Hugh Robertson Anderson MBE is een voormalig motorcoureur uit Nieuw-Zeeland. Hij werd viermaal wereldkampioen wegrace en won tweemaal de Isle of Man TT. Hij was de eerste 125 cc-wereldkampioen met een tweetaktmotor.
Hugh Anderson groeide op in Huntly, enkele kilometers ten zuiden van zijn geboortedorp Ohinewai in de regio Waikato. Hij speelde in de Rugby League bij Huntly United samen met de latere motorcoureur Ginger Molloy. Hij verdiende zijn brood op de veeboerderij van zijn ouders en in de kolenmijnen van Nieuw-Zeeland. Carrière
Hugh reed al op zijn negende met een motorfiets op zijn moeder's boerderij en toen hij twaalf jaar oud was reed hij al met de 350cc-Douglas van zijn broer in de omgeving rond. Op zijn veertiende bezat hij zelf al een Triumph Speed Twin en niet veel later ook een 125cc-Royal Enfield RE. Op zijn zeventiende begon hij grasbaanraces te rijden met een omgebouwde Francis-Barnett. Toen hij achttien jaar was won hij met een DOT zijn eerste nationale grasbaantitel. In 1955 begon hij te racen met een aangepaste BSA B31, die hij voorzag van de remmen van een AJS 7R en in 1956 werd hij 350cc-juniorkampioen van Nieuw-Zeeland. Hij promoveerde naar de senioren, waar hij racete tegen Rod Coleman, John Hempleman en Ginger Molloy. 1960 Aangetrokken door berichten over de TT van Man reisde hij samen met broer Gorden naar Europa. Op 8 april 1960 arriveerden ze met de 350cc-BSA en een van Hempleman overgenomen 500cc-Norton Manx in de haven van Southampton. Ze regelden sponsoring bij Lew Ellis, de competition manager van Shell, bezochten een aantal Britse races en op 1 mei startte Hugh in de Grand Prix van Oostenrijk, die toen nog geen WK-status had. Hij werd elfde in de 350cc-race en zevende in de 500cc-klasse. In de "Premio Nacional de Madrid" won hij zijn eerste 500cc-race in Europa. Daarna nam hij deel aan de races in Mettet, waar Dave Chadwick om het leven kwam. Tijdens de Grand Prix van Frankrijk debuteerde hij in het wereldkampioenschap wegrace, maar hij wist zich niet te kwalificeren voor de races. Zijn landgenoot Shaun Robinson kon niet in de 500cc-race starten na een eerder ongeval dat zijn broer met de 500cc-racer had gehad. Om toch startgeld te vangen startte Anderson onder de naam van Robinson. Hij kwam in gevecht met John Hempleman, Fumio Ito (toen nog op een BMW) en Robert Weston om de zesde plaats. Hij moest die aan Ito gunnen, want hij mocht geen punten scoren. Als hij een punt had gescoord zou het bedrog zijn uitgekomen. Voor de Isle of Man TT zorgde voormalig coureur Percy Coleman als AJS-importeur voor een AJS Boy Racer, wat goed uitkwam want tijdens de trainingen had Anderson zowel de BSA als de Norton stukgedraaid. Hij vocht met de AJS om de zesde plaats, maar viel uit door gebroken klepveren. Hij kreeg echter het startgeld, wat hard nodig was. Na de aankoop van een stroomlijnkuip voor de AJS en een nieuwe helm had hij nog vijf pond op zak. Tijdens de Ulster Grand Prix scoorde hij zijn eerste punten, zelfs met een podiumplaats toen hij in de 350cc-race grote namen als Bob Anderson, Dickie Dale en Paddy Driver versloeg en met zijn AJS Boy Racer derde werd. 1961 In het seizoen 1961 startte hij niet vaak in WK-races. Hij was al populair bij de organisatoren van internationale races, die hem behoorlijke startgelden boden. Hij won de 350cc-Großer Preis des Saarlandes en de 500cc-race in Tubbergen. Voor de TT van Man kregen hijzelf, Alistair King en Paddy Driver op advies van Lew EllisLew Ellis ondersteunde Suzuki wel vaker met advies. In het seizoen 1960, toen het team nog onder de naam "Colleda" aantrad, had hij geadviseerd de geblesseerde Mitsuo Itoh te vervangen door Ray Ray. het