De Métro Léger de Charleroi, afgekort MLC (Frans voor Lightrail van Charleroi) is een lightrail-systeemRapid Transit Database, IDTP, geraadpleeg op 2024-10-17.World Systems List index, LRTA, geraadpleegd op 2019-10-27. in de Belgische agglomeratie Charleroi, die ook Fontaine-l'Évêque en Anderlues omvat. Station Villette was, inclusief hellingbanen, het eerste deel dat in 1976 in gebruik werd genomen.

Het idee was om het tramnet geleidelijk te herscheppen tot lichte metro, maar er werd slechts een deel van de geplande metro-infrastructuur gerealiseerd. Hierdoor bestaat een deel van het netwerk uit traminfrastructuur en worden alle lijnen geëxploiteerd met hogevloertrams. Het net functioneert deels als tram en deels als metro, en wordt door exploitant Le Tec wel "Le Métro" genoemd, en in de omgang bijnamen als "métro Carolo".Railway Directory & Year Book, 1978, "CHARLEROI. A 61 km, semi-metro system planned, for overall completion by 1996, 1000mm. gauge and electrified 600 V d.c."100 Years of the Belgian Vicinal: SNCV/NMVB, 1885-1985: a Century of Secondary Rail Transport in Belgium, 1986, "At Charleroi, about 20 type “BN” cars are in use now; all the others are held in reserve for future semi-metro routes."Gardere, Jean-Phillipes, 2011, Transports publics urbains, Universite Montesquieu - Bordeaux IV, "Dans les années 1970, des villes allemandes, ainsi que Bruxelles, Charleroi et Anvers, ont choisi de réaliser un semi-métro"Ambitieuze taakstelling voor Waalse tram en bus, september 2023

Het netwerk stond lange tijd bekend als een grand travail inutile (groot nutteloos werk) omdat een deel van het net lange tijd ongebruikt of zelfs onafgewerkt was en de aanleg van enkele eerder geplande lijnen nooit begonnen is. In 2012–13 werd het net grondig gereorganiseerd en kwamen enkele uitbreidingen alsnog in dienst, sindsdien bestaat het net uit 4 lijnen op een centrale ring met 3 armen. In 2021 werd de vijfde lijn (M5) op een vierde arm aangekondigd, deels via een tracé dat sinds 1986 in ruwbouw gereed maar ongebruikt is.

Geschiedenis miniatuur|Tramnet TEPCE eind jaren vijftig (zwarte lijnen). miniatuur|Tramnet van de jaren '70 tot 2007 miniatuur|Het oorspronkelijke metroplan in de jaren 60. Slechts een klein deel werd gerealiseerd

De tramgeschiedenis in Charleroi begon met de aanleg van een paardentramlijn in 1882 op normaalspoor door de CFB (SA des Chemins de Fer Vicinaux Belges). De CFB breidde snel uit met verlengingen en voorstadslijnen met stoomtractie. Op 3 juni 1887 opende de buurtspoorwegen (SNCV)De Buurtspoorwegen waren een landsdekkend net van interlokale tramlijnen. In het Nederlands heette dit net de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen (NMVB), in het Frans de Société nationale des chemins de fer vicinaux (SNCV). De Franse vertaling van Buurtspoorwegen was Vicinaux. Er wordt echter ook vaak "Vicinal tram" gebruikt. In Nederlandstalige artikelen is het wel gebruikelijk om de Franse namen en afkortingen te gebruiken voor het in Wallonië gelegen deel van het net, ook al was het één en hetzelfde bedrijf en was er een Nederlandse naam beschikbaar. Daarom gebruikt dit artikel de afkorting SNCV. hun eerste metersporige lijn tussen Lodelinsart en Marcinelle.Rail Atlas Vicinal, S. Justens & D.v.d.Spek, uitgeverij Rail memories, 2005 Toen de buurtspoorwegen vier van hun stadsroutes elektrificeerden, besloot de lokale overheid het lokale CFB-tramnet te herstructureren. Dit werd omgespoord naar meterspoor, geëlektrificeerd en uitgebreid en de exploitatie werd overgenomen door de TEPCE (Tramways Electriques du Pays de Charleroi et Extensions). In de jaren 1930 waren er negen tramlijnen en 27 lijnkilometers. Vanaf 1932 begon de TEPCE een busnet uit te bouwen.The vicinal story, light railways in Belgium 1885 - 1991, By W.J.K.Davies

