Peter Paul Rubens (ook wel Pieter Paul, Pieter Pauwel of Petrus Paulus genoemd)Volgens diverse bronnen werd hij zo genoemd omdat 29 juni, de dag na zijn geboorte, de feestdag is van de apostelen Petrus en Paulus. (Siegen,"Rubens, een siegenjoor of sinjoor?", EOS Wetenschap, Koen Mortelmans, 2018 28 juni 1577 – Antwerpen, 30 mei 1640) was een Vlaamse barokschilder, tekenaar, tapijtontwerper en diplomaat, die gedurende zijn carrière vooral in Antwerpen werkzaam was. Hij wordt beschouwd als de meest invloedrijke kunstenaar van de Vlaamse barok. Zijn unieke en immens populaire barokstijl legde de nadruk op beweging, kleur en sensualiteit en volgde de directe, dramatische artistieke stijl die in de Contrareformatie werd gepromoot. Zijn dynamische composities beeldden op erudiete wijze onderwerpen uit de klassieke en christelijke geschiedenis uit. Hij schilderde altaarstukken, portretten, genretaferelen, landschappen en historiestukken met mythologische, bijbelse en allegorische onderwerpen. Hij was ook een productief ontwerper van cartoons voor de Vlaamse tapijtateliers en van frontispices voor de uitgevers in Antwerpen.
Rubens was hofschilder en werkte voor het hof van Mantua, de aartshertogen Albrecht en Isabella van Brussel en Ferdinand, die Isabella opvolgde als landvoogd van de Zuidelijke of Spaanse Nederlanden. Rubens schilderde veel altaarstukken en had daarbij hulp van een groot atelier in Antwerpen, maar ook verbeeldde hij het levensverhaal van Maria de' Medici in het Palais du Luxembourg in Parijs en dat van de Engelse koning Jacobus I in Whitehall in Londen. Rubens maakte ook werk voor de Spaanse koningen Filips III en Filips IV. Hij bouwde naar eigen ontwerp een prachtig Renaissancehuis in Antwerpen, nu bekend als het Rubenshuis, en kocht later een buitenverblijf genaamd kasteel 't Steen in Elewijt.
Rubens bestudeerde zijn hele leven lang de kunst van de Oudheid en de Renaissance en gebruikte veel mythologische motieven in zijn kunst. Met name Titiaan van de Venetiaanse School was een groot voorbeeld voor hem. Hij had nauwe contacten met de jezuïeten en zette zich met hart en ziel in voor de Contrareformatie en de verheerlijking van verschillende personen.
Rubens trouwde tweemaal, met Isabella Brant en met Hélène Fourment. Hij had met hen acht kinderen.
Biografie Voorgeschiedenis thumb|Rubens met zijn vrouw Isabella Brant in een prieel van kamperfoelie De vader van Peter Paul Rubens, Jan Rubens, was advocaat van beroep. Van 1562 tot 1568 bekleedde Jan Rubens in Antwerpen een schepenambt. Zijn echtgenote, de moeder van Rubens, Maria Pypelinckx, kwam uit een vooraanstaande familie. De Zuid-Nederlandse adel koos, voornamelijk om politieke redenen, de zijde van de Reformatie. Ook Jan Rubens ging tot het calvinisme over. In 1566 woedde de Beeldenstorm, gevolgd door de wraak van de Spaanse koning Filips II: de komst van Alva. Alva ontketende in de Lage Landen een meedogenloze vervolging. In 1568 week het gezin Rubens, met twee jongens en twee meisjes, uit naar Keulen, omdat ze als calvinisten in hun thuisland vervolging vreesden.Biografische details bij de Biographie Nationale tome 20, 1908-1910, p. 319 Maar Keulen was een katholieke stad en Jan Rubens moest het calvinisme afzweren. Nadat Peter Pauls vader was aangesteld als juridisch adviseur van de lutherse Anna van Saksen, de tweede vrouw van Willem van Oranje, verhuisde het gezin Rubens in 1570 naar Siegen, waar haar hof gevestigd was.
Jan Rubens en Anna van Saksen hadden vervolgens een affaire, die tot een zwangerschap leidde. Jan werd hiervoor opgesloten in slot Dillenburg en liep het risico ter dood veroordeeld te worden. De dochter van het overspelige paar, Christina van Dietz, werd op 22 augustus 1571 geboren.
