Het 321 (Dutch) Squadron RAF was een maritiem squadron dat op 1 juni 1940 te Pembroke Dock werd opgericht als onderdeel van de Royal Air Force (RAF) met personeel van de Marine Luchtvaartdienst (MLD) dat uit Nederland was ontkomen. Door een tekort aan personeel werd het squadron ontbonden en op 18 januari 1941 toegevoegd aan het 320 Dutch Squadron RAF. Het squadron werd op 15 augustus 1942 te Trincomalee, Ceylon, heropgericht met personeel van de MLD dat gedurende de Japanse invasie vanuit Nederlands-Indië naar Ceylon ontkomen was. RAF China Bay op Ceylon zou gedurende de hele Tweede Wereldoorlog de thuisbasis van het squadron blijven, met diverse detachementen in Afrika, India en de Cocoseilanden. Het squadron werd op 8 december 1945 te Batavia door de RAF overgedragen aan de Marine Luchtvaartdienst en behield haar nummer No. 321 Squadron MLD tot haar opheffing in 2005. thumb|PBY Catalina tijdens de landing op NAS Jacksonville tijdens WWII
Oprichting en ontbinding Op 1 juni 1940 werd het 321 (Dutch) Squadron RAF te Pembroke Dock opgericht, bestaande uit personeel van de MLD dat uit Nederland had weten te ontkomen. Het squadron werd op 28 juli 1940 overgeplaatst naar RAF Carew Cheriton en operationeel gesteld. Het squadron vloog kust- en anti-onderzeeboot patrouilles met Avro Ansons totdat ze werd ontbonden door gebrek aan personeel, om vervolgens op 18 januari 1941 aan het No. 320 Dutch Squadron RAF te worden toegevoegd.
Japanse inval van Nederlands-Indië Toen het niet doenlijk bleek verdere oorlogshandelingen te verrichten en de strijd van de Marine Luchtvaartdienst boven de Archipel voorlopig was gestaakt, gaf de Gouverneur-Generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer aan Admiraal Helfrich en een deel van zijn Staf opdracht, met het nog overgebleven deel van de Marine te evacueren en de strijd elders voort te zetten. Admiraal Helfrich besloot om door de lucht te evacueren. Een klein aantal Catalina's was namelijk nog aanwezig en lag verscholen in de bergmeren van het Javaanse binnenland. Hoofdoff.-Vl. W. van Prooijen werd er op 1 maart 1942 mee belast de vlucht, met alles wat daaraan was verbonden, voor te bereiden en zo vertrok om 06.00 uur in de morgen van de andere dag het hoge gezelschap - er waren 26 man aan boord - met bestemming Colombo. In de ochtend van 3 maart arriveerden drie Catalina's op Ceylon; een vierde machine had een noodlanding moeten maken in een kleine lagune, die de bemanning voor dit eiland had gehouden, maar dat achteraf Pondicherry bleek te zijn. Het onderhoud van de toestellen gebeurde aanvankelijk te Bangalore in India en wel door de Hindustan Aircraft Factory. Dit was een Amerikaanse firma, die met inheemsen werkte. Er werd nogal wat gesaboteerd en dit was dan ook de reden waarom het onderhoud zo'n tijd in beslag nam. De eerste verkenningsvlucht werd echter nog diezelfde maand ondernomen. Een Japanse vloot met vliegkampschepen viel namelijk op 5 en 9 april 1942 Colombo en Trincomalee aan en zo kwam er een gecombineerde Brits-Nederlandse tegenactie tot stand. Bij deze aanval gingen drie Engelse "Cats" verloren.
MLD-detachement Australië Intussen had een ander deel van de MLD Australië bereikt, maar door de Japanse aanval op Broome, gedurende welke aan Nederlandse zijde zes Do-24K's en vier Catalina's verloren waren gegaan, waren er nog maar vijf "Cats" en vijf Do-24K's overgebleven. Aan de in Australië aanwezige bemanningen werd opdracht gegeven naar Ceylon door te vliegen. Er gingen vijf Catalina's en voor de tweede maal vestigde de MLD een record, door met een van de vijf vliegboten de eerste non-stop-vlucht Australië-Ceylon - ongeveer 5300 km - te maken. De vier overige toestellen maakten een tussenlanding op Cocoseiland. De Do-24K's waren niet in staat dit traject in één ruk af te leggen, omdat hun vliegbereik te klein was, maar men had nog werk voor hen over. Zij werden verkocht aan de RAAF (Australische luchtmacht), behalve de X-24, die werd ingezet ten behoeve van de NEFIS- en NICA-vluchten (Netherlands Forces Intelligence Service en Netherlands Indies Civil Administration) tussen Australië en Nederlands-Nieuw-Guinea, Tanimbar-, Kai- en Aroeeilanden.
