Saurornithoides is een monotypisch geslacht van uitgestorven theropode dinosauriërs, behorend tot de Maniraptora, dat tijdens het Laat-Krijt, ongeveer vijfenzeventig miljoen jaar geleden, leefde in het gebied van het huidige Mongolië.
Het eerste fossiel van Saurornithoides werd gevonden in 1923. Het geslacht kreeg in 1924 zijn naam, die zoiets als 'vogelsnuitsauriër' betekent toen de typesoort Saurornithoides mongoliensis benoemd werd. Later zijn er nog vijf soorten benoemd in het geslacht maar die werden uiteindelijk gezien als eigen geslachten of bleken heel andere dinosauriërs te zijn. De enige tegenwoordig algemeen erkende soort is aldus Saurornithoides mongoliensis. Daarvan is maar één skelet bekend en dat is ook nog eens beschadigd. Toch geeft het nog vrij veel informatie over de bouw van het dier. De soort was een van de eerste Troodontidae die in detail onderzocht kon worden hoewel dat pas in de jaren zeventig begrepen werd.
Saurornithoides werd ongeveer anderhalve meter lang. Het was een warmbloedige bevederde tweevoeter die snel kon rennen op zijn lange achterpoten. Met de langwerpige snuit konden de kleine prooien gegrepen worden waarop hij joeg in zijn woestijnachtige leefgebied. Zijn tanden hadden op de achterrand grotere kartelingen dan bij zijn directe verwanten.
Vondst en naamgeving Saurornithoides mongoliensis Op 9 juli 1923 vond een Chinese medewerker van de Centraal-Aziatische Expedities door het American Museum of Natural History naar de Gobiwoestijn in Mongolië, Chih, bij Sjabarach Oesoe het verweerde skelet van een kleine theropode. Het locatienummer is 12409 en de vindplaats in de provincie Ömnögovĭ wordt ook wel aangegeven als Shabarakh Usu, Bajanzag, Bayn Dzak, Bayan Zag of de Flaming Cliffs. De directeur van het AMNH, Henry Fairfield Osborn, was eerst van plan het dier "Ornithoides" te noemen en vermeldde die naam in een publicatie in 1924, zij het zonder beschrijving zodat het een nomen nudum bleef. Hetzelfde jaar benoemde en beschreef hij de typesoort Saurornithoides mongoliensis, in hetzelfde artikel waarin Oviraptor en Velociraptor benoemd werden. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse σαύρα, saura, 'hagedis', 'salamander', ὄρνις, ornis, 'vogel', en ~ειδής, '~eides', een achtervoegsel dat '~vormig' betekent. Volgens Osborn was de bedoelde betekenis van het geheel 'sauriër met vogelachtige snuit'. De soortaanduiding verwijst naar de herkomst uit Mongolië.
Het holotype AMNH 6516 is gevonden op een laag eolische rode zandsteen van de Djadochtaformatie daterend uit het late Campanien, ongeveer vijfenzeventig miljoen jaar oud. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel, vermoedelijk van een volwassen exemplaar. Bewaard zijn gebleven: een gedeeltelijk cranium, gedeeltelijke onderkaken, de laatste vier ruggenwervels, zes sacrale wervels, de eerste vier staartwervels, chevrons, een stuk linkerdarmbeen, de schaambeenderen, de zitbeenderen, een bovenste linkerdijbeen, een natuurlijk afgietsel van een linkerscheenbeen, en een onderste linkervoet. Osborn meldde nog een stuk heiligbeen, twee darmbeenderen en drie middelste staartwervels maar die bleken in 2009 van Protoceratops te zijn en werden hierop apart geïnventariseerd onder nummer AMNH 30613.
Het holotype is het enige specimen dat onomstreden tot Saurornithoides mongoliensis behoort. In 1994 werd een linkerachterpoot beschreven, specimen IVPP V10597, maar dat werd in 2012 benoemd tot het aparte geslacht Philovenator. In 2001 werd uit Binnen-Mongolië een bekken met heiligbeen en staartwervels toegewezen, specimen IVPP V10599, maar zonder dat werd aangegeven welke eigenschappen dit zouden ondersteunen. In 2004 werd uit de Djadochta een gedeeltelijk skelet, specimen IGM 100/1083, toegewezen maar onder voorbehoud daar alleen het patroon van tandwisseling met Saurornithoides mongoliensis overeenkwam; verder kon het exemplaar ook aan de verwant Byronosaurus toebehoord hebben. Verder zijn nog tanden uit Noord-Amerika aan een Saurornithoides sp. toegewezen maar die worden tegenwoordig meestal bij Troodon ondergebracht.