verzoek van Suzuki om met de 125 cc-Suzuki RT 61 en de 250 cc-Suzuki RV 61 in de Ultra-Lightweight TT en in de Lightweight TT te starten. De Suzuki was toen nog een van de weinige tweetaktmotoren in het startveld en de tweetakttechniek stond in Japan nog in de kinderschoenen. Anderson had nog nooit op een snelle tweetakt gereden en ging naar het vliegveld van Jurby om de eerste proefrondjes te rijden. Zijn inschrijving met de 125cc-Suzuki RT 61 werd ingetrokken omdat de machine te langzaam bleek, maar ook de 250cc-Suzuki RV 61 was kansloos: Hugh Anderson eindigde als tiende met 22 minuten achterstand op de Honda RC 162 van Mike Hailwood, maar hij was de snelste Suzuki-rijder. Voor de TT van Assen hoefde Anderson niet met de Suzuki's te rijden. Hij startte er met de 350cc-AJS, maar viel en brak een heup, drie ribben en een sleutelbeen. Hierdoor moest hij de GP van België en de GP van de DDR overslaan. Hij maakte in het ziekenhuis van Assen wel kennis met verpleegster Janny Oeseburg. Hij scoorde wel nog een punt in de 500cc-GP des Nations. miniatuur|links|Ernst Degner ontvluchtte de DDR met hulp van Suzuki en werd belangrijk in de ontwikkeling van de racemotoren. Ernst Degner Tijdens de TT van Man legde de teammanager van Suzuki, Jimmy Matsumiya, de eerste contacten met de Oost-Duitser Ernst Degner, die voor MZ uitkwam. MZ was al heel ver met de ontwikkeling van tweetaktmotoren met roterende inlaten en expansie-uitlaten, die door hun teammanager Walter Kaaden verbeterd werden. Degner wilde de DDR ontvluchten en had daar geld voor nodig. Matsumiya op zijn beurt was geïnteresseerd in de techniek van de MZ-racers. Tijdens de Zweedse Grand Prix vluchtte Degner met hulp van Suzuki-personeel naar Denemarken, met de blauwdrukken van de MZ's. Zijn vrouw en kinderen ontvluchtten de DDR tegelijkertijd in de kofferruimte van een auto. Ernst Degner trad in dienst van Suzuki en verbeterde de racers met zijn kennis van de MZ-tweetakten. 1962: AMC en Suzuki In het seizoen 1962 kreeg hij via sponsor Tom Arter een fabriekscontract bij Associated Motor Cycles, de producent van AJS en Matchless, maar ook zijn contract bij Suzuki werd verlengd. AMC was echter niet geïnteresseerd in de WK-races. Daarvoor waren de AJS 7R en de Matchless G50 niet sterk genoeg. Het concentreerde zich op Britse races, waarin Anderson inderdaad een aantal wedstrijden wist te winnen. Anderson trad in het WK 500 cc dan ook aan met zijn eigen Norton. Suzuki stelde een team samen dat bestond uit Hugh Anderson, Ernst Degner, Michio Ichino, Mitsuo Itoh, Isao Morishita, Frank Perris en Seiichi Suzuki. Degner had de hele winter gewerkt aan de tweetakten, maar alleen de 50 cc-Suzuki RM 62 was echt raceklaar. Anderson werd in de 50cc-klasse pas vanaf de Grand Prix van de DDR ingezet. De 250 cc-RV 62 was nog steeds kansloos: tijdens de GP van Spanje vielen zowel Anderson als Degner en Perris uit. Ook de 125 cc-RT 62's haalden de finish niet en de 50cc-RM 62's scoorden geen punten. Anderson scoorde zijn eerste punt van 1962 in de Junior TT, waar hij als privérijder met zijn AJS zesde werd. Tijdens de TT van Assen ging het weer mis. In de 500cc-trainingen gebruikte Anderson een experimentele achterband van Dunlop, die plotseling weggleed waardoor hij met een gezwollen knie weer in het Asser ziekenhuis terechtkwam. Daar zag hij Janny weer en nu bloeide de liefde voorgoed op. Hij miste de TT van Assen opnieuw en ook de GP van België. In de GP van Duitsland kwam zijn eerste punt voor Suzuki: hij werd zesde in de 125cc-race. Hij werd vijfde in de 125cc-Ulster Grand Prix en zijn eerste 50cc-punten scoorde hij met de derde plaats in de Grand Prix van de DDR. Daar kon hij