De Slag bij Crécy vond plaats op 26 augustus 1346 in Noordwest-Frankrijk tussen een Frans leger onder leiding van koning Filips VI en een Engels leger onder leiding van koning Eduard III. De Fransen vielen de Engelsen aan terwijl die een veldtocht in het noorden van Frankrijk ondernamen tijdens de Honderdjarige Oorlog. De Engelsen behaalden de overwinning in de slag, terwijl de Fransen erg veel mannen verloren. Na de slag gingen de Engelsen verder om Calais te belegeren. Door hun nederlaag waren de Fransen niet bij machte het beleg op te heffen. De stad viel en zou voor meer dan twee eeuwen onder Engelse controle blijven. De Slag bij Crécy bewees de efficiëntie van de longbow als dominant wapen in de West-Europese oorlogsvoering.

Achtergrond De Engelse koningen hadden al vanaf de Normandische verovering van Engeland in 1066 titels en bezittingen gehad in Frankrijk. Door deze bezittingen waren ze vazallen van Frankrijk. Na een aantal onenigheden tussen Filips VI van Frankrijk (regeerde van 1328-1350) en Eduard III van Engeland (regeerde van 1327-1377) besloot Filips' Conseil du Roi in Parijs op 24 mei 1337 dat het land dat Eduard bezat in Frankrijk teruggenomen moest worden door Filips met als reden dat Eduard zijn verplichtingen als vazal niet nakwam. Dit wordt gezien als het begin van de Honderdjarige Oorlog, die 116 jaar zou duren.

Op 29 juni 1345 voer Eduards hoofdleger uit en lag voor anker bij Sluis tot 22 juli, terwijl Eduard onderhandelingen voerde. Sluis was in die tijd de voorhaven van Brugge in het noorden van het Franse koninkrijk. De Engelse vloot had waarschijnlijk moeten landen in Normandië, maar hij werd uiteengedreven door een storm. Ook verdere vertragingen staken de kop op waardoor het onmogelijk werd voor het leger om actie te voeren voor de winter. Ondertussen leidde Hendrik van Grosmont een snelle veldtocht door Gascogne aan het hoofd van een leger dat bestond uit zowel Engelsen als Gascogners. Hij versloeg twee grote Franse legers in de Slag bij Bergerac en de Slag bij Auberoche. Hij nam meer dan 100 Franse dorpen, steden en versterkingen in Périgord en het gebied rond Agen en zorgde ervoor dat de Engelsen voet aan de grond in Gascogne kregen.

In maart 1346 marcheerde een Frans leger van tussen 15.000 en 20.000 man, "veel groter" dan welk leger de Engelsen dan ook maar in het veld konden brengen, naar Gascogne. Dit leger stond onder leiding van Jan, graaf van Normandië en zoon en opvolger van Filips VI. Het belegerde de strategisch en logistiek belangrijke stad Aiguillon. Op 2 april werd voor het zuiden van Frankrijk de arrière-ban uitgeroepen, die zei dat alle mannen die in goede gezondheid waren, de wapens moesten opnemen. Het grootste deel van de Franse financiële kracht, logistieke kracht en mankracht werd ingezet bij dit offensief. Hendrik van Grosmont zond een dringend verzoek om hulp naar Eduard. De Engelse koning was niet alleen moreel verplicht zijn vazal te hulp te schieten, maar was dit ook contractueel verplicht; zijn overeenkomst met het huis Lancaster hield in dat als een Lancaster aangevallen werd door een veel groter leger, "Eduard hem zal redden op een of andere manier".

Ondertussen was Eduard bezig een nieuw leger op de been te brengen. Hij had een vloot van 700 schepen – op dat moment de grootste Engelse vloot ooit – verzameld om het te vervoeren. De Fransen wisten wat Eduard aan het doen was en vertrouwden erop dat hun machtige vloot hem ervan zou kunnen weerhouden te landen in Noord-Frankrijk. Dit vertrouwen was echter misplaatst, want de Fransen slaagden er niet in te voorkomen dat Eduard het Kanaal succesvol kon oversteken.