Saurornithoides mongoliensis werd in 1988 door Gregory S. Paul hernoemd tot Troodon mongoliensis. Dit wordt tegenwoordig algemeen afgewezen, ook door Paul zelf.
In 2009 werd door Mark Norell een eerste moderne beschrijving van Saurornithoides mongoliensis gepubliceerd.
Andere soorten In 1928 benoemde baron Franz Nopcsa een Saurornithoides sauvagei. Dat was echter het gevolg van een zetfout: hij had een Teinurosaurus sauvagei willen benoemen.
In 1974 benoemde Rinchen Barsbold een Saurornithoides junior. In 2009 werd dit een eigen geslacht Zanabazar.
In 1982 hernoemde Kenneth Carpenter Stenonychosaurus inequalis Sternberg 1932 tot een Saurornithoides inequalis. Tegenwoordig wordt dit meestal gezien als een jonger synoniem van Troodon formosus.
In 1991 hernoemde George Olshevsky Pectinodon asiamericanus Nesov 1985 in een Saurornithoides asiamericanus. In 1995 maakte hij er een Troodon asiaamericanus van. Het gaat om een achterste dentaire tand uit Oezbekistan, specimen CCMGE 49/12176, die niet van die van S. mongoliensis te onderscheiden valt, maar vermoedelijk tot een ander taxon behoort gezien de datering uit het Cenomanien. In 2000 hernoemde Olshevsky Troodon isfarensis Nessov 1995 in een Saurornithoides isfarensis. Het gaat om een prefrontale uit Tadzjikistan, specimen CCMGE 484/12457, dat in 2007 aan een lid van de Hadrosauridae bleek te behoren.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken
Saurornithoides is een vrij kleine theropode. De lichaamslengte van het holotype is geschat op 157 centimeter, het gewicht op dertien kilogram. De schedel is lang en laag met relatief grote hersenen. De ogen waren in verhouding tot de rest van de schedel groot en stonden relatief ver naar voren, waardoor het dier stereoscopisch zicht moet hebben gehad. Zijn zenuwstelsel was waarschijnlijk hoog ontwikkeld, want zijn hersenen hadden een zevenmaal grotere massa als de huidige krokodillen. Aan zijn voorpoten had hij vermoedelijk drie klauwen, waarmee hij zijn buit greep. Aan de tweede teen bevond zich een sikkelvormige klauw. Het dier kon zeer snel rennen (38-50 km/u).
De oorspronkelijke diagnose door Osborn geldt tegenwoordig als totaal verouderd doordat de kennis over troödontiden sterk is toegenomen. Daarbij was zij al in 1924 van een dubieus niveau omdat grotendeels kenmerken werden aangegeven waarvan toen al duidelijk was dat het om symplesiomorfieën ging, eigenschappen die gedeeld worden met veel ruimere groepen, zoals het bezit van vijf schedelopeningen op de zijkant van het cranium.
Modern onderzoek heeft echter niet geresulteerd in een lijst autapomorfieën, afgeleide eigenschappen die uniek zijn voor de soort. Saurornithoides heeft echter wel een unieke combinatie van op zich niet unieke eigenschappen, welke combinatie zijn plaats in de stamboom aangeven. De soort is meer afgeleid, hoger in de stamboom staand, dan Sinornithoides en Sinusonasus door het ontbreken van een fenestra promaxillaris en het bezit van grote vertandingen op de snijranden van de tanden, en van zes sacrale wervels. De soort is basaler, lager in de stamboom staand, dan Zanabazar en Troodon door het bezit van een recessus tympanicus dorsalis, de bovenste van de drie kleine openingen in de oorstreek.
