Haïti, officieel de Republiek Haïti (Frans: République d'Haïti, Kreyòl: Repiblik Ayiti), is een republiek op het westelijke deel van het eiland Hispaniola in de Caraïbische Zee. Het land omvat tevens een aantal kleinere eilanden, waarvan Île de la Gonâve, Île de la Tortue en Île à Vache de grootste zijn. Haïti ligt oostelijk van Cuba en grenst in het oosten over 275 kilometer aan de Dominicaanse Republiek. Het land heeft een oppervlakte van 27.750 km² en een inwonertal van . De hoofdstad is Port-au-Prince.
Na een periode als Spaanse en later als Franse kolonie, werd Haïti onafhankelijk in 1804, na de Haïtiaanse Revolutie (de enige succesvolle slavenopstand in de geschiedenis), geïnspireerd door de idealen van de Franse Revolutie die woedde in het moederland. Haïti was daarmee het eerste onafhankelijke land in Latijns-Amerika en het eerste postkoloniale zwarte land ter wereld.
Tegenwoordig behoort Haïti tot de armste landen ter wereld, is het land politiek instabiel en heeft het de laatste jaren vaak te kampen gehad met natuurrampen. Door een aardbeving begin 2010 werd een groot gedeelte van het land verwoest. Vooral de hoofdstad Port-au-Prince heeft zwaar te lijden onder de schade.
Geschiedenis Koloniale tijd Toen Christoffel Columbus Hispaniola (het eiland waarop Haïti ligt) in 1492 koloniseerde, werd het bewoond door de Arowakken of, meer specifiek, de Taíno-indianen. Tijdens zijn eerste inval bouwde hij, waarschijnlijk ten oosten van het huidige Cap-Haïtien, de eerste Europese bezetting in de Nieuwe Wereld, La Navidad. In de daaropvolgende decennia stierven de Taíno uit door dwangarbeid alsook door ziekten die door de Spaanse kolonisten waren overgebracht.
Bij de Vrede van Rijswijk in 1697 gaf Spanje het bevel over het westelijke deel van Hispaniola over aan Frankrijk, dat het gebied Saint-Domingue noemde. De Fransen legden suikerplantages aan en importeerden vele slaven uit Afrika. Vanaf de tweede helft van de 18e eeuw werd het land herbevolkt met honderdduizenden slaven, die uit Afrika werden gehaald om —onder erbarmelijke omstandigheden— te werken op de suiker- en koffieplantages. Het werd een van Frankrijks rijkste koloniën. Saint-Domingue produceerde rond 1780 ongeveer 40 procent van alle suiker en 60 procent van alle koffie die in Europa werd gebruikt. De productie van suiker en koffie in de kolonie was groter dan die in de gezamenlijke Britse West-Indische koloniën. Saint-Domingue was in die tijd het welvarendste koloniale bezit van de Europese machthebbers, waardoor het de naam kreeg van De Parel van de Antillen. Kinderen van blanken en slaven vormden een derde bevolkingsgroep, de mulatten.
Onafhankelijkheid
miniatuur|links|Gevechten tijdens de Haïtiaanse Revolutie De Franse Revolutie in 1789 wierp vragen op over de slavernij. Na een slavenopstand in 1791 keerde de bevolking zich tijdens de Haïtiaanse Revolutie tegen het Franse bewind in een opstand die werd geleid door Toussaint Louverture. Tijdens de vrijheidsstrijd, die dertien jaar duurde, versloegen de opstandelingen een door Napoleon gezonden leger en verklaarden zich op 1 januari 1804 onafhankelijk van het Franse moederland. Later dat jaar riep Jean-Jacques Dessalines, die Louverture na 1802 had vervangen als leider van de rebellen, zichzelf uit tot keizer Jacobus I van Haïti nadat hij ook de naam van het gebied, Saint-Domingue, had gewijzigd in "Haïti". Uit haat voor de Fransen liet hij alle nog in Haïti aanwezige blanken vermoorden en wettelijk vastleggen dat buitenlanders geen grond mochten bezitten. Door het witte deel uit de vlag van Frankrijk te verwijderen, ontstond de vlag van Haïti.
