Dit artikel beschrijft de geschiedenis van Philips in België.
Eerste jaren (1919-1922) Zodra de grenzen na de Eerste Wereldoorlog weer opengingen, begon dr. Anton Philips te reizen. Hij zocht de concurrenten in de omliggende landen op om een kartel te vormen, aanknopend met de Duitse traditie van concurrentievoering gebaseerd op onderlinge industriële samenwerking. Aangezien de binnenlandse markt te klein was, hoopte hij op die manier in het buitenland met concurrenten tot afspraken te komen over de marktverdeling en prijzen. Naast kartelvorming zag hij ook brood in het oprichten van eigen verkoopmaatschappijen in het buitenland.
Een van zijn eerste bezoeken gold Brussel. Tien dagen na de wapenstilstand, op 21 november 1918, vertrokken Anton Philips en J.B. Vink per auto voor een eerste oriëntering naar Brussel, zonder papieren en passen. Ze kwamen er aan op de dag waarop koning Albert I van België na het wegtrekken van de Duitsers in zijn residentie terugkeerde. Er was een enorme opgewonden volksmenigte op de been. De beide Nederlanders werden door enige omstanders voor Duitsers aangezien. Er vielen dreigende woorden en er dreigde zelfs een oploop te ontstaan, die voor de beide bezoekers heel onaangenaam had kunnen worden. Gelukkig wisten zij zich uit de voeten te maken. Met hun Belgische vertegenwoordigers begonnen zij 's anderdaags gesprekken voor een eigen Philipsorganisatie in België, die het werk van vele agenten en grossiers grotendeels zou overnemen. Philips wilde namelijk dat niet alleen aan lampen als toonbankartikelen maar ook aan de vele nieuwe artikelen, zoals autolampen en projectielampen, aandacht zou worden besteed.
Jacobus Bartholomeus Vink was een van de velen die in de gelegenheid werden gesteld om in het buitenland te tonen wat zij konden presteren. Zijn carrière begon op 9 december 1907 te Eindhoven als assistent van de heer Bakker met een jaarloon van 1200 gulden. Hij nam deel aan de ontwikkeling van de verkoop in Nederland en toonde al snel zijn grote organisatietalent. Toen de dienst "Publiciteit" opgericht werd, koos men hem uit om die te leiden. Op 31 december 1915 werd hij procuratiehouder bij deze afdeling. Anton Philips erkende Vinks kwaliteiten en koos hem uit om aan het hoofd van de Belgische organisatie te staan. Enige weken na het eerste bezoek van Anton Philips en J.B. Vink aan België, huurde Vink een klein handelshuis in de Zwaluwstraat te Brussel. Voor het in orde brengen van briefpapier, boekhouding en administratieve documenten kon hij rekenen op de hulp van Felix van Hoof, met wie hij samenwerkte vanuit een kamer in het hotel Metropole op het De Brouckèreplein te Brussel. Deze Van Hoof was, na een carrière als onderstationchef bij de Belgische spoorwegen, op 15 oktober 1914 bij Philips in Eindhoven aan de slag gegaan, zoals tijdens de Eerste Wereldoorlog overigens heel wat Belgen bij onder andere Philips (Koninklijke Philips Electronics N.V.) in Eindhoven zijn gaan werken.Eindhoven in de 20e eeuw
Op 9 januari 1919, om 17.00 uur, wordt in een statig herenhuis in de Beursstraat in Amsterdam de naamloze vennootschap "La Lumière économique", concessionaris voor de verkoop van Philips' producten, opgericht ten overstaan van Gerard van der Aa, consul-generaal van België te Amsterdam, optredend als notaris.
De oprichters zijn: Gerard Hendrik de Marez Oyens, °31/7/1873 met domicilie op Huize Den Dam in Eefde, *bankdirecteur (Amsterdam); Geert van Mesdag, industrieel en wonende te Hilversum; Eduardus Joseph Philips, advocaat, °Zaltbommel 30/6/1872 en wonende te Hilversum; Henri Louis Philips, bankier wonende te Zaltbommel; Jacobus-Bartolomeus Vink, handelaar, °Den Haag 27/11/1885 wonende te Tongelre; Felix Van Hoof, boekhouder (wonende te Brussel, maar tijdelijk verblijvend te Eindhoven) en Adriaan Boutkan, boekhouder wonende te Eindhoven.
