Dickinsonia is een uitgestorven organisme uit het Ediacarium, ongeveer 558 tot 539 miljoen jaar geleden. Fossielen van dit levende wezen zijn gevonden in onder meer Australië, China, Rusland, Canada en Oekraïne. Het organisme had een afgeplat, ovaal lichaam dat tot meer dan een meter in lengte kon worden. Waarschijnlijk leefde Dickinsonia op de bodem van ondiepe zeeën, waar het zich voedde met algenmatten.

Al sinds de ontdekking in 1946 is Dickinsonia een van de meest besproken fossielen van de Ediacarische biota. In de loop der jaren is het organisme onder meer geïnterpreteerd als een kwal, een korstmos, een reusachtige protist of een vertegenwoordiger van een geheel uitgestorven levensvorm. Tegenwoordig wordt Dickinsonia meestal beschouwd als een dier of een nauwe verwant van de vroegste dieren, hoewel hierover nog geen sterke consensus bestaat.

Ontdekkingsgeschiedenis Dickinsonia werd in 1946 te Ediacara in Zuid-Australië ontdekt door de Australische geoloog Reginald Claude Sprigg (1 maart 1919–2 december 1994). Het genus werd in 1947 door hem wetenschappelijk beschreven in zijn paper : Early Cambrian (?) jellyfishes from the Flinders Ranges, South Australia. Sprigg noemde het fossiel naar Ben Dickinson, toen directeur van de mijnen in Zuid-Australië. Het raadselachtige fossiel zou het onderwerp worden van vele hypothesen over de systematische positie. Dickinsonia is een vertegenwoordiger van de wereldberoemde Ediacara Macrobiota, maar is niet het eerste genus ervan dat ooit ontdekt werd. Dat was Aspidella terranovica, in 1868 ontdekt door de Schotse geoloog Alexander Murray (2 juni 1810–18 december 1884). De volgende ontdekking van fossiele organismen die later ook als vertegenwoordigers van de Ediacara Macrobiota zouden herkend worden vond pas in 1933 plaats in Namibië door de Duitse geoloog/paleontoloog Georg Julius Ernst Gürich (25 september 1859-16 augustus 1938). In eerste instantie was Sprigg niet zeker van de ouderdom van Dickinsonia en de andere geslachten die hij in zijn paper beschreef. Maar na het verschijnen ervan streed hij vele jaren om de conservatieve geologen van die tijd ervan te overtuigen dat hij fossielen ontdekt had afkomstig van organismen die vóór het Cambrium leefden (vóór 538,8 ± 0,2 miljoen jaar geleden),INTERNATIONAL CHRONOSTRATIGRAPHIC CHART, International Commission on Stratigraphy, v 2023/09 en het bewijs vormen van de (toen) oudste bekende levensgemeenschappen grote en gevarieerde meercellige dieren (domein Eukaryota, rijk Metazoa = Animalia).

In zijn paper schrijft Sprigg dat hij in een fossielrijke horizont van de Pound Quartzite, een formatie met Precambrische gesteenten onder Cambrische kalksteen met Archaeocyatha (sponzen), fossielen in de vorm van indrukken op het gesteenteoppervlak ontdekt heeft. Sprigg is van mening dat ze bijna zeker afkomstig zijn van pelagische Coelenterata ('holtedieren'). Deze taxonomische term werd vervangen door het taxon Cnidaria (Hatschek, 1888), een phylum waartoe nu vijf klassen gerekend worden : Anthozoa (koralen en zeeanemonen), Cubozoa (kubuskwallen), Hydrozoa (hydroïdpoliepen), Scyphozoa (schijfkwallen) en Staurozoa. Hij beschrijft niet alleen de soort Dickinsonia costata maar ook nog vier andere, waardoor Sprigg de ontdekker van de Ediacara Macrobiota kan genoemd worden. Deze soorten zijn Ediacaria flindersi Sprigg (1947) dat hij toewees aan de stam Cnidaria (klasse Scyphozoa), Beltanella gilesi Sprigg (1947) waarvan hij vermoedde dat het ook tot de Scyphozoa behoort, Cyclomedusa davidi Sprigg (1947) dat hij aan de Scyphozoa toewees of aan de klasse Hydrozoa (stam Cnidaria) en Papilionata eyrei Sprigg (1947) waarvan hij vermoedde dat het een kwal was (stam Cnidaria, informele groep kwallen). Later werd de geslachtsnaam Papilionata echter als een junior synoniem van Dickinsonia beschouwd. Bij het beschrijven van Dickinsonia costata Sprigg (1947) stelt hij dat het zeer moeilijk is om deze soort te classificeren omdat hij geen enkel dier kent waarvan verwantschap met Dickinsonia kan aangetoond worden. Totdat nieuwe fossielen ontdekt worden met meer detail was het volgens Sprigg enkel mogelijk te stellen dat Dickinsonia waarschijnlijk een 'Coelenteraat' is.