Beide tramnetten waren metersporig, maar toch waren ze bijna volledig gescheiden. Alleen tramlijn 4 van de STIC en tramlijn 56 van de SNCV hadden een gemeenschappelijk traject naar Châtelet. Het tramnet van de buurtspoorwegen reed meer aan de west- en zuidkant van Charleroi, terwijl de TEPCE meer naar het oosten gericht was. De TEPCE had met tram 7 naar Fleurus een lijn die ver buiten de stad reed. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, in 1944 en 1945, werden 25 moderne tweeassige trams met metalen koetswerk voor het TEPCE-stadstramnet aangeschaft. Daarmee had Charleroi na de Tweede Wereldoorlog een vrij modern wagenpark, zeker in vergelijking met Gent of Antwerpen, waar nog 40 à 50 jaar oude trams met houten opbouw dienstdeden.

Toch werd het TEPCE-tramnet tussen 1958 en 1974 geleidelijk afgebouwd. Een groot aantal streeklijnen en stadslijnen van de buurtspoorwegen bleven echter veel langer in dienst. In 1961 waren er nog 38 lijnnummers in gebruik. Maar al voor 1969 werden lijnen 49 tot 56 en 70 tot 76 naar het zuiden en oosten opgeheven, en daarvoor al de noordelijke lijnen 60, 67, 68 en 69. De ringlijnen 65, 66, 85 en 86, die binnen Charleroi reden, werden in 1982 opgeheven. In 1980-82 werd lijn 90 vernieuwd. In 1986 werd lijn 30 opgeheven in plaats van vernieuwd. In hetzelfde jaar begon de renovatie van lijn 80. In 1988 zou die voltooid worden, maar door de veel te hoge kosten voor de metro-infrastructuur werd op 1 juli de aanleg gestaakt en lijn 80 opgeheven. Uiteindelijk bleef alleen lijn 90 naar Anderlues, Binche en La Louvière over. In 1993 werd het deel Anderlues - La Louvière opgeheven.

Project voor de metro In 1962 kwam de landelijke overheid met plannen om de verkeersproblemen in de grote steden aan te pakken. Zoals elders kwamen er steeds meer auto's en files en kon het openbaar vervoer steeds minder reizigers aantrekken. De verwachting was dat het drukker zou worden met het autoverkeer en daarom werd naar aantrekkelijke alternatieven gezocht. In 1962-'64 werden in Antwerpen (MIVA), Gent (MIVG), Luik (STIL), Verviers (STIV) en Charleroi (STIC) vervoermaatschappijen opgericht, waar bestaande lokale vervoersmaatschappijen (maar niet de buurtspoorwegen van de SNCV) in opgingen. Tegelijkertijd werd de dienst Bevordering van het Stedelijk Vervoer (BSV) opgericht door het Ministerie van Verkeerswezen. De BSV zou plannen ontwikkelen om het verkeer te moderniseren voor deze vijf steden, waarbij futuristische plannen werden ontwikkeld om het openbaar vervoer minder hinder te laten ondervinden van het drukker wordende autoverkeer. In Charleroi werden deze plannen toevertrouwd aan de SNCV en de STIC (opvolger van de TEPCE) samen, terwijl deze maatschappijen eerder tegenover elkaar stonden.

Er werd een systeem bedacht met een stadsring van 4,3 km, waar 8 antennes naar buitenwijken op zouden aantakken, dat in fases uitgebouwd zou worden vanuit de bestaande tramnetten. Het totaal zou 52 km lang worden, met 69 stations. De bouwkosten zou via de begroting van de SNCV lopen, terwijl de STIC de exploitatie op zich zou nemen. Het voorgestelde systeem zou geheel kruisingvrij moeten zijn en door tunnels en over viaducten gaan. De aanwezige stads- en streektrams zouden op die lijnen rijden tot er nieuw materieel was. Als benaming werd Metró Léger bedacht.

Anders dan de premetro's van Antwerpen en Brussel, was het systeem niet voorzien om later uitgebouwd te worden tot een volwaardige metro, maar werden korte stations, kleine tunnels en krappe boogstralen gebruikt. Het hele net was als vrije baan gepland, met veel gebruikmaking van tunnels en viaducten, en om de kosten te drukken met gebruikmaking van beddingen van voormalige spoorlijnen. Nadeel van de plannen was dat veel stations ver van de bewoonde wereld kwamen te liggen, terwijl de klassieke tram dwars door de bewoonde wereld reed. De lage bevolkingsdichtheid in de dorpen in een gebied waar toch al veel mensen vertrokken waren na sluiting van de mijnen was ook niet gunstig en geplande woningbouw bij de stations ging niet door.

