thumb|North American B-25 Mitchell bommenwerpers van het No.18 (NEI) Squadron in formatie bij Darwin in 1943 No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron was een gecombineerd Nederlands-Australische bommenwerpersquadron in de Tweede Wereldoorlog onder operationeel commando van de Royal Australian Air Force (RAAF). Het squadron werd op 4 april 1942 als RAAF-squadron te Canberra opgericht als No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron RAAF. Reeds op 6 juli 1942 werd het ontbonden als een RAAF-squadron en werd het onderdeel van de Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, maar nog wel steeds onder RAAF-commando tot 15 januari 1946, toen het operationele commando overging naar de ML-KNIL. Na de onafhankelijkheid van Indonesië werd het materieel van de eenheid in 1950 overgedragen aan de Angkatan Udura Republik Indonesia (AURI), de luchtmacht van de nieuwe staat. Het squadron werd op 26 juli 1950 officieel opgeheven.
Detachement ML-KNIL in Australië Al voor de capitulatie van Nederlands-Indië werd personeel van de Militaire Luchtvaartafdeling van het KNIL (ML-KNIL) naar Australië gezonden. Zo kreeg het merendeel van de afdeling van W.F. Boot opdracht om naar Brisbane te vliegen om daar nieuwe B-25 Mitchells in ontvangst te nemen van Amerikaanse overvliegbemanningen. Het betrof hier een noodtoewijzing van 60 toestellen uit de lopende productie voor de Amerikaanse legerluchtmacht. De grootste groep personeel (43 man) vertrok op 14 en 15 februari 1942 naar het vliegveld Archerfield bij Brisbane. Dit was het zogenaamde detachement Boot. In dit detachement bevond zich onder meer ook vlieger Jan Lukkien die kort daarvoor op 13 januari 1942 bij een luchtgevecht met de Japanners bij Balikpapan gewond was geraakt. Het detachement vertrok verdeeld over vier Lockheed Lodestars van Andir bij Bandoeng (twee van de vier Lodestars vertrokken een dag later). De opdracht van Boot omvatte het overnemen van de eerste 14 Mitchells en het met deze toestellen zo spoedig mogelijk terugvliegen naar Java, waar de conversie van de afdeling zou worden voltooid. Aanvankelijk bestond het detachement uit 18 vliegers, 7 telegrafisten en 14 monteurs. De nieuwe Mitchell bommenwerpers waren al onderweg toen de groep van Boot te Archerfield aankwam. Voor de transitie te Archerfield dacht men ongeveer een week per overvliegbemanning nodig te hebben. De bestelde bommenwerpers werden echter niet op tijd geleverd. Boot zou later de eerste commandant van het op te richten 18 (NEI) Squadron RAAF worden.
Eind februari 1942 vertrok vanuit Java opnieuw een detachement van de ML-KNIL naar Australië. Dit detachement, onder leiding van Majoor Roos, had tot taak om in Australië een permanente organisatie van de ML-KNIL op te zetten voor de opleiding van personeel voor de nieuw te ontvangen vliegtuigen. Het eerste B-25-toestel arriveerde op 2 maart 1942, 6 dagen voor de capitulatie van Nederlands-Indië. De B-25 was een geheel nieuw toestel vergeleken met de Glenn Martin waarmee de ML-KNIL tot dan toe vloog. Door de snelle beëindiging van de strijd was Boot gedwongen in Brisbane te blijven. Het was de bedoeling van de bevelhebber van de ML-KNIL Van Oyen om Boot voorlopig squadroncommandant te maken totdat het geheel op operationele sterkte was gekomen. Aangezien het drukke vliegveld Archerfield niet geschikt was voor de oefenvluchten van de Nederlandse bemanningen werd het squadron naar Canberra overgeplaatst. Het detachement werd aangevuld met personeel van het Depot Vliegtuigafdeling van de ML-KNIL, dat grotendeels naar Australië was uitgeweken met Lockheed 12-toestellen en Lodestars.