in de 50cc-race starten met de machine van Degner, die geblesseerd was maar ook niet terug kon naar het land dat hij ontvlucht was. Met Degner nog steeds geblesseerd werd Anderson in de 50cc-race van de GP des Nations op Monza vierde. In de GP van Argentinië won hij de 125cc-race, in afwezigheid van Honda, dat de wereldtitel al binnen had. Echte concurrentie was er dan ook niet. In de 50cc-race had hij een belangrijke opdracht: Ernst Degner kon wereldkampioen worden, maar moest een punt meer scoren dan Kreidler-coureur Hans Georg Anscheidt. Anderson reed ruim aan de leiding van de race, maar Degner kwam niet voorbij Anscheidt. Anderson moest zich terug laten zakken om Degner in zijn slipstream mee te nemen. Dat werkte: Anderson won, Degner werd tweede én wereldkampioen 50 cc. Hoewel de problemen met de 250cc-machines hem tot wanhoop dreven, was teamleider Jimmy Matsumiya opgetogen over de prestaties van Anderson. 1963: Huwelijk, eerste en tweede wereldtitel Nog voor het seizoen 1963 van start ging trouwden Hugh Anderson en Janny Oeseburg op 19 april 1963 in het stadhuis van Assen. Voor dit seizoen had Suzuki een nieuwe 125cc-tweecilinder ontwikkeld, de RT 63. Ook de 50cc-racer was nieuw, de RM 63, waarmee Anderson al in de Argentijnse GP van 1962 was gestart. Hugh Anderson werd Suzuki's kopman in de 50cc-klasse. De Oostenrijker Bert Schneider was aan het team toegevoegd. In de GP van Spanje viel Anderson in de 125cc-race uit, maar in de 50cc-race werd hij tweede achter Anscheidt. In de GP van Duitsland werd hij in de 125cc-race tweede achter Degner, maar hij won de 50cc-race terwijl teamgenoten Isao Morishita en Ernst Degner ook op het podium kwamen. Hij won de 125cc-race van de Franse Grand Prix en in de Lightweight 125 TT won hij zijn eerste race op het eiland Man. Hij nam ook de leiding in de 125cc-WK-stand over van Honda-rijder Luigi Taveri. In de 50 cc TT werd hij tweede achter teamgenoot Mitsuo Itoh. Hij won de 125cc-TT van Assen en werd achter Degner tweede in de 50cc-race. Daardoor stond hij nu ook in de 50cc-klasse aan de leiding van het wereldkampioenschap. In de GP van België won Bert Schneider de 125cc-race, maar Anderson bleef Luigi Taveri voor en dat was het belangrijkste. In de 50cc-race kwam hij niet voorbij aan Hans Georg Anscheidt, maar zijn teamgenoten Isao Morishita en Ernst Degner snoepten de meeste punten voor de neus van Anscheidt weg. In de Ulster Grand Prix won Anderson de 125cc-race voor Schneider en Taveri, waardoor hij al veertien punten voorsprong in het WK nam. Toen Anderson ook de 125cc-race van de GP van de DDR won was hij zeker van zijn eerste wereldtitel. Hij was de eerste 125cc-wereldkampioen met een tweetaktmotor. In de Finse Grand Prix won hij de 125cc-race, maar in de 50cc-race viel hij. Hij finishte toch nog als derde, maar Anscheidt won en nam de leiding in de WK-stand. In de training van de Grand Prix van Argentinië raakte Anscheidt geblesseerd, waardoor hij niet kon starten. Anderson won de 50cc-race en nam weer een kleine voorsprong in het WK, dat in de GP van Japan beslist moest worden. Anscheidt was echter nog steeds niet hersteld. Taveri won de 50cc-race, maar dat was van geen enkel belang, hij testte feitelijk de nieuwe Honda RC 113 voor het volgende seizoen. Anderson was voor de start al zeker van de wereldtitel, maar werd in de race tweede. Suzuki zette ook weer een 250cc-machine in, de RZ 63, een viercilinder die was opgebouwd uit twee RT 63's, maar die nog steeds geen succes was. Anderson werd er tiende mee, maar Ernst Degner raakte zwaargewond toen hij onder zijn brandende machine lag en Frank Perris gaf de race op om Degner te helpen. 1964, derde wereldtitel