Beschrijving

thumb|left|300px|Ontogenetische reeks van Dickinsonia costata, de meest voorkomende soort uit het geslacht in de Ediacara Sandstone Member van de Rawnsley Quartzite in de Ediacara Hills (Zuid-Australië). Schaalaanduiding = 10 mm. Naar Runegar (1982) en Wade (1972). Specimina Dickinsonia komen overvloedig voor in de Ediacara Macrobiota en vertonen een grote variabiliteit in grootte, wat er onder meer op kan wijzen dat er verschillende ontogenetische stadia vertegenwoordigd zijn (bv. Evans et al., 2017). Dickinsonia Sprigg (1947) is een van de meest karakteristieke en een van de meest bestudeerde geslachten van de Ediacara Macrobiota. Deze macrobiotaEen 'macrobiota' is een verzamelterm voor álle organismen die in een bepaald gebied/ecosysteem gevonden worden. 'Macro' refereert naar de gemiddelde grote lichaamsomvang van de soorten die deel uitmaken van dit gebied/ecosysteem. behoren volgens bv. Droser & Gehling (2015) tot de oudste bekende complexe en macroscopische organismen die levensgemeenschappen vormden. De oorspronkelijke morfologie van Dickinsonia kan door een veelheid aan factoren onduidelijk zijn, zoals onvolledige fossilisatie, grote korrelgrootte van het omvattende sediment, biostratinomische'Biostratinomie' omvat het onderzoek van de processen die plaatsvinden nadat een organisme sterft maar voordat het definitief wordt begraven (ingebed in sediment). Samen met necrologie en diagenese wordt het beschouwd als een hulpwetenschap van de wetenschappelijke discipline tafonomie. vervorming en exemplaren die verspreid over meerdere verschillende blokken sediment aangetroffen worden (Droser et al., 2020; Evans et al., 2015, 2017, 2019b).

Morfologie

De meest voorkomende soort is Dickinsonia costata Sprigg, 1947. Vergeleken met andere soorten heeft het een ovale vorm. De fossielen hebben een lengte van minder dan vijf tot meer dan achthonderd mm (Evans et al., 2017; Jenkins, 1992; Sprigg, 1947) bij een dikte van slechts enkele millimeters. Evans et al. gebruiken voor de beschrijving van de morfologie onder meer de termen anterior ('voorkant') en posterior ('achterkant') gebaseerd op de uit sporenfossielen afgeleide voortbewegingsrichting (Gehling et al., 2005), maar deze richting is volgens Evans et al (2019) onduidelijk bij opeenvolgende lichaamsindrukken, en volgens Retallack (2021) werden deze foutief als voortbewegingssporen geïnterpreteerd. Het lichaam van Dickinsonia heeft, buiten enkele zeldzame uitzonderingen, een middellijn die parallel loopt aan de lange lichaamsas (longitudinale lichaams-as). Het is verdeeld in talrijke relatief gelijkvormige compartimenten die naargelang de auteur afwisselend modules (bv. Evans et al., 2015) of segmenten (Retallack, 2007) worden genoemd. Hannibal & Pattel (2013) omschrijven de segmenten als repetitieve eenheden langsheen de lengte-as met anterior-posteriororiëntatie binnen de individuele eenheden. Volgens Evans et al. (2015) werd voor Dickinsonia zulke oriëntatie echter niet erkend zodat deze auteurs de omschrijving 'modules' verkiezen, zoals eerdere onderzoekers. Meerdere auteurs beschouwen een module als het volledige transversale (overdwarse) compartiment van het ene eind van de buitenrand van het lichaam over de middellijn naar het andere eind van de buitenrand (bv. Evans et al., 2023; Hoekzema et al., 2017; Jenkins 1992). Omdat het niet door de middellijn verdeeld wordt verschilt de voorste module (anterior most unit (AMU) of 'deltavormig gebied' (deltoidal region)) van de andere. Aan de 'achterkant' liggen de smalste modules (Budd & Jensen, 2015). Alle modules eindigen in een gladde goed gedefinieerde buitenrand. De totale lichaamslengte (total length (TL)) wordt gemeten parallel aan de middellijn en de totale breedte (total width (TW)) loodrecht daarop. De lengte en breedte van de AMU en van elke module worden bepaald op basis van de dichtstbijzijnde parallelle as. De modulelengte aan de buitenrand (module length outer margin (MLOM)) is typisch groter dan of gelijk aan de modulelengte aan de middellijn (module length at midline (MLM)). Om analyse van een groter aantal onvolledige exemplaren toe te laten, wordt de modulebreedte (module width (MW)) gemeten van de middellijn tot de buitenste rand, wat dus de helft van de totale modulebreedte is.