Skelet Schedel thumb|upright=1.7|Het holotype; de oogkas bevindt zich achter de duidelijk zichtbare verticale balk van het traanbeen De schedel, 189 millimeter lang bij het holotype, is langwerpig en laag. De snuit is in bovenaanzicht U-vormig afgerond. De praemaxilla vormt het voorste derde deel van de onderrand van het neusgat. De beenbalk, die breed is en bovenop afgeplat, tussen de neusgaten wordt vrijwel volledig gevormd door de opgaande takken van de praemaxillae die de neusbeenderen vooraan inkepen. De neusbeenderen zijn langwerpig en overdwars gewelfd. Het traanbeen is T-vormig met een lange voorste tak. Het bovenkaaksbeen vormt de achterste onderrand van het neusgat en zet de lijn daarvan door in de beennaad met het neusbeen zodat het neusgat achteraan eindigt in een scherpe punt. Vooraan bevindt zich een grote langwerpige fenestra maxillaris, niet omgeven door een uitholling. De beenbalk tussen de deze opening en de fenestra antorbitalis wordt doorboord door een verbindend foramen interfenestrale. Interne vleugels van de bovenkaaksbeenderen lopen naar de ploegschaarbeenderen om een secundair verhemelte te vormen. Het jukbeen vormt een rechte, overdwars niet verbrede, balk onder de oogkas. De oogkas is onderaan puntig; zij verbreedt zich bovenaan naar achteren toe. In de oogkas zijn plaatjes van een scleraalring gevonden, die de buitenkant van het oog ondersteunden. Ze hebben een rechthoekige profiel waarbij de lange zijde evenwijdig liep aan de omtrek van de ring. De plaatjes hebben maar een geringe bolling aan de binnenzijde en dus geen L-vormige dwarsdoorsnede als bij vogels. Bij de voorhoofdbeenderen wijzen fragmenten van aflopende lage richels, de cristae calvarii frontalis, op een zandlopervormige uitholling op de onderkant van het schedeldak tussen de oogkassen. Voor zoverre de vorm van de wandbeenderen is af te leiden uit de opvulling van de schedel door het omvattende gesteente, wijst deze op sterk verbrede voorste hersenen. left|thumb|Diagrammen van het holotype door Osborn Van het achterhoofd is het bovendeel bij het holotype sterk verweerd maar juist daardoor is goed te zien dat het gepneumatiseerd is. Op de zijkant van de hersenpan heeft het proöticum een uitholling die aan de voorste bovenhoek begrensd wordt door een duidelijke richel op de overgang naar het complex van het wiggenbeen. Die richel vormt weer de onderzijde van de vrij kleine opening van de vijfde hersenzenuw, de nervus trigeminus. Boven de opening ligt een kleine uitholling. De richel loopt op haar beurt naar onderen uit in een verticale beenbalk, de eerstgenoemde uitholling doorkruisend, waarin de opening ligt voor de zevende hersenzenuw, de nervus facialis. De onderzijde van het achterhoofd is beter bewaard gebleven en zo is te zien dat zich onder de achterhoofdsknobbel op het basioccipitale een uitholling bevindt. De afhangende tubercula basilaria, de aanhechtingen voor de musculus rectus capitis anterior die het hoofd buigt hebben een V-vormige onderste punt zoals bij alle troödontiden. Meer naar voren ontbreekt een uitholling op het basisfenoïde, de recessus basisphenoidalis, ook weer een typisch troödontide kenmerk. Het basisfenoïde onder de hersenpan is sterk gepneumatiseerd.
De ploegschaarbeenderen lopen naar voren uit in staafvormige uitsteeksels die nauw aaneengedrukt een enkele structuur vormen op de middenlijn. De verhemeltebeenderen zijn vierstralig en gewelfd naar het midden in een geleidelijke bolling oplopend om de pterygoïden te overspannen. Naar de zijkant kromt het verhemeltebeen horizontaal om contact te zoeken met het jukbeen en het bovenkaaksbeen. Een achterste uitsteeksel loopt wat naar binnen voor het contact met het pterygoïde. Het pterygoïde is een breed element. De verticaal afgeplatte vleugel met het quadratum wijkt sterk zijwaarts uit, kennelijk om plaats te maken voor een bulla, de voor troödontiden kenmerkende pneumatische zwelling van het voorste parasfenoïde van de hersenpan dat echter bij het holotype op zich niet bewaard is gebleven. Beide pterygoïden vormen ook weer een welving op de middenlijn. Vooraan wordt die onderbroken door een nauwe spleet in de lengterichting, met evenwijdige randen. Achteraan heeft het pterygoïde een ongebruikelijk uitsteeksel in de vorm van een plaat die naar de achterste zijkant van de hersenpan loopt, met een brede uitholling op de achterrand. Een haakvormig ectopterygoïde is aanwezig, dat door Osborn als zodanig niet onderkend werd; het verbindt het pterygoïde met het verhemeltebeen en het jukbeen.
Onderkaken