miniatuur|400px|none|Kaart met daarop de chevauchée van Eduard III in 1346

Aanloop De Engelsen landden bij Saint-Vaast-la-Hougue in Normandië op 12 juli 1346. Voor de Fransen was de verrassing compleet en de Engelsen begonnen aan hun mars zuidwaarts. Eduards soldaten brandschatten elk dorp op hun weg en plunderden alles wat ze maar konden van de bevolking. Caen, het culturele, politieke, religieuze en financiële centrum van Normandië, werd bestormd op 26 juli en geplunderd gedurende de volgende vijf dagen. Meer dan 5.000 Franse soldaten en burgers werden gedood; onder de weinige gevangenen bevond zich Rudolf II van Brienne, de connétable van Frankrijk. Op 29 juli stuurde Eduard zijn vloot terug naar Engeland met buit en een brief waarin stond dat er versterkingen, voorraden en geld gestuurd moesten worden. Ze moesten het sturen naar Le Crotoy, aan de monding van de Somme. De Engelsen vertrokken naar de Seine op 1 augustus.

De Franse positie was moeilijk. Hun hoofdleger onder leiding van Jan II van Frankrijk, de zoon en erfgenaam van koning Filips VI, moest de leiding nemen over het Beleg van Aiguillon in het zuidwesten. Na zijn verrassingsaanval op Normandië plunderde Eduard enkele van de rijkste gebieden van Frankrijk en hij vernederde de Fransen door ongehinderd door hun land te marcheren. Op 2 augustus viel een klein Engels leger, dat uit veel Vlamingen bestond, Frankrijk binnen vanuit het opstandige Vlaanderen. Daar waren de Franse versterkingen volledig ontoereikend. Op 29 juli had Filips de arrière-ban uitgeroepen voor Noord-Frankrijk, wat inhield dat elke man die fysiek gezond was, naar Rouen moest gaan, waar Filips zelf aankwam op 31 juli. Op 7 augustus bereikten de Engelsen de Seine, op ongeveer 20 km ten zuiden van Rouaan, en gingen zuidoostwaarts. Tegen 12 augustus had Eduards leger Poissy bereikt, ongeveer 30 km van Parijs. Op hun weg hadden ze de linkeroever van de Seine volledig geplunderd. Ze waren zelfs zo ver gegaan dat ze dorpen op slechts 5 km van de hoofdstad gebrandschat hadden. Filips' leger marcheerde parallel met het Engelse op de andere oever van de rivier, en sloeg zijn kamp op ten noorden van Parijs, waar het versterkingen ontving. Parijs was onrustig geworden, en veel vluchtelingen waren aangekomen in de hoofdstad. Er werden voorbereidingen getroffen om de hoofdstad straat voor straat te kunnen verdedigen.

Filips beval zijn zoon Jan dat hij het Beleg van Aiguillon moest opheffen en met zijn leger noordwaarts moest marcheren, wat hij na enig oponthoud deed op 20 augustus. Het Franse leger buiten Parijs bestond uit 8.000 ridders, 6.000 kruisboogschutters en veel infanterielichtingen. Filips daagde op 14 augustus het Engelse leger uit tot een veldslag, waarvan de plaats en tijd overeengekomen zouden worden. Eduard kwam overeen dat de slag zou plaatsvinden ten zuiden van de Seine. Op 16 augustus marcheerde het Franse leger naar deze plaats, waarop Eduard prompt Poissy platbrandde, de brug daar vernietigde en noordwaarts marcheerde.

De Fransen hadden tot dan toe de tactiek van de verschroeide aarde toegepast, waarbij ze alle voedselvoorraden wegvoerden en zo de Engelsen dwongen om zich over een groot gebied te verspreiden om te kunnen foerageren. Dit had de Engelsen erg vertraagd. Sommige groepen Franse boeren vielen enkele van de kleinere groepen foerageurs aan. Filips bereikte de rivier de Somme een dag voor Eduard. Hij stelde zich op bij Amiens en stuurde grote detachementen erop uit om iedere brug en doorwaadbare plaats aan de Seine tussen Amiens en de zee te bezetten. De Engelsen waren nu gevangen in een gebied waarin er geen voedsel meer te vinden was. De Fransen verlieten Amiens en gingen westwaarts, richting het Engelse leger. Ze wilden graag slag leveren, wetende dat ze defensief zouden kunnen vechten, terwijl het Engelse leger zou proberen om door hun linies te komen.