Zij laten zich allen bij volmacht vertegenwoordigen door Salomon Wolf, expert-boekhouder gevestigd te Tongelre en Philipsmedewerker sinds 29 juli 1908 met een aanvangsloon van 10 gulden per week. Het oprichtingskapitaal bedraagt 100.000 frank, vertegenwoordigd door 100 aandelen (in dezelfde volgorde, respectievelijk 25, 25, 25, 10, 10, 3, 2 aandelen).
De vennootschap die zich in Brussel of de Brusselse agglomeratie moet vestigen, zal zich bezighouden met de verkoop van elektrische en technische artikelen (met fabricage start men pas in 1929). De leiding van het bedrijf komt in handen van drie tot maximum zeven bestuurders met een mandaat van 6 jaar, waarbij loting het aftreden zal bepalen. De eerste bestuurders zijn Gerard Hendrik de Marez Oyens, bankdirecteur Eindhoven, Geert van Mesdag, industrieel te Hilversum, Eduardus Joseph Philips, advocaat te Hilversum, en Henri Louis Philips, bankier wonende te Zaltbommel. Als commissarissen worden benoemd de heren Felix Van Hoof en Adriaan Boutkan.
De oprichtingsakte wordt geregistreerd op 3 april 1919 te Elsene, op 15 april 1919 op de griffie van de rechtbank van koophandel te Brussel neergelegd en vervolgens op 18 april gepubliceerd in de bijlagen tot de Moniteur belge onder nummer 2482.
De heer Jacobus-Bartolomeus Vink wordt door de eerste algemene vergadering benoemd tot directeur, met een jaarsalaris van 10.000 frank. Hij zal van 1922 tot 1 januari 1950 gedelegeerd bestuurder blijven.
Als vestigingsplaats kiest men de Zwaluwstraat (rue des Hirondelles) nr. 17, te Brussel, een straat die uitkomt op het De Brouckèreplein. De koopprijs van dit pand bedraagt 300.000 frank (plus 8% kosten). De verbouwings- en reparatiewerken schat men op 130.000 frank. De magazijnoppervlakte beslaat slechts 250 m², zodat men al snel magazijnen huurt op de Hooikaai en in de Fabrieksstraat. Voor het transport beschikte men aanvankelijk over een handkar, maar na enkele maanden kwam er een Fordvrachtwagen die in 1920 zo'n 10.885 kilometer aflegde. De totale uitgave voor salarissen, lonen en sociale uitgaven bedroeg 204.174,75 frank. Op 4 mei 1920 besluit de algemene vergadering tot het instellen van een pensioenfonds voor bedienden en arbeiders. Er werken aanvankelijk 25 personen, te weten directeur J.B. Vink, adjunct J. Van Hoof, 3 vertegenwoordigers, een boekhouddienst, verkoopdienst, afdeling reclame, afdeling magazijnen en verzending. De jongste werknemer, Paul de Vleeschouwer, was 15 jaar en verscheen in korte broek op het werk. Tien jaar later vieren er 22 van die 25 hun tienjarig dienstjubileum bij Philips.
Op 6 juli 1920 komt in de raad van bestuur het probleem van de licentie uitvindersoctrooien aan de orde, waarvoor Philips Eindhoven een rekening van 401.425,67 frank had voorgelegd. Bij het vaststellen van de verkoopprijzen was hiermee totaal geen rekening gehouden. De overeenkomst van 18 december 1918 met Eindhoven rept er bovendien met geen woord over. Daarom besluit men vooralsnog niet te betalen. Op 10 oktober 1920 geeft Vink in de raad van bestuur toe dat er zal moeten worden betaald, omdat deze kosten stilzwijgend waren overeengekomen.
In het verslag van de raad van bestuur van 2 mei 1922 maakt men melding van een serie verduisteringen voor een totaal bedrag van 376.304,05 frank. Mede hierdoor kan er geen dividend over 1921 uitgekeerd worden.
Philips werkte in Europa met agenten die de landelijke markten bewerkten. Doordat heel wat landen, zoals Frankrijk, Spanje en Italië, de dominantie van de sterk geïndustrialiseerde landen als Duitsland en Groot-Brittannië wilden breken, werden douanebelemmeringen tegen import opgeworpen. Eind 1918 werden in Italië buitenlandse lampen aan een vergunningenstelsel onderworpen, wat de invoer nagenoeg onmogelijk maakte. Op die manier hoopte men de eigen kleine, technisch zwakke gloeilampenindustrie te beschermen. Philips trachtte de importbelemmeringen te omzeilen door met een Nederlandse agent (de Philipswerknemer A. van Eyk) een pseudo-Italiaans bedrijf op te zetten. Daarvoor werkte deze ter plaatse samen met een Italiaanse agent (Muggia), maar al snel kwam het tot een breuk tussen Philips, Van Eyk en Muggia.
