Paraxerus cepapi is een zoogdier uit de familie van de eekhoorns (Sciuridae). Het is een middelgrote soort met bruin-geel-grijze vacht op de rug, terwijl de buik grijswit is en de borst en poten een beige kleur hebben. Het gezicht heeft witte strepen zowel boven als onder de ogen en bruingele wangen. Hij heeft een lange, borstelige staart met onopvallende zwartachtige en bleke ringen. Hij eet voornamelijk bladeren, fruit en zaden, naast insecten, met name termieten. Hij is te vinden in open bossen en savannes met enkele bomen in zuidelijk Afrika, van West-Tanzania tot Zuid-Angola en Noord-Zuid-Afrika. Hij wordt als niet bedreigd beschouwd.

Beschrijving thumb|De wenkbrauwen, zijkanten van het gezicht, kin, keel, borst en binnenkant van de poten zijn helder wittig, terwijl de rest van de buikkant vuilwittig is. thumb|De staart is bossig behaard en heeft smalle maar duidelijke bleke ringen. De korte en zachte vacht van Paraxerus cepapi is over het algemeen grijsgeel van kleur, waarbij de punten van de individuele haren zwart zijn. De ledematen zijn vaak een rijker bleekgeel. De wenkbrauwen, zijkanten van het gezicht, kin, keel, borst en binnenkant van de poten zijn helder wittig, terwijl de rest van de buikkant vuilwittig is. De achterkant van de oren is bruin. De staart is iets korter dan de kop en romp samen, bossig behaard en heeft smalle donkere en bleke ringen. De vachtkleur en lichaamsgrootte variëren aanzienlijk binnen zijn verspreidingsgebied. Bij Paraxerus cepapi sindi is de buik minder grijzig, Paraxerus cepapi cepapoides heeft een meer roestig grijze rug, terwijl bij Paraxerus cepapi phalaena de rug juist lichtgrijs is. In Botswana zijn dieren in het noordwesten donkerder vergeleken met bleekgele individuen in het zuidoosten en bleekgrijze in de oostelijke Okavango. Albinisme is gemeld in Kruger National Park, Zuid-Afrika, en melanisme in Lake Kyle Recreational Park, Zimbabwe. Volwassen mannetjes van de ondersoort Paraxerus cepapi kalaharicus hebben een gemiddelde kop-romplengte van 17 cm, staartlengte van 16 cm, achterpoot van 4½ cm, oor van 2,0 cm en een lichaamsgewicht van 170 g. Volwassen vrouwtjes zijn even groot maar gemiddeld wat lichter met zo'n 150 g. Elders is het gemiddeld gewicht hoger tot wel 225 g. Vrouwtjes hebben drie paar tepels op de buik. Pasgeboren dieren wegen ongeveer 10 gram en zijn dun behaard. De ogen zijn gesloten en gaan pas open na ongeveer 8 dagen. Paraxerus cepapi vervangt de vacht twee keer per jaar. De voorjaarsrui begint in september en de herfstrui in januari. De rui verloopt van voor naar achter over het lichaam. De eerste rui start rond de leeftijd van ongeveer 6 weken en is voltooid op een leeftijd van 16-17 weken.

Anatomie De tandformule van de volwassen Paraxeres cepapi is , dat wil zeggen een snijtand, geen hoektand, twee valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en diezelfde elementen in de onderkaak behalve dat daar slechts een valse kies per kaakhelft aanwezig is. De bovenste snijtanden zijn bij volwassen dieren ongeveer 7 mm lang, korter dan de onderste snijtanden van ongeveer 1 cm.

Verschillen met verwante soorten De enige boomeekhoornsoort die in hetzelfde gebied kan voorkomen, is de roodstaarteekhoorn. De buik en staart van de roodstaarteekhoorn zijn roder dan de gele of gouden kleur van P. cepapi. P. cepapi heeft een kortere kop dan de roodstaarteekhoorn en is over het algemeen groter, hoewel roodstaarteekhoorn een hoger gewicht heeft (275-380 g), een iets langere staart (⁠20 cm) oren en poten.