Dankzij de smeekbeden van zijn vrouw kon Jan Rubens na twee jaar de gevangenis verlaten. Na zijn vrijlating werd het Jan Rubens een tijd lang verboden zijn beroep van advocaat uit te oefenen en moest hij zich onder toezicht in Siegen vestigen. Dit legde een zware druk op het gezin, die pas verlicht werd toen in 1577 het tegen Jan Rubens ingestelde beroepsverbod werd opgeheven, na de dood van Anna van Saksen. In deze moeilijke situatie werd in 1574 Philip Rubens geboren, gevolgd in 1577 door zijn broer Peter Paul. In 1578 mocht Jan Rubens zijn ballingsoord Siegen verlaten en verhuisde het gezin Rubens naar Keulen, waar vader Jan Rubens in 1587 overleed. Het bleef Jan Rubens als banneling voorgoed verboden de Nederlanden te betreden. In Siegen had het gezin noodgedwongen tot de Lutheraanse Kerk behoord. In Keulen ging het gezin terug over tot het katholicisme.White, C., Peter Paul Rubens, p.3 De oudste zoon, Jan Baptist, die mogelijk ook kunstenaar is geweest, vertrok in 1586 naar Italië. De weduwe Maria Pypelinckx keerde in 1590 met haar gezin (met Blandina, Filips en Peter Paul) terug naar Antwerpen, waar ze zich zoals voorheen in Keulen tot het katholicisme bekenden.Lamster, Mark Master of Shadows: The Secret Diplomatic Career of the Painter Peter Paul Rubens, Random House Incorporated, 2010, p. 40-58 Ze betrok een huis in de Kloosterstraat. miniatuur|Tenhemelopneming van de Goddelijke en Heilige Maagd Maria, schetsontwerp in olie voor een altaarstuk
Peter Paul Rubens en zijn oudere broer Philip Rubens kregen een humanistische opvoeding in Keulen, en daarna in Antwerpen. Tot aan zijn dood in 1587 hield vader Jan zich persoonlijk met het onderwijs van zijn zonen bezig., The World of Rubens 1577-1640, Time Life Books 1967. Later studeerden ze aan de Latijnse school in Antwerpen, waar ze de Latijnse klassieken leerden kennen. In 1590 moesten de broers hun scholing afbreken en gaan werken, om financieel bij te dragen aan de bruidsschat van hun zuster Blandina.
Page in Oudenaarde Peter Paul ging als page dienen bij de gravin Marguerite de Ligne-Arenberg, wier schoonvader de gouverneur-generaal van de Spaanse Nederlanden was geweest. De gravin was de weduwe van graaf Philippe de Lalaing en woonde waarschijnlijk in Oudenaarde.
Schildersopleiding Antwerpen bezat eind 16e eeuw nog een florerende schilderschool met kunstenaars als Maerten de Vos en Frans Francken. Paul Bril en Joos de Momper waren bekende landschapsschilders en de landschap- en bloemenschilder Jan 'de Fluwelen' Brueghel was een bekende meester van die dagen.
Peter Paul Rubens wilde geen carrière als hoveling, maar een artistieke opleiding volgen en zijn moeder zorgde er voor dat hij in de leer kon bij Tobias Verhaecht, die met haar familielid Suzanna van Mockenborch was getrouwd. Verhaecht was gespecialiseerd in kleine landschappen, en het is niet waarschijnlijk dat hij Rubens doorslaggevend beïnvloed heeft.Lamster, Mark Master of Shadows: The Secret Diplomatic Career of the Painter Peter Paul Rubens, Random House Incorporated, 2010, p. 10-13 Maar Rubens leerde bij hem wel de basistechniek voor de compositie en de uitvoering van landschappen. Het Ganay Manuscript, het theoretisch notitieboek van Rubens, toont zijn ideeën over diverse technieken.
Na een jaar bij Tobias Verhaecht in de leer te zijn geweest, studeerde hij vermoedelijk vier jaar (1594-1598) onder de portretschilder Adam van Noort om ten slotte zijn leer te beëindigen bij Otto van Veen (Otto Venius), een van de leidende schilders van Antwerpen en een vooraanstaand vertegenwoordiger van de Romanisten, een groep schilders die in Italië hadden gestudeerd en die doordrongen waren van de geest van de Renaissance. Van Veen had vijf jaar in Rome doorgebracht als leerling van Federico Zuccaro en zich verdiept in de kunst van de Oudheid en Renaissance. Hij ontwierp de Boog van de Spanjaarden bij de Blijde Intocht van de aartshertogen Albrecht en Isabella in 1599 in Antwerpen. Rubens zou later net als Van Veen een verzameling prenten en tekeningen aanleggen als studiemateriaal. Hij gebruikte bijvoorbeeld Italiaanse prenten als uitgangspunt voor eigen werk en hij zou zijn hele loopbaan aan andere kunstenaars blijven ontlenen.