Na de onafhankelijkheid was er korte tijd sprake van het Keizerrijk Haïti en het Koninkrijk Haïti, waarna het land een republiek werd. De onafhankelijkheid was een doorn in het oog voor de grote imperialistische staten, die hierin een negatief precedent voor hun eigen koloniën zagen. Het zuiden van de VS en slavenkoloniën als Cuba, Jamaica en Brazilië vreesden voor een domino-effect en verbraken de banden en handel met de jonge staat. In 1825 kwamen de Haïtiaanse en de Franse regering tot een overeenkomst waarin werd bepaald dat Haïti aan Frankrijk 150 miljoen francs schadevergoeding moest betalen in ruil voor de officiële erkenning van Haïti. Omdat het de enige manier was om uit hun politieke en economische isolement te geraken, zag het nieuwe land zich verplicht die schuld te erkennen. Santo Domingo, het oostelijke, Spaanssprekende deel van Hispaniola, dat in 1822 door Haïti werd veroverd, maakte zich in 1844 los van het land en werd de Dominicaanse Republiek.
De bevolking van het inmiddels onafhankelijke land raakte al snel verdeeld door verschillende scheidslijnen, zoals die tussen de zwarte bevolking en de halfbloeden, tussen stedelingen en mensen van het platteland, en tussen rijke en arme inwoners. Zowel de zwarten als de mulatten eisten de verlaten plantages op. De voormalige slaven verdeelden de grote suikerplantages in kleine delen en werden kleine boertjes. De grote plantages verdwenen en daarmee ook de belangrijkste bron van inkomsten.
Omdat de mensen die bestuurlijke ervaring hadden, vermoord of verbannen waren, was de opbouw van een staatsapparaat vrijwel onmogelijk. Een kleine groep kreeg de macht in handen en profiteerde daar volop van. Bij gebrek aan een sterke macht die het bestuur van de kolonisator kon overnemen, was Haïti kwetsbaar voor gewapende bendes, staatsgrepen en inmenging van buitenaf. Met 22 bewindsveranderingen tussen 1843 en 1915, talloze couppogingen en samenzweringen, maakte Haïti een zware politieke en economische tijd door. Het door sociale, politieke en economische verdeeldheid gekenmerkte land verarmde en de export daalde. De schuld aan Frankrijk werd in 1830 met de helft verlaagd, maar was pas in 1947 volledig afbetaald.https://web.archive.org/web/20130704025857/http://www.presseurop.eu/nl/content/article/174541-frankrijk-moet-schuld-erkennen
20e eeuw miniatuur|Sinds 2004 is de VN-vredesmacht MINUSTAH actief in Haïti Tussen 1915 en 1934 werd Haïti bezet door de Verenigde Staten ter bescherming van de Amerikaanse economische belangen in het land. De Verenigde Staten verplichtten de bevolking om te werken aan een verbetering van de infrastructuur, met name de wegen. Deze corveeplicht maakte de Amerikanen impopulair en toen zij vertrokken werd dit dan ook ervaren als een tweede onafhankelijkheid.
De periode tussen 1934 en 1957 werd gekenmerkt door instabiliteit. De mulattenelite, de zwarte bevolking en de door de Amerikanen achtergelaten militaire garde probeerden allen invloed te verwerven. Dit leidde tot een snelle opeenvolging van zwakke, corrupte en inefficiënte regimes en presidenten.
Aan deze periode kwam in 1957 een einde met de machtsovername door de Duvaliers. Tussen 1957 en 1986 werd het land geregeerd door achtereenvolgens François Duvalier, ook wel Papa Doc genoemd, en door Jean-Claude Duvalier (Baby Doc). Het regime van Papa Doc wordt in brede kring gezien als een van de meest onderdrukkende en corrupte in de historie. De regimes van vader en zoon Duvalier brachten veel bloedvergieten met zich mee. Hierbij schakelde Duvalier zijn Tonton Macoutes in. Schattingen van het aantal vermoorde Haïtianen lopen op tot 50.000 in de 28 jaar dat de Duvaliers aan de macht waren, nog los van de vermoedelijk tienduizenden slachtoffers van martelingen en verkrachtingen. De Duvaliers voerden een schrikbewind totdat in 1986 de dictatuur omver werd geworpen. Tussen 1986 en 1990 volgden de militaire staatsgrepen elkaar op.