Eduard was vastbesloten de Franse blokkade bij de Somme te doorbreken en probeerde dit te doen op verscheidene plaatsen. Hij deed een afleidingsmanoeuvre op Hangest-sur-Somme en Pont-Remy voordat hij westwaarts langs de rivier marcheerde. De Engelse voorraden geraakten op en het leger begon er haveloos uit te zien. Ze waren uitgehongerd, en het moreel begon hieronder te lijden. Op de avond van 14 augustus sloegen de Engelsen hun kamp op ten noorden van Acheux-en-Vimeu. De Fransen bevonden zich op 10 km van hen vandaan in Abbeville. 's Nachts marcheerden de Engelsen richting een doorwaadbare plaats met de naam Blanchetaque. De andere oever werd verdedigd door een leger van 3.500 Fransen. Engelse longbowschutters en soldaten te paard waadden de rivier in en joeg na een kort, hevig gevecht de Fransen op de vlucht. Het Franse hoofdleger had de Engelsen gevolgd, en enkele verkenners namen enkele achterblijvers gevangen en stalen verschillende wagens, maar Eduard slaagde erin de dichtste achtervolgers af te schudden. De Fransen hadden er zoveel vertrouwen in gehad dat Eduard de Somme niet zou kunnen oversteken dat het gebied achter de rivier er totaal onverdedigd bijlag, waardoor Eduards leger het vrijelijk kon plunderen en opnieuw bevoorraad kon worden.

Nadat de Vlamingen teruggedreven waren door de Fransen bij Stegers (Estaires), belegerden ze Béthune op 14 augustus. Na verschillende tegenslagen brak er ruzie uit binnen het Vlaamse leger, staken de soldaten hun belegeringsmachines in brand en zetten een punt achter hun expeditie op 24 augustus. Eduard kwam te weten dat hij geen Vlaamse versterkingen zou ontvangen kort nadat hij de Somme had overgestoken. Ook de schepen die hadden moeten liggen wachten aan de kust bij Le Crotoy waren nergens te zien. Eduard besloot daarom Filips leger te bevechten met de soldaten die hij op dat moment ter beschikking had. Nu hij de Franse achtervolging tijdelijk had afgeschud, gebruikte hij dit respijt door een defensieve positie bij Crécy-en-Ponthieu op te zetten. De Fransen keerden terug naar Abbekerke, staken de Somme over via de brug daar en marcheerden richting de Engelsen.

Legers van de strijdende partijen Engels leger Het Engelse leger bestond vooral uit Engelse en Welsche soldaten, samen met enkele geallieerde Bretoense en Vlaamse soldaten en enkele Duitse huurlingen. De exacte grootte en samenstelling van het Engelse leger is niet bekend. De verschillen tussen de bronnen uit die tijd zijn erg groot; in Jean Froissarts derde versie van zijn Kroniek staat bijvoorbeeld dat het leger van de Engelsen dubbel zoveel soldaten had dan in de eerste versie. Moderne historici schatten de grootte van het leger tussen 7.000 tot 15.000. Andrew Ayton vermoedt een grootte van ongeveer 14.000 man: 2.500 krijgsmannen te paard, 5.000 longbowschutters, 3.000 lichte cavaleristen en 3.500 soldaten gewapend met een speer. Clifford Rogers vermoedt dat het leger 15.000 man bedroeg: 2.500 krijgsmannen te paard, 7.000 longbowschutters, 3.250 lichte cavaleristen en 2.300 soldaten bewapend met speren. Jonathon Sumption gelooft dat het leger slechts tussen de 7.000 en 10.000 soldaten bedroeg, afgaand op de transportcapaciteit van de oorspronkelijke overzetvloot. Tot wel duizend onder hen waren veroordeelde misdadigers die dienden met de belofte van gratie aan het einde van de veldtocht. Waarschijnlijk bestond de helft van het Engelse leger uit veteranen. Ook velen van de misdadigers zouden veteranen geweest zijn.

De soldaten van zowel het Franse als het Engelse leger droegen gewoonlijk gewatteerde wambuizen onder hun maliënbescherming, die het lichaam en de ledematen bedekte. Verder droeg men ook een plaatharnas, maar dit betrof vooral de rijkere en ervarener soldaten. Het hoofd werd meestal beschermd met bascinets. De Engelse ridders vochten allemaal als infanterie, en niet als cavalerie. Het is niet bekend welke wapens de ridders droegen maar in gelijkaardige veldslagen gebruikten ze ofwel hun lansen als pieken of verkortten ze die zodat ze die konden gebruiken als korte speren, ofwel vochten ze met zwaarden en strijdbijlen.

miniatuur|Moderne replica van een pijl met een bodkinpunt, die diende om harnassen te doorboren.