Taxonomie Deze eekhoorn is voor het eerst wetenschappelijk beschreven op basis van dieren verzameld langs de Marico Rivier in het noorden van Zuid-Afrika door de Schotse arts Andrew Smith in 1836 en hij noemde de soort Sciurus cepapi. In 1943 werd de naam fout gespeld in een publicatie van de Britse zoöloog John Edward Gray, waarmee het synoniem Sciurus cepate is ontstaan. In 1893 meende de vanuit Zwitserland werkende zoöloog Charles Immanuel Forsyth Major dat deze soort voldoende afwijkt om in een eigen geslacht te worden geplaatst en daarmee creëerde hij de wetenschappelijke naam Paraxerus cepapi die nu gebruikelijk is. In 1880 stelde Édouard Louis Trouessart voor een groep eekhoorns van het Afrikaanse continent samen te brengen in het geslacht Funisciurus. In 1897 besloot Michael Rogers Oldfield Thomas de soort in te delen bij het geslacht dat Trouessart had voorgesteld, waarmee de nieuwe combinatie Funisciurus cepapi werd gemaakt. Oldfield Thomas onderscheidde een collectie eekhoorns afkomstig uit de omgeving van het Mwerumeer en noemde deze Funisciurus yulei in 1902. In 1908 beschreven Oldfield Thomas en Robert Charles Wroughton een variant uit Mozambique en gaven die de naam Paraxerus cepapi sindi. In 1909 onderscheidde Wroughton nog twee varianten, Paraxerus cepapi quotus uit Katanga en Paraxerus cepapi soccatus uit Malawi. De Zuid-Afrikaanse zoöloog Austin Roberts beschreef in 1926 dat een variant uit Ovamboland in Namibië die hij de naam Paraxerus cepapi phalaena gaf, in 1932 gevolgd door Paraxerus cepapi chobiensis van de oevers van de Chobe in Namibië, Paraxerus cepapi maunensis uit noordwestelijk Bostwana en Paraxerus cepapi kalaharicus van de westrand van de Okavangodelta, in 1946 Paraxerus cepapi cepapoides van de omgeving van Beira en Paraxerus cepapi bororensis ten noorden van de Zambezi, beide in Mozambique. Tot slot meende Momenteel worden er 10 ondersoorten erkend: P. c. bororensis, P. c. carpi, P. c. cepapi, P. c. cepapoides, P. c. chobiensis, P. c. phalaena, P. c. quotus, P. c. sindi, P. c. soccatus, en P. c. yulei. De soort wordt gerekend tot de orde van de Knaagdieren, onderorde Sciuromorpha, familie Sciuridae, onderfamilie Xerinae, stam Protoxerini, geslacht Paraxerus.

Naamgeving De naam Paraxerus is samenstelling van de Griekse woorden πᾰ́ρᾰ (pắră) dat dichtbij betekent en ξερός (xerós), het woord voor droog of dor, omdat soorten van dit geslacht in droge gebieden voorkomen. De soortnaam cepapi lijkt op sepêpê, de naam van het dier in het Tswana. Andere namen zijn onder meer bush squirrel, mopane squirrel en yellow-footed squirrel (Engels), geelpooteekhoring en boomeekhoring (Afrikaans), uBusinti, uBuhlula en isiKhale (Ndebele), sehlora (Noord-Sotho), tsindi (Shona), xindzi, maxidyani en sindyane (Tsonga), tshithura (Venda), unomatse (Xhosa), intshidane, ingwejeje en yasezihlahleni (Zoeloe) en kampanda (Swahili).

Gedrag Paraxerus cepapi brengt het grootste deel van zijn tijd door in bomen, waar hij behendig van tak naar tak rent en springt. Maar hij daalt ook af naar de grond om te foerageren. De dieren zijn alleen overdag actief, met pieken halverwege de ochtend en halverwege de middag en een rustperiode op het heetst van de dag. Op extreem warme dagen verlaten individuen hun nest soms helemaal niet. De dag begint vaak als de dieren die uit het nest komen en plat op een boomtak of -wortel gaan liggen zonnen. De dieren leven meestal in kleine groepjes, bestaande uit een mannetje, vrouwtje, bijna volwassen nakomelingen en jongen, maar kunnen ook solitair zijn. Groepen zijn vaak beperkt tot twee dieren voorafgaand aan de geboorte van de jongen, maar kunnen daarna oplopen tot zo'n twaalf. De gemiddelde groepsgrootte is vijf individuen. Groepsvorming is mogelijk een aanpassing die het doorkruisen van grote open gebieden veiliger kan maken. Bij koud weer in de winter kruipt een groep 's nachts dicht bij elkaar voor extra warmte. Groepsgenoten delen een nest, maken het schoon, markeren het territorium met afscheiding uit de anaalklieren, zoeken samen voedsel en jagen onbekende soortgenoten weg.

