BMNH 2511: een stuk voorste staartwervel en BMNH 2585: een stuk ruggenwervel. thumb|BMNH 3789, eens toegewezen aan H. oweni In 1842 benoemde Owen voor Iguanodon, Megalosaurus en Hylaeosaurus een aparte diergroep: de Dinosauria. Ironisch is dat Owen voornamelijk dacht dat Hylaeosaurus een dinosauriër was op grond van een bekken, waarvan nu verondersteld wordt dat het aan de verwante vorm Polacanthus toebehoorde. Maar hij begreep ook dat de dubbele ribkoppen die bij sommige wervels te zien waren, impliceerden dat de wervelboog heel hoog was, voor een krachtige dragende functie, wat hij correct zag als een aanwijzing dat het dier recht op zijn poten stond, net als Megalosaurus en Iguanodon. Hij had de Dinosauria juist hierom benoemd dat ze veel actiever waren dan huidige reptielen. Owen had in 1840 een geheel eigen interpretatie ontwikkeld van de zijstekels. Eerst had hij Mantells gedachte aanvaard dat het om rugstekels zou gaan. Toen hij het fossiel beter kon bestuderen, doordat Mantell het ter beschikking had gesteld, viel hem echter op dat de onder- en bovenzijden asymmetrisch waren, wat hem een nogal onwaarschijnlijke vorm leek voor structuren die op de rug stonden. Daarom nam hij aan dat het om buikribben ofwel gastralia ging. Mantell zou deze hypothese daarna fel bestrijden, in een periode waarin beide mannen steeds vijandiger tegenover elkaar stonden. Tegenwoordig is duidelijk dat beiden ongelijk hadden en de stekels aan de zijkant van het lichaam stonden. Tijdens zijn onderzoek had Owen ook een beenplaat mogen doorzagen en microscopisch bestuderen, het eerste histologisch onderzoek van een dinosauriërfossiel. left|thumb|Het betonnen beeld in het park van het Crystal Palace In 1844 benoemde Mantell een tweede soortnaam: Hylaeosaurus oweni. Dit was gebaseerd op het oorspronkelijke holotype: Mantell vond de soortaanduiding armatus achteraf niet toepasselijk meer en besloot Richard Owen te eren. Naar de huidige regels is dit echter niet toegestaan en H. oweni is daarmee een objectief jonger synoniem van H. armatus. Specimen BMNH 3789, een reeks van zesentwintig staartwervels en chevrons met een lengte van zes voet die in 1837 bij Tilgate Forest gevonden waren, werd door Mantell aan H. oweni toegewezen. Dit wordt tegenwoordig meestal als een fossiel van H. armatus beschouwd — als die soort althans niet beperkt wordt tot het holotype. Sommige vermeldingen van een 'tweede gedeeltelijk skelet' hebben hierop betrekking.

In 1956 hernoemde Alfred Romer Regnosaurus tot een Hylaeosaurus northhamptoni. In 1971 werd Polacanthus Owen 1865 door Walter Coombs als een soort van Hylaeosaurus beschouwd: Hylaeosaurus foxii. Beide soorten zijn niet gangbaar; H. foxii bleef altijd een niet-geldige nomen ex dissertatione. In 1871 benoemde Emanuel Bunzel botfragmenten uit Oostenrijk tot een Hylaeosaurus sp. Tegenwoordig worden die aan Struthiosaurus toegewezen. In 1982 benoemde Justin Delair op basis van een stekel een geslacht Vectensia. Hij gaf soortaanduiding noch beschrijving zodat de naam een nomen nudum bleef. Soms wordt Vectensia als een jonger synoniem van Hylaeosaurus beschouwd hoewel gezien de vindplaats Wight de stekel waarschijnlijker aan Polacanthus toebehoorde.

Als een van de eerste ontdekte dinosauriërs werd Hylaeosaurus vaak afgebeeld in vroege paleontologische illustraties uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Alle dinosauriërs werden toen als viervoeters gezien die recht op hun poten stonden. Terwijl dat bij Megalosaurus achteraf niet bleek te kloppen, werd de bouw van Hylaeosaurus op dit punt correct geïnterpreteerd. Onjuist was echter de plaatsing van de stekels die midden op de rug werden aangebracht. Hylaeosaurus was ook een van de dieren waarvan in 1854 een levensgrote betonnen replica door Benjamin Waterhouse Hawkins in het park van het Crystal Palace werd neergezet. Desalniettemin heeft Hylaeosaurus nooit de bekendheid gekregen van een Megalosaurus of Iguanodon. Anders dan deze genera is het ook geen afvalbak geworden voor slecht bekende ankylosauriërsoorten, wat de naamgevingsgeschiedenis eenvoudig gehouden heeft.

Ook uit Wight, Frankrijk en Duitsland zijn in de negentiende eeuw enkele botten aan Hylaeosaurus toegewezen, maar daarbij ging het om niet-diagnostisch materiaal. Hetzelfde geldt vermoedelijk voor toewijzingen uit Spanje en Roemenië tijdens de twintigste eeuw. In 2013 echter werd uit een leemput bij Gronau de vondst gemeld van een zijstekel van de nek, specimen DLM 537 en een onderste stuk van een opperarmbeen, specimen GPMM A3D.3. Beide werden toegewezen aan een ?Hylaeosaurus sp. Vooral de stekel lijkt in morfologie sterk op het Britse materiaal en is aanleiding geweest over de vorm en plaatsing van de stekels een nieuw model op te stellen.