Val Nederlands-Indië Vluchtelingenstroom uit Nederlands-Indië Eind februari – begin maart 1942 kwam er vanuit Nederlands-Indië een grote vluchtelingenstroom naar Australië op gang middels koopvaardijschepen van de KPM en vliegend materieel van de KNILM, KLM, ML-KNIL en de Marine Luchtvaartdienst (MLD) die voldoende vliegbereik hadden om Australië te bereiken. Het luchtvaartpersoneel dat Australië wist te bereiken was voornamelijk vliegend personeel en nauwelijks grondpersoneel, zoals monteurs en dergelijke. Na aankomst te Australië moest hun materieel afgestaan worden aan de geallieerden. In de weken die volgden wisten diverse vliegers op spectaculaire wijze Nederlands-Indië te ontvluchten. De Royal Australian Air Force (RAAF) nam de Nederlandse vliegtuigbemanningen op en bracht ze onder in een nieuw op te richten eenheid, No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron RAAF.
Aanval op Broome Broome was een tankplaats voor vliegtuigen, gelegen tussen Nederlands-Indië en de grotere plaatsen aan de Australische oostkust. Hierdoor kwamen vele Nederlandse vluchtelingen, afkomstig vanuit eilanden als Java, die waren ingenomen na de Japanse invasie, langs Broome. Door de ligging groeide Broome uit tot een belangrijke geallieerde militaire basis. Begin 1942, rond de Slag om Java, passeerden meer dan 1000 Nederlanders Broome, voornamelijk in watervliegtuigen. De Aanval op Broome was een luchtaanval op 3 maart 1942 door Japanse jachtvliegtuigen op de Australische plaats Broome, waarbij ten minste 88 personen werden gedood en een groot aantal geallieerde vliegtuigen werd vernietigd. Tachtig kilometer ten noorden van Broome werd ook op 3 maart 1942 een Douglas DC-3 van de Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaart Maatschappij neergeschoten door de Japanners. Dit vliegtuig vervoerde vluchtelingen vanuit Bandung en had voor een grote waarde aan diamanten bij zich. Vijf inzittenden verloren bij deze aanval hun leven. In het gehele gebied rondom Broome waren geen geallieerde jachtvliegtuigen aanwezig. Enkel luchtafweergeschut vanaf de grond kon de Japanse jachtvliegtuigen schade toebrengen. Een Japanse vlieger (Osamu Kudo) werd hierdoor gedood door de eerste luitenant van de KNIL Gus Winckel, die een 7,9 mm machinegeweer hanteerde.
Ontsnapping B-17 In de nacht van 4 op 5 maart 1942 vertrok Kok samen met de Amerikaanse vlieger Cherymisin vanuit Vliegbasis Andir naar Australië met een B-17 Flying Fortress. Beiden vliegers vlogen gewoonlijk op de Lockheed Loadstar en hadden nog nooit dit type vliegtuig gevlogen. Bij aankomst in Australië werd het toestel aan de Amerikanen overhandigd.
Evacuatie vips Op 3 maart 1942 vloog Kapitein Eddy Dunlop de PK-ALW naar een stuk van de in aanbouw zijnde Boeaba-toeweg buiten Bandoeng om daar te wachten op de komst van de Luitenant-Gouverneur-Generaal Dr. H. van Mook, die naar Australië geëvacueerd moest worden. Pas in de nacht van 7 maart om 01.00 uur, met zware gevechten op nog geen 15 km afstand, vertrok het laatste KNILM vliegtuig uit Indië met zijn VIPs die opgewekt een zitplaats op de grond van het vliegtuig accepteerden. Met bijzondere toestemming van de legercommandant vertrokken per vliegtuig (3 Lockheed Lodestars en een DC-3) naar Australië, samen met onder meer Dr. Van Mook, diverse hoge ambtenaren, legercommandant L.H. van Oyen, kapitein Jhr J.M.R. Sandbergh, kapitein D.C. Buurman van Vreeden, kapitein A.L.A. Coppens, luitenant-kolonel Prof Dr. Ir Otten (Hoofd TD) 1e luitenant voor Speciale diensten Mr. Creutzberg (Adjudant van Van Oyen), 1e luitenant-vlieger Simons van de afdeling 1-VL-G-V, 2e bestuurders-mitrailleurschutter Van der Touw, De Serriere, Guillaume, Ketting, en de sergeant-monteurs Van Limbeek en Versnel. Zoals tijdens de meeste evacuatievluchten van de KNILM was een lang touw door het midden van de cabine de enige houvast voor de passagiers. Na een vlucht van meer dan 7 uur arriveerde het vliegtuig veilig te Port Hedland in Australië. De DC-3 PK-ALW staat nu opgesteld in het Queensland Air Museum.