thumb|Verzorging van de vacht Bij het verzorgen van elkaar houdt het ene dier het andere met beide handen vast en worden de haren met de bek tegen de haargroeirichting in benaderd, wat ervoor zorgt dat de gehele haarlengte wordt schoongemaakt. Alle leeftijden verzorgen elkaar, behalve de meest ondergeschikte individuen. De allerjongsten worden gedwongen verzorgd. Jongen tot 1 maand oud verliezen vaak hun evenwicht als ze zichzelf verzorgen. Wanneer de dieren uit het nest komen, gaan ze naar hun gebruikelijke takken en blijven ofwel onmiddellijk roerloos liggen of verzorgen zichzelf even voordat ze roerloos in de zon gaan zonnen. Na ongeveer een kwartier, afhankelijk van het weer, verzorgen dieren zichzelf voordat ze anderen verzorgen, afgewisseld met zonnen. Tijdens winterochtenden duren verzorgingssessies langer dan in de warmere maanden. Gedurende de rest van de dag verzorgen dieren zichzelf vaker dan anderen. Verzorging is vermoedelijk belangrijk om zichzelf schoon en vrij van parasieten te houden, aangezien zeer jonge dieren die vaker worden verzorgd dan volwassenen, weinig parasieten hebben. Parasieten komen ook vaker voor op lichaamsdelen die moeilijk te verzorgen zijn zoals in de oksels, rond de anus, in en op de oren, en op de achterkant van het hoofd en de nek.

Sociaal gezien is verzorging een aanwijzing voor dominantie en helpt om geurstoffen over het hele lichaam te verspreiden en de groep een zelfde geur te geven. Groepsgeur speelt waarschijnlijk een belangrijke rol bij het identificeren en uitsluiten van vreemden en bij het samenhouden van de groep. Mannetjes verdedigen het territorium van de groep, maar de hele groep kan ook samenwerken door een roofdier te ontregelen en af te leiden. Paraxerus cepapi communiceert met zichtbare signalen, geur en geluid. Zichtbare signalen omvatten het opzetten van de haren, het zwaaien met de staart, het vernauwen van de ogen en het knikken van de kop. Geluid en zichtbare signalen kunnen worden gecombineerd, waarbij individuen hun oren bewegen, met hun voorpoten rukken en zich omdraaien of op en neer bewegen tijdens het roepen. Mannetjes kunnen hun balzak lichtjes optillen en laten zakken tijdens het roepen. Door de haren van de staart rechtop te zetten en met de staart te zwaaien vallen de kenmerkende strepen op de staartharen veel meer op dan wanneer een individu niet bezig is met communicatief gedrag. Staartzwaaien komt vaak voor tijdens het aanvallen van predatoren (mobbing). Staartzwaaien gebeurt sporadisch overdag, wanneer individuen niet in de open lucht zijn en hun aanwezigheid niet willen aankondigen. Bij het alarmeren worden de oren scherp naar achteren getrokken en maken ze klikkende geluiden, soms slechts eens in de paar klikken. Tijdens een reeks klikken worden de oren bij de eerste puls naar achteren bewogen en vervolgens tot het einde van de reeks getrild. Individuen gebruiken een "tsjir-tsjir-tsjir"-roep wanneer ze elkaar ontmoeten. Bij een ontmoeting met een ongevaarlijke waterfiskaal, klinkt soms een "tjook-tjook"-roep die andere individuen lijken te negeren. De voorpoten worden ook gebruikt om signalen te geven, door schokkerig te bewegen in gelijktijdig met de staart en het klikken. Wanneer een dier snel klikt, opent de bek zich wijd en beweegt het hele lichaam ook heen en weer bij elke puls, waardoor het individu opvallender wordt. Een witte ring rond elk oog maakt het samenknijpen van de ogen, vaak in uitingen van dominantie, meer opvallend. Een hoge alarmroep wordt gebruikt wanneer er gevaar dreigt. Andere soorten, zoals dwergmangoesten, reageerden op de alarmroepen van Paraxerus cepapi.