De lokale industrie was sterk vertegenwoordigd in de bouw van het hele project: de hele seininstallatie werd geleverd door ACEC, al het zware metaalwerk (rails, bovenleidingportalen, wapeningsstaal) door Cockerill-Sambre en lokale aannemers deden het betonwerk.

De STIC had in 1974 zijn laatste tramlijn opgedoekt. De exploitatie van de westelijke lijnen zou daarom in handen van de SNCV komen. Op 21 juni 1976 werd het eerste stuk metro-infrastructuur opgeleverd: het viaduct Charleroi SudHet station Charleroi-Sud (nl:Charleroi-Zuid) werd op 11 december 2022 hernoemd in Charleroi-Central (nl: Charleroi-Centraal), inclusief het busstation. Het tramstation volgde op 3 januari 2023, maar wordt Gare Centrale genoemd. - Villette. In 1983 werd de oude eindlus van de SNCV bij het theater Eden in het stadscentrum vervangen door een ondergrondse keerlus in het station Beaux-Arts/Palais. Vanaf dat moment reden er geen trams meer in de straten van de binnenstad. Sommige delen van het oude buurtspoorwegnet werden in het nieuwe net geïntegreerd.

Voor zo'n kleine regio, die inmiddels krimpende was door de industriële neergang, was het net eigenlijk te groot opgezet. Maar vanwege de wafelijzerpolitiek bleef de centrale overheid 'evenveel' geld geven aan Wallonië als aan Vlaanderen, ook als dat geen nut had of veel te veel was. Er werden 54 trams van het type BN LRV besteld omdat de Kusttram er ook 50 nodig had, terwijl met de op dat moment voorziene voortgang de komende 10 jaar 15-20 voertuigen voldoende waren. Ook voor de kust was het aantal van 50 wel erg veel.

Eerste fase (1976 - 1996) Van de voorziene 8 armen zijn tot de eeuwwisseling uiteindelijk 3 armen deels gebouwd, die naar Fontaine-l'Évêque in het westen, en die Gilly en Châtelineau naar het oosten, waarbij die laatste tot na 2026 niet in gebruik wordt genomen.

Centrale Ring 21 juni 1976 werd het eerste deel van de Metro Léger geopend: Station Villette, inclusief een verbinding naar station Sud en een tijdelijke verbinding naar het bestaande straattramnetwerk van de SNCV vlak ten zuiden van station Ouest. 30 juni 1980 opende station Ouest (nl: West) bij treinstation Charleroi-West. 29 mei 1983 (volgens op 24 mei) opende station Palais.Het metro- en busstation Beaux-Arts werd op 8 september 2023 hernoemd naar Palais, naar het Palais des Beaux-Arts. Voorlopig keerden de trams hier komende vanuit Ouest, Piges of Gosselies met een ondergrondse keerlus ten oosten van het station. 28 augustus 1992 opende station Waterloo, samen met het eerste deel van de arm naar Gilly. In de oorspronkelijke plannen werd dit station Nord genoemd, naar het in 1950 gesloten, op die plaats liggende station Charleroi-Noord aan spoorlijn 140A. 30 augustus 1996 opende stations Janson en Parc. Tussen stations Sud en Parc was nog een baan op viaduct met een tussenliggend station Tirou gepland. Het in 1992 gebouwde schoolgebouw van het Institut Notre-Dame was er op voorbereid dat het viaduct door dit gebouw heen zou lopen. De ruimte wordt tegenwoordig als danslokaal gebruikt.

Fontaine-l'Évêque Deze arm was een langzame uitbouw van de bestaande tramlijnen 89 en 90 naar Anderlues en La Louvière, die in het midden van de Chaussée de Mons lag, tot lightrail op vrije baan. Telkens stations geopend werden, werd een deel van de bestaande tramlijn in het midden van de weg gesloten. Daarom waren er tijdelijke verbindingen.

Het eerste station van deze arm was Piges, dat via een spoordriehoek tussen stations Palais en Villette aansloot op de centrale ring.

30 juni 1980 werd station Piges geopend, alleen nog als onderdeel van de verbinding van straattramlijnen 62, 63, 65, 66, 86 en 88 naar Jumet en Gosselies op de Chaussée de Bruxelles. 21 juni 1982 werden stations Morgnies, Leernes en Paradis geopend. 29 mei 1983 werd station Damprémy geopend (volgens op 24 mei). Vanaf 12 juni dat jaar tot 29 januari 1988 takte in dit station ook straattramlijn 41 naar Roux en Gohissart af.