In 1991 werd Jean-Bertrand Aristide gekozen in een als democratisch beschouwde stemming. Aristide werd echter afgezet op 30 september 1991, amper acht maanden na zijn inauguratie als president. In de jaren na deze coup berustte het gezag bij een militaire junta onder leiding van Raoul Cédras. Na interventie van de Verenigde Staten en enkele andere landen (met steun vanuit de Verenigde Naties) kwam Aristide in 1994 weer aan de macht en in 2000 werd hij herkozen als president. Aristides bewind werd eveneens gekarakteriseerd door corruptie, repressie en interne machtsstrijd. Enkele door Aristide genomen maatregelen, zoals het optrekken van het algemeen minimumloon, hetgeen Westerse bedrijven in Haïti trof, vielen niet in goede aarde bij de Verenigde Staten, Frankrijk en Canada. Kort daarop ontstond er een rebellie waarbij rebellen zeer snel terrein wonnen op de Haïtiaanse ordediensten. Aristide had uit vrees voor een staatsgreep jaren voordien het leger ontbonden, waardoor Haïti enkel een politieapparaat had dat bovendien slechts over één helikopter beschikte. Inmiddels had Aristide een internationale oproep gelanceerd om zo snel mogelijk VN-troepen te sturen. Door interventie van Frankrijk en de Verenigde Staten kwamen deze echter pas aan toen het te laat was en de rebellen Haïti haast volledig in handen hadden. Aristide had de keuze tussen geliquideerd worden of het land te worden uitgevlogen door de Verenigde Staten en koos voor dat laatste. Hiermee was de Staatsgreep in Haïti compleet. Veel partijgenoten hadden deze keuze niet en werden vermoord of doken onder.
21e eeuw In 2006 werd René Préval gekozen tot president. De VN-vredesmacht genaamd MINUSTAH is nog steeds aanwezig in het land. Het uitoefenen van regeringsmacht is binnen het land – dat geldt als een mislukte staat – echter moeilijk. Préval bleef president tot mei 2011 en werd toen opgevolgd door Michel Martelly. In februari 2017 kwam Jovenel Moïse aan de macht.
Bij protestdemonstraties tegen de corruptie onder president Moïse rond 9 juni 2019 gingen in het hele land tienduizenden mensen de straat op. Bij ongeregeldheden kwamen twee betogers om. Het aftreden van Moïse werd geëist. De rooms-katholieke bisschoppen van het land stelden zich achter de demonstranten. In een brief schreven zij dat de corruptie in het land is uitgegroeid tot "georganiseerd bedrog". Zij vroegen de regering te luisteren naar het volk.Bisschoppen Haïti steunen protestacties, Gerhard Wilts, Nederlands Dagblad, 12 juni 2019, blz.7 In juli 2021 werd president Moïse doodgeschoten toen niet-geïdentificeerde schutters zijn woning binnendrongen.President Haïti Jovenel Moïse doodgeschoten in eigen huis, Nieuwsblad, 7 juli 2021 In het chaotische machtsvacuüm dat hierop ontstond werd het presidentschap tijdelijk opgeëist door premier Claude Joseph, maar senaatsvoorzitter Joseph Lambert noemde die stap onwettelijk en claimde het presidentschap zelf ook. Na bemiddeling van de internationale gemeenschap werd nog dezelfde maand Ariel Henry beëdigd als premier en waarnemend president.
Bendegeweld en anarchie Op 7 juli 2022 braken massale botsingen uit tussen twee rivaliserende bendes in Cité Soleil, een verarmde en dichtbevolkte wijk van Port-au-Prince. Aangezien een olieterminal die de hoofdstad en heel Noord-Haïti bevoorraadt, zich in Cite Soleil bevindt, hadden de botsingen een verwoestend effect op de economie van de regio. Sedertdien viel Haïti steeds meer ten prooi aan anarchie door bendegeweld, met een hoogtepunt na de bestorming van een gevangenis op 2 maart 2024. Gewapende bendes onder leiding van bendeleider Jimmy "Barbecue" Cherizier hebben de controle overgenomen. Interimpresident en -premier Ariel Henry is afgetreden.
In 2022 vielen tot 16 juli volgens de VN bij bendegeweld, nog afgezien van seksueel geweld, minstens 934 doden en 684 gewonden en vonden er 680 ontvoeringen in Port-au-Prince plaats, onder meer in de voorsteden Cité Soleil en Croix-des-Bouquets.
In 2024 heerste nog altijd anarchie in het land. Op verzoek van de – verzwakte – Haïtiaanse regering en op aandringen van de VS bekrachtigde de VN-Veiligheidsraad in oktober 2023 een met Kenia onderhandeld aanbod een politiemacht te sturen, gefinancierd door de VS. Het eerste contingent arriveerde in Port-au-Prince op 25 juni 2024.
Natuurrampen 2004: Overstroming. Meer dan 2.000 doden en vermisten. 2004: Orkaan Jeanne