No. 321 (Dutch) Squadron heropgericht te Ceylon Na aankomst van de vijf "Cats" was het aantal toestellen te Koggala tot negen gestegen. De vier eerste stonden onder Nederlands administratief- en onder Engels operationeel commando. Er werd evenwel overeengekomen, dat de negen Catalina's een squadron zouden vormen. Dit kwam tot uitdrukking in een order van het Air Ministry, waarin bepaald werd, dat met ingang van 15 augustus 1942 een No. 321 (Dutch) Squadron werd heropgericht te Trincomalee met personeel van de MLD en dan te weten, dat het grondpersoneel op die datum uit nog geen honderd man bestond! Maar dit werd beter in september, toen een transport van ongeveer honderd man uit Australië arriveerde. Alle manschappen, die uit de handen van de Japanners hadden kunnen blijven, waren nu verenigd en opnieuw ingedeeld te Ceylon. thumb|China Bay op Sri Lanka gezien vanuit de lucht De RAF bracht het squadron vervolgens van Koggala naar RAF China Bay over, ongeveer 15 km van Trincomalee. Een klein detachement van zes vliegtuigbemanningen werd van Australië uit naar Amerika gezonden, om daar zes van de twaalf Catalina-amphibies, die reeds vóór de oorlog met Japan waren aangekocht, naar Ceylon over te vliegen. Opnieuw kwam er versterking in de vorm van een detachement grondpersoneel, dat was geworven uit de Prinses Irene Brigade. Deze militairen waren namelijk in India gestrand op weg naar Java. Ook ondervond men hulp van de Ceylonese, Singalese en Tamilse werkkrachten. Zij dienden als jongens in de messes, keukens, waren chauffeurs, of verrichtten koeliewerk. Buitengewoon veel gemak had men van vijftien voormalige Koninklijke Luchtvaart Maatschappij - en Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaart Maatschappij -employé's, die eveneens het squadron met hun technische kennis kwamen versterken.
In 1942 ontving het squadron zijn laatste versterking van ongeveer tachtig Indonesiërs. Dit waren merendeels matrozen en stokers van de koopvaardij, die dienden op schepen van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij. Toen zij in Brits-Indië aan land kwamen, gingen zij staken en vertelden nooit meer te varen of te vechten tegen de Japanners. De Britten maakten korte metten met hen en interneerden hen direct. Na twee jaren kregen de meesten er genoeg van en gaven zich vrijwillig op voor de functie van grondpersoneel van No. 321, echter met dien verstande, dat hun toegezegd werd dat zij nooit direct tegen de Jappen in actie behoefden te komen. Op deze wijze groeide het eskader tot circa vijfhonderd man, van wie 220 vliegend- en 280 man grondpersoneel. De vliegtuigbemanningen waren uitsluitend Nederlanders en het grondpersoneel bestond uit mensen van de Marine, Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (KLM), alsmede uit soldaten, Indonesische matrozen en stokers en verder uit de reeds eerder genoemde buitenlanders.
Werkplaats Te China Bay ondernam het squadron stappen om eigen werkplaatsen beschikbaar te krijgen, want men had zo goed als geen technische uitrusting. Er werd zelf gereedschap gemaakt en aangekocht in Ceylon, India en Australië. De RAF hielp waarmee ze maar kon, maar zij beschikte zelf ook maar over een klein gereedschapsmagazijn en weinig reserve-onderdelen. Er waren maar een paar werkplaatsen op Ceylon aanwezig. De chef technische dienst A. Everaars deed er alles aan om er een voor het squadron te realiseren. Probleem was echter dat de Nederlanders daar zelf voor dienden te zorgen. Dat waren de voorschriften van het Air Ministry. Men kneep van Engelse zijde echter een oogje dicht en stelden aan de Nederlanders een werkplaats beschikbaar. Dit gebeurde in maart 1943 en van die datum af werd het voor het technisch personeel gemakkelijker om de vliegtuigen in onderhoud te nemen en te reviseren.