thumb|left|300px|Dickinsonia costata, morfologische terminologie. ANT = anterior ('voorkant'), AMU = voorste module of 'deltavormig gebied' (deltoidal region), MLM = modulelengte aan de middellijn, MW = modulebreedte, MLOM = modulelengte aan de buitenrand, POS = posterior ('achterkant'), TL = totale lengte, TW = totale breedte. Naar Sohail Wasif. Het is niet eenvoudig de dikte van het lichaam te reconstrueren. Variatie hierin wordt niet enkel bepaald door biologische factoren als gevolg van compactie en tafonomische variabiliteit. Er is geen bewijs dat zou aangeven dat tafonomische effecten grootte-afhankelijk zijn en veranderingen in dikte zijn onbeduidend ten opzichte van lengte en breedte van het lichaam. De in de fossielen bewaard gebleven lichaamsdikte van de soort Dickinsonia costata is karakteristiek minder dan een tot twee mm en zelden meer dan vijf mm. Dit wordt bevestigd door vroegere onderzoekers zoals Sprigg (1949) en Runnegar (1982).

Vroegere beschrijvingen die op relatief weinig exemplaren gebaseerd waren resulteerden in tegenstrijdige inzichten in de morfologie (Dzik & Martyshyn, 2015; Budd & Jensen, 2015; Gold et al., 2015; Gehling et al., 2005; Fedonkin, 2003). Onder meer Gold et al. (2015) en Gehling et al. (2005) zijn van mening dat de modules continu door de middellijn lopen waardoor Dickinsonia bilateraal symmetrisch was (tweezijdig symmetrisch) (bv. Gold et al., 2015). Volgens andere auteurs stonden de modules over het algemeen 'onder een hoek' alternerend langs de middellijn, resulterend in een glijdend symmetrievlakBij organismen met een 'glijdende symmetrie' ('glijdende reflectiesymmetrie') zijn de rechter- en linkerhelft van het lichaam relatief elkaars spiegelbeeld, maar ze zijn verplaatst ten opzichte van elkaar langs het symmetrievlak. Er kunnen aan weerszijden van de middellijn van het lichaam al dan niet een ongelijk aantal elkaar in serie opvolgende structuren zijn. (Brasier & Antcliffe, 2008). Budd & Jensen (2015) poneerden dan weer dat beide vormen voorkomen. Brasier & Antcliffe suggereerden in een paper uit 2008 dat de modules splitsen en samensmelten en dat het reliëf ervan verandert, Dzik & Martyshyn (2015) dat Dickinsonia een complexe inwendige structuur had. De seriële modules geven het lichaam een gesegmenteerde indruk. Maar volgens onder meer Evans et al. (2017) vertoont Dickinsonia zelden echte segmentatie. Onder meer Runnegar (1982) beschouwde Dickinsonia als een Annelide worm (rijk Animalia, onderrijk Eumetazoa, superstam Lophotrochozoa, stam Annelida), met de interpretatie van de middellijn als een 'darm' die een 'mond' in het deltavormig gebied met een 'anus' in het posterior gebied (de 'achterkant' of antideltoidal region) verbond. Onderzoek op honderden fossielen door Retallack (2007) kon geen spijsverteringsstelsel onderscheiden. Er is algemene consensus dat een spijsverteringskanaal, mond, anus of periproctEen periproct is het laatste lichaamssegment bij ringwormen (stam Annelida), waarop de anus zich bevindt. niet aanwezig waren (bv. Bobrovskij, 2019).

Groeiproces