Rubens werd in 1598 opgenomen als meester in het Antwerpse Sint-Lucasgilde. Als onafhankelijk meester mocht hij nu opdrachten aannemen en leerlingen opleiden. zijn eerste leerling was Deodatus Delmonte. Behalve een in 1597 gedateerd classicistisch portret, dat zich te New York bevindt, kent men alleen onzekere toeschrijvingen van jeugdwerk van voor 1600. Hij schilderde omstreeks die tijd Adam en Eva in het Paradijs (vóór 1600) en Het oordeel van Paris (ca. 1600).
In dienst van de hertog van Mantua
Op 9 mei 1600 vertrok hij met zijn leerling Deodatus Delmonte naar Italië, waar hij beïnvloed werd door de kunst van de Oudheid. In Venetië trad hij, volgens Rubens' neef, op uitnodiging van een Mantuaans edelman, in dienst van de hertog van Mantua, Vincenzo I Gonzaga, tot 1608. Gonzaga was een neef van aartshertog Albrecht en had hem het jaar ervoor in Brussel bezocht. Waarschijnlijker echter verwierf Rubens zo snel een positie door een aanbevelingsbrief van Albrecht.
Het werk van Andrea Mantegna, met name de negen doeken die de Triomf van Caesar uitbeeldden, maakte vermoedelijk de meeste indruk op de jonge Vlaming. Rubens maakte aan het hof kennis met kapelmeester en componist Claudio Monteverdi. Galilei bezocht Mantua tweemaal in de periode dat Rubens er verbleef en voordien had ook Torquato Tasso aan het hof van Mantua gewerkt. Rubens sprak later over het hof van Mantua van 'de verrukkelijke tijd die ik daar in mijn jeugd heb doorgebracht'.
Florence In deze Italiaanse periode leerde hij veel van de werken van de kunstschilder Caravaggio kennen. In 1601 reisde hij met de hertog naar Florence voor het huwelijk met de handschoen van Maria de' Medici en Hendrik IV van Frankrijk. Twintig jaar later zou hij voor Maria's nieuwe Palais du Luxembourg in Parijs, de Bruiloft in Florence schilderen.
Eerste verblijf in Rome Eind 1601 reisde Rubens naar Rome. Kardinaal Montalto, een neef van de paus, verleende hem 'protectie', omdat hertog Gonzaga hem daar in een brief om had gevraagd. Rubens zou schilderijen gaan kopiëren en tekeningen maken naar beelden uit de Oudheid, terwijl de hertog naar Kroatië trok om strijd te leveren. Rubens maakte er kennis met de Griekse en Romeinse kunst en kopieerde in Rome werken van de Italiaanse meesters. Hij tekende onder meer de Afrikaanse visser, de Laocoön-groep en de Belvédère-torso. In Rome schilderde hij zijn eerste altaarstuk voor het Santa Helena-altaar in de kerk van het Heilig Kruis (Santa Croce in Gerusalemme). De eerste Romeinse opdracht had hij aan aartshertog Albrecht te danken, die voor zijn huwelijk kardinaal-aartsbisschop van Toledo was geweest en in de Santa Croce zijn kardinaalshoed had ontvangen. Op twee kleinere panelen voor de zijaltaren van de kapel schilderde Rubens de Bespotting van Christus en een Kruisoprichting, die verloren zijn gegaan.
In 1600 was de Duitse kunstenaar Adam Elsheimer naar Rome gekomen. Hij zou er tot zijn overlijden in 1610 blijven. Rubens raakte in Rome met Elsheimer bevriend.
In april 1602 keerde Rubens terug in Mantua. Hij schilderde De vlucht van Aeneas (ca. 1602) en het Zelfportret met vrienden, wat het vroegst bekende zelfportret is van de meester. Toen ontving Rubens zijn eerste opdracht als diplomaat: geschenken brengen naar het hof van koning Filips III van Spanje, dat, wat later bleek, naar Valladolid was afgereisd. Daar onder waren schilderijen van andere meesters, die zó beschadigd raakten door de regen tijdens de reis, dat Rubens ze moest restaureren.