Toen Air Chief Marshal sir Richard Pierce een bezoek aan het squadron bracht was hij onder de indruk van de operationele en technische prestaties. Hij regelde persoonlijk dat 321 Dutch een tweede werkplaats ter beschikking kreeg. Het was een hart onder de riem van de kleine groep mensen die onder moeilijke omstandigheden ver van huis en familie met vaak gebrekkige middelen aan de strijd om de vrijheid deelnamen.
Nieuwe Catalina's uit de Verenigde Staten, december 1942 Officier-vlieger Bastiaan Sjerp, tweemaal gedecoreerd met het Vliegerkruis, volgde met andere Marine Luchtvaartdienst vliegers vanaf 5 september 1942 tot november 1942 een opleiding op Amfibie-Catalina’s bij Corpus Christi (Royal Netherlands Military Flying School) in de Verenigde Staten. De eerste Catalina’s, waaronder één onder commando van Sjerp, vertrokken op 17 november 1942 van Corpus Christi om na een reis van bijna twee maanden in China Bay, Sri Lanka, aan te komen. In december 1942 arriveerden de eerste vijf van de zes Catalina's uit de Verenigde Staten; deze werden overgevlogen door Amerikaanse ferry-piloten. De zesde machine crashte bij het oversteken van Afrika. Zij werden gevolgd door nog eens zes toestellen; deze werden door de naar Amerika gezonden Nederlanders naar Ceylon gebracht, waaronder B. Sjerp.
Op dit tijdstip bestond de sterkte van het squadron uit de negen eerder vermelde Catalina-vliegboten en de elf nieuw aangekomen Catalina-amphibies. Het totale aantal man personeel bedroeg 350, van wie 160 vliegend- en 190 man grondpersoneel. De gewone Britse oorlogsbezetting van een Catalina-squadron van negen machines bestond uit 480 man, zodat de Nederlanders dus, indien zij twintig vliegboten zouden hebben, minstens met een sterkte van meer dan duizend man hadden moeten werken. De gereedheid bedroeg toen ongeveer zeventig procent, maar in maart 1943 kwam er een order van Air Vice-Marshal Sir Alan Leeds af, vermeldend, dat dit cijfer nog hoger moest worden opgevoerd, aangezien het onderzeebootgevaar schrikbarend toenam. In één week tijd kwamen toen 19 van de 20 toestellen in bedrijf, terwijl de laatste als reserve te China Bay werd verankerd. Het was te voorzien, dat die honderd procent gereedheid niet volledig gehandhaafd zou kunnen blijven.
Operaties van maart 1942 - 1 januari 1943 Gedurende deze periode werd er met negen "Cats" gevlogen en met 118 verkennings- en vier konvooi-escortevluchten; dit nam in totaal 2.222 vlieguren in beslag. Die verkennings-vluchten bestonden voornamelijk uit anti-invasie- en anti-onderzeebootpatrouilles in de Golf van Bengalen en de Indische Oceaan. De overblijvende anti-onderzeebootpatrouilles werden uitgevoerd boven de scheepvaart-wegen rondom India en Ceylon. Tevens werden er 1400 niet-operationele uren gevlogen ten behoeve van les- en oefenvluchten, alsmede research-vluchten. In totaal dus 3.622 vlieguren in 1942, waarvan de nu volgende vermeldenswaardig waren.
De eerste vijf Australië-Ceylonvluchten werden gevolgd door verschillende in omgekeerde richting. De ervaringen, die de Hollanders hiermede opdeden, waren van onschatbare waarde voor de naderhand door de Qantas Empire Airways uitgevoerde regelmatige luchtdiensten op dit traject. In november 1942 ging de Catalina Y-71 in vlammen op, tijdens een proefvlucht bij de Hindustan Aircraft Factory.
Op 20 december 1942, 24 februari 1943 en 21 maart 1943 werd door Off.-VI. Rijnders naar bezet Sumatra gevlogen op initiatief van de Britse Intelligence Service. De Catalina Y-57 landde in de omgeving van Sibolga en zette daar een 5 man sterkte Britse militaire missie aan land, met de bedoeling deze later weer op te halen. Op 24 februari respectievelijk 21 maart vloog de Y-57 tevergeefs terug naar het eiland Simaloer (Dalembaai) om de Britse party op te halen volgens afspraak op de geheime landingsplaats. Dit mocht niet gelukken, aangezien de gehele missie spoorloos verdween en van hen nooit meer iets is vernomen.
In oktober werd een detachement "Cats" te Mombassa in Afrika gestationeerd voor anti-onderzeeboot-patrouillevluchