Het wereldkampioenschap wegrace seizoen 1949 was het eerste FIM-wereldkampioenschap wegrace. Het seizoen bestond uit zes Grand Prix-wedstrijden in vijf klassen: 500 cc, 350 cc, 250 cc, 125 cc en zijspan 600 cc. Het seizoen begon op 17 juni met de TT van Man en eindigde met de Grand Prix der Naties op 4 september.

FIM Na de Tweede Wereldoorlog duurde het nog enkele jaren voordat er op Europees niveau weer met motorfietsen geracet kon worden. De oorzaak lag in de schade die verschillende fabrieken hadden opgelopen en in de beperkte beschikbaarheid van rubber voor banden en bruikbare, klopvaste benzine. Permanente circuits waren nog zeldzaam. Ook het Circuit van Drenthe en het Circuit de Spa Francorchamps waren nog stratencircuits en het Autodromo Nazionale di Monza was het enige permanente circuit op de kalender. De Fédération Internationale des Clubs Motocyclistes (FICM) moest haar regels gaan aanpassen aan de wensen van nationale bonden. Vooral de Britse Auto-Cycle Union drong aan op een verbod op het gebruik van compressoren en het verbieden van deelname door Duitsland. In 1947 was het Europees kampioenschap wegrace weer opgestart.

Merken/teams De Britse merken gebruikten veelal nog vooroorlogse racers en dat deden ook veel privérijders. De 500cc-klasse werd uitgevochten tussen Britse en Italiaanse merken, terwijl de 350cc-klasse Brits- en de lichtste klassen Italiaans gekleurd waren. AJS: AJS richtte zich vooral op de 500cc-klasse. Direct na de oorlog deed het dat nog met de AJS V4 met compressor, maar na het compressorverbod begon Joe Craig aan de ontwikkeling van de watergekoelde tweecilinder Sunbeam E90SSunbeam was net als AJS eigendom van Associated Motor Cycles zonder compressor. Deze machine kwam uiteindelijk als AJS E90 op het circuit, nadat ze door Matt Wright doorontwikkeld was en luchtkoeling had gekregen. Ze woog 140 kg en leverde ongeveer 50 pk. Daarmee was ze zwaarder en minder sterk dan de Gilera 500 4C, maar de AJS stuurde veel beter. Voor de 350cc-klasse had AJS een nieuwe racer ontwikkeld, de AJS Boy Racer. Deze machine ontstond omdat verkoopdirecteur Jock West vond dat er naast de 500cc-racer ook een 350cc-productieracer moest komen. De machine was nog grotendeels gebaseerd op de vooroorlogse AJS 7R en Eric McPherson, Reg Armstrong, Les Graham en Bill Doran legden het dan ook af tegen de Velocette KTT van Freddie Frith. Benelli: Ook Benelli had zich voor de oorlog toegelegd op een viercilinder 250cc-compressormotor, maar in 1949 kwam men uit met een 250cc-eencilinder met dubbele bovenliggende nokkenas, de Benelli 250 Bialbero. Dario Ambrosini won de GP des Nations en werd tweede in het wereldkampioenschap. BMW: De Duitsers waren nog uitgesloten van deelname aan de Grands Prix, maar op privébasis kwamen er toch enkele BMW's aan de start. Vooral Nederlandse coureurs gebruikten BMW R 51's: Hub Pellikaan, Piet Knijnenburg en Gerard Hoek. In de zijspanklasse gebruikte Roland Benz een BMW-blok, gebaseerd op de BMW R 66. Excelsior: Excelsior had geen fabrieksteam, maar enkele coureurs zetten in de 250cc-klasse nog vooroorlogse Excelsior Manxman's in. Mondial: Mondial was het beste voorbereid op de 125cc-klasse, die feitelijk nieuw was. De laatste keer dat deze klasse was verreden was tijdens het Europees kampioenschap van 1928 en ook de vervangende 175cc-klasse was in 1936 voor het laatst ingezet. Mondial had al in 1948 een nieuwe 125cc-viertakt ontwikkeld, de Mondial 125 Bialbero, terwijl de concurrentie zich nog richtte op tweetaktmotoren. Met Nello Pagani won Mondial dan ook de wereldtitel. Gilera: Gilera had al de Gilera Saturno Competizione, een 36pk-sterke eencilinder die in het wereldkampioenschap kansloos zou zijn (een Norton Manx leverde in 1939 al 50 pk). Daarom had men de viercilinder Gilera 500 4C ontwikkeld. Die leverde ook 50 pk maar woog maar 124 kg, terwijl de Norton 142 kg woog en de AJS E90 140 kg. Er ontstond echter onenigheid over het stuurgedrag van de machine tussen ontwerper Piero Remor en topcoureur Nello Pagani. Remor maakte de fout Pagani voor straf op de Saturno te laten beginnen, ten voordele van Arciso Artesiani, die wel de viercilinder kreeg. Directeur Giuseppe Gilera greep in, gaf Pagani zijn viercilinder terug en ontsloeg Remor aan het einde van het seizoen. Intussen was Pagani in de GP van Zwitserland kansloos geweest en dat kostte hem de wereldtitel. Morini: Morini haakte in op de viertaktontwikkeling van Mondial en bracht ook een eencilinder uit, maar Renato Magi en Umberto Masetti werden slechts tweede en derde. Moto Guzzi: Moto Guzzi had in 1939 de Moto Guzzi Albatros uitgebracht, een eencilinder met slechts twee kleppen die zowel als fabrieksracer als productieracer werd gebruikt. In 1947 had men Antonio Micucci opdracht gegeven een nieuwe fabrieksracer te ontwikkelen, de Moto Guzzi Bicilindrica 250, een peperdure machine met elektron remtrommels en carter, een hydronalium-frame, dubbele bovenliggende nokkenassen, twee cilinders en cilinderkoppen van aluminiumbrons. De machine bleek echter relatief zwaar en stuurde slecht. Daarom bleef het bij twee prototypen en greep Guzzi terug op de vertrouwde Albatros. Dat bleek terecht. Moto Guzzi won drie GP's, maar wel met verschillende coureurs: Bruno Ruffo, Manliff Barrington en Maurice Cann. MV Agusta: MV Agusta was nog niet het grote merk dat het in de jaren vijftig zou gaan worden. Nu richtte het zich op de 125cc-klasse, maar daarvoor gebruikte het nog de oude tweetaktracer die tot ca. 10 pk was opgevoerd. Carlo Ubbiali kwam niet verder dan de vierde plaats in het kampioenschap, achter de viertaktracers van Mondial en Morini. Norton: Norton had in 1949 nog geen fabrieksteam. We stelde men gratis machines ter beschikking aan Artie Bell, Harold Daniell en Johnny Lockett. Het waren nog de 350cc-Norton M40 en de 500cc-Norton M30 met het oude Garden gate frame, die het in de North West 200, de Manx Grand Prix en de TT van Man steeds goed hadden gedaan, maar daar kwamen de fabrieksracers van AJS en Gilera niet aan de start. Nu die concurrentie er wel was bleken de Norton Manx's tekort te komen. In de zijspanklasse hadden Eric Oliver en Denis Jenkinson geen problemen met het oude frame. Zij wonnen met hun Norton-Watsonian-combinatie de eerste twee GP's en waren daarmee al wereldkampioen. In de 250cc-klasse was Ronald Mead een buitenbeentje. Hij eindigde met zijn Mead-Norton op de derde plaats, maar deze machine moet een stukje huisvlijt zijn geweest. Norton had helemaal geen 250cc-racers en zelfs geen 250cc-toermachines. Velocette: Ernie Lyons, Freddie Frith en Ken Bills gebruikten in de 500cc-klasse de vooroorlogse Velocette MT 500, maar waren kansloos. In de 350cc-klasse was het heel anders. Daar werd de eveneens voorlogse Velocette KTT Mk VIII onklopbaar. Frith was er in 1948 al Europees kampioen mee geworden en won in dit jaar alle races.

Coureurs Maurice Cann reed slechts één Grand Prix, de Ulster Grand Prix, die hij ook won. Dat was opmerkelijk, want hij was in 1948 ook al Europees kampioen 250 cc geworden. Nu eindigde hij in het wereldkampioenschap slechts als vierde. Freddie Frith was met zijn Velocette KTT Mk VIII niet te kloppen. Hij was in 1948 al Europees kampioen 350 cc geworden en won niet alleen alle races in 1949, maar reed ook overal de snelste ronde. Dat hij het maximum puntenaantal met een half punt miste kwam doordat hij in de GP van België precies even snel was als teamgenoot Bob Foster. Les Graham had enorm veel geluk dat hij zijn AJS E90 in de TT van Man als tiende over de streep duwde. Daardoor werd hij geclassificeerd en telde zijn snelste ronde in die race. Het extra punt dat hij daarvoor kreeg leverde hem uiteindelijk de wereldtitel op. Ronald Mead eindigde het wereldkampioenschap 250 cc als derde met een Norton. Deze "Mead-Norton" had hij waarschijnlijk zelf aangepast, want Norton had nog geen 250cc-modellen. Eric Oliver en Denis Jenkinson hadden met hun Norton-Watsonian-combinatie geen enkele moeite met de concurrentie in de zijspanklasse. Oliver startte zelfs ook nog af en toe in een soloklasse. Journalist/schrijver Denis Jenkinson stapte in zijn zijspan omdat dat hem de mogelijkheid gaf te racen zonder financiële middelen. Nello Pagani was zeker wereldkampioen geworden als hij vanaf het begin de beschikking had gehad over de Gilera 500 4C. Hij had echter ruzie met constructeur Piero Remor die hem de eerste wedstrijd op de kansloze eencilinder Gilera Saturno liet rijden. In de 125cc-klasse had hij geen moeite met teamperikelen. Daarin reed hij voor Mondial, won hij twee van de drie races en werd hij wereldkampioen. Bruno Ruffo won maar één Grand Prix, maar scoorde ook nog een tweede en een vierde plaats en daarmee werd hij wereldkampioen 250 cc.

Overleden Op 13 juni verongelukte Ben Drinkwater tijdens de TT van Man. Op 17 juli verongelukte het zijspanduo Edouard Bruylant/Hurst tijdens de GP van België. Hurst overleed ter plaatse, Bruylant enkele dagen later in het ziekenhuis.

Puntentelling Punten werden vergeven aan de vijf best geklasseerde coureurs met een extra punt voor de finisher met de snelste ronde.  1e  2e  3e  4e  5e  snelste rondePunten:1087651

Aantal (tellende) wedstrijden In de 500cc-klasse werden zes, in de 350cc-klasse vijf, in de 250cc-klasse vier, in de 125cc-klasse drie en in de zijspanklasse drie wedstrijden gepland. Bij de 350- en de 500cc-klasse telden de beste drie resultaten, in alle andere klassen telden alle resultaten mee. RacesTellend125 cc33250 cc44350 cc53500 cc63zijspan33

Races Isle of Man TT Deze eerste WK-race werd bezocht door de hertog van Edinburgh, die het startsein voor de Senior TT gaf. De Italiaanse teams schitterden door afwezigheid. Hoewel er wel Britse en Ierse coureurs voor Moto Guzzi aantraden (zij kenden het circuit beter) bleven de Italianen Gianni Leoni, Claudio Mastellari, Bruno Ruffo en Bruno Bertacchini weg. Alleen Enrico Lorenzetti kwam naar Man. Gilera verscheen helemaal niet. Benelli stuurde Dario Ambrosini, maar Umberto Masetti bleef thuis. In de Clubman (amateur)-races debuteerden twee toekomstige kampioenen: Geoff Duke en Bill Lomas. GP van Zwitserland Omdat de Italiaanse teams het in de TT van Man grotendeels hadden laten afweten, was dit de eerste echte internationale ontmoeting van topteams en -coureurs sinds de wedstrijden om het Europees kampioenschap aan het einde van de jaren dertig. Er werd vooral veel verwacht van de viercilinder Gilera 500 4C, die sterker en lichter was dan de Britse Norton Manx. De Italianen hadden ook - meer dan de Britten - energie gestoken in de ontwikkeling van compressormotoren, maar die had de FICM verboden, waardoor dat werk waardeloos was geworden. Dutch TT De TT van Assen was pas de derde GP van 1949, maar leverde met Freddie Frith meteen de eerste wereldkampioen in de geschiedenis op. GP van België In de 350cc-klasse was Freddie Frith al wereldkampioen en de wereldtitel in de zijspanklasse werd hier beslist. Tijdens de zijspanrace verongelukten de Belgische coureur Edouard Bruylant en zijn Britse bakkenist Hurst. Ulster Grand Prix De Ulster Grand Prix week af van de overige GP's doordat alle klassen tegelijk reden. Daarom moest een aantal coureurs een keuze maken, omdat ze normaal in twee klassen reden. Het was ook de langste GP van de kalender, bijna 400 km voor de 500cc-klasse. In de 250cc-klasse kwam Maurice Cann voor het eerst aan de start. Dat was opmerkelijk, want hij was in 1948 Europees kampioen 250 cc geworden en was tweevoudig winnaar van de Lightweight TT. Freddie Frith won zijn vijfde WK-race op rij, maar eigenlijk zijn zesde GP op rij, want hij was in 1948 Europees kampioen 350 cc op het Clady Circuit geworden. GP des Nations