Vink had veel ervaring in België opgedaan. Met succes had hij grossisten overbodig weten te maken. Daarom werd hij gekozen om in Italië orde op zaken te gaan stellen. Vink stelt zijn mandaat als bestuurder ter beschikking om zodoende naar Italië te kunnen vertrekken. Op 1 juli 1922 wordt hij in België opgevolgd door Leon Van Rillas, directeur van de Volta fabriek te Deurne, waarin Philips een grote participatie had genomen. Toen Vink in Milaan aankwam, weigerde Van Eyk, die geen inmenging duldde, hem de toegang tot het bedrijf. Onder zware druk van Eindhoven moest Van Eyk inbinden. Hij nam ontslag onder het beding van een schadevergoeding van 25.000 gulden. Vink wist uiteindelijk de plooien glad te strijken en verzoende Philips en Mario Muggia en diens compagnon Jules Israel. Op 16 mei 1923 werd de Philips S.A. Italiana opgericht met als bestuurders Vink, Muggia en Israel.
Het personeelsaantal van 'La Lumière économique' loopt al snel op tot 100 man. De bureauchef Felix Van Hoof (wonende te Vorst, 282 av van Volxem) wordt op 29 september 1922 algemeen procuratiehouder. Hij mag de directeur bij diens afwezigheid vervangen voor zover het om daden van dagelijks bestuur gaat die niet kunnen wachten en niet meer bedragen dan 50.000 frank. Daarbuiten moet hij toelating krijgen van de gedelegeerd bestuurder of zijn volmachthouder, met inachtneming van alle bepalingen van de statuten en de richtlijnen aan de directeur. Het bedrijfspand wordt te klein. Om de voorraad op te kunnen slaan, wordt uitgeweken naar panden op Hooikaai/Quai aux Foins en Fabriekstraat/Rue des Fabriques. De heer G. van Mesdag, aandeelhouder en bestuurder, wordt op 30 juni 1922 vervangen door J.B. Vink, die aldus afgevaardigd bestuurder wordt. De heer H.L. Philips wordt opgevolgd door Jan-Hendrik Gaarenstroom (geboren te Nieuwenhoorn op 2 maart 1892), bestuurder van vennootschappen en in dienst getreden bij Philips op 1 augustus 1908 met een jaarloon van 1800 gulden. Beide aftredende bestuurders blijven wel aandeelhouder. Felix Van Hoof vervult wegens zijn procuratiehouderschap geen commissarismandaat meer. Het college van commissarissen bestaat alleen nog uit Adrien Boutkan.
Op de buitengewone algemene vergadering tot wijziging van de maatschappelijke benaming van de vennootschap, op 30 mei 1923 om 15.00 uur, zijn alle bestuurders vertegenwoordigd door de heer Van Hoof, voorzitter, die de heer Van Rillas, directeur van de vennootschap, als secretaris laat optreden. De vennootschapsnaam luidt nu "La lampe Philips, société anonyme".
Periode Vink (1922-1949) Op 21 augustus 1923 houdt de raad van bestuur een vergadering naar aanleiding van het ontslag van Van Rillas, die naar Frankrijk vertrekt, waar we hem (in 1929) terugvinden als directeur van de Franse verkoopmaatschappij "La Lampe Philips S.A.".
1924 Op 25 februari 1924 krijgt J.B. Vink volmacht van de raad van bestuur om te onderhandelen over de aankoop van een reeks gebouwen aan de Anderlechtstraat, Zespenningstraat en de Baardgang. De verhuis van Zwaluwstraat 17 naar de nieuwe lokalen in Anderlechtstraat 37-39 te Brussel ("anciennes usines Christiaens") is gepland voor 1 februari 1925.
Op 30 juli 1924 wordt een verkoopakte ondertekend ten overstaan van Raphael Rodenbach, notaris te Anderlecht, Avenue Clemenceau 16, door enerzijds het echtpaar Charles-Martin Christiaens, industrieel, geboren te Brussel op 12 november 1865 en zijn vrouw Hélène-Victoria Alexandrine Kaeckenbeeck, zonder beroep, geboren te Brussel op 21 maart 1867 en beiden verblijvend te Elsene, rue Paul Lauters, 63, getrouwd onder gemeenschap van aanwinsten volgens akte van 1893, en anderzijds 'La Lampe Philips', SA, vertegenwoordigd door Jacques Bartholomé Vinck (sic), gedomicilieerd te Etterbeek, avenue de Tervueren, 108.