Ontsnapping Glenn Martin M-585 Eind februari 1942 was de eens zo machtige ML-KNIL-vloot van meer dan 95 Glenn Martin vliegtuigen gereduceerd tot 11 gevechtsklare toestellen. Daarnaast waren er nog 24 gevechtsklare jagers. Uiteindelijk wist slechts 1 Glenn Martin de tocht naar Australië te maken. Deze laatste bommenwerper, de M-585, stond op Vliegbasis Andir, voorzien van nieuwe motoren maar met een romp vol kogelgaten. Op de laatste dag van de strijd (Nederland capituleerde op 8 maart) vertrok het toestel om 00.50u met 9 personen aan boord voor een vlucht van ruim 7 uur naar Broome, met als tweede bestuurder luitenant Bertie Wolff, de latere Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten. Deze 9 personen waren: piloot luitenant Pieter van Erkel, luitenant Bertie Wolff en zijn echtgenote Thea Wolff, kapitein Simon Spoor (de latere legercommandant), kapitein G.L. Reinderhoff, luitenant-waarnemer R. van Loggem, sergeant Gerrit Hendrik Paalman, sergeant-telegrafist Timmermans en sergeant-monteur Pilger. Dankzij een extra brandstoftank en een gunstige staartwind kwamen ze aan met nog voor 30 minuten brandstof in de tank. Verstijfd van de kou, vanwege de vele kogelgaten, bereikten de inzittenden veilig Australië. Het toestel werd later verkocht aan de USAAF en gebruikt door een Amerikaanse generaal. (Toestelnaam: USAF B10 - serienr: 42-68358).
Eerste luitenant Pieter van Erkel is op 1 december 1942 omgekomen bij een instructievlucht met een Harvard AT-6A (41-367), samen met sergeant Van Schieven, tijdens slecht weer op vliegveld Vicksburg bij de RNMFS (Royal Netherlands Military Flying School) Jackson - Missippi (USA). Luitenant Gerrit Paalman is 21 november 1943 omgekomen bij een crash met een B-25 na een aanval op schepen bij Taberfane (Aru-eilanden|Aroe-eilanden). De overigen zijn na de overgave van Japan teruggegaan naar Java.
Ontsnapping Lockheed L2-12 Op 9 maart 1942 vertrok vaandrig vlieger-waarnemer Frederik Pelder met twee Australiërs, een Nieuw-Zeelander en een Canadees in een tweemotorige Lockheed L2-12 met registratienummer L-201 vanaf het vliegveld Pameungpeul aan de zuidkust van Java naar Sumatra. Het toestel stond gedeeltelijk vernield op het vliegveld. Via Medan en het vliegveld Lho-Nga bij Koeta Radja vertrok Pelder op 11 maart naar Colombo, waar hij na ongeveer 10 uur vliegen aankwam. Deze vlucht was om twee redenen bijzonder. De vlucht vond een dag na de capitulatie van Nederlands-Indië plaats, zodat Pelder tot de groep Engelandvaarders kon worden gerekend. Daarnaast kon de vlucht van meer dan 1500 mijl alleen worden gemaakt met een provisorisch brandstofsysteem waarbij extra brandstoftanks achter de cockpitstoel stonden vastgesjord. Met een handpomp werd regelmatig brandstof overgepompt naar de tanks van de L-201. Het toestel is later overgedragen aan de RAF in Brits-Indië. Pelder zou later naar Australië gaan om zich daar aan te sluiten bij de ML-KNIL aldaar.
No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron RAAF thumb|300px|rechts|Een formatie Mitchells van het 18 (NEI) Squadron in de buurt van Canberra Op 4 april 1942 werd te Canberra het No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron RAAF opgericht op de RAAF-vliegbasis Fairbairn. Het merendeel van het vliegend personeel was Nederlander, terwijl het grondpersoneel overwegend Australisch was. Dit had te maken met het tekort aan Nederlands grondpersoneel. Vanuit deze plaats aan Australiës oostkust opereerde het squadron tot eind 1942. Hoewel het squadron nog niet compleet was zette de RAAF de Nederlandse manschappen al snel in. Met succes voerden ze vluchten uit ter bescherming van de Australische koopvaardij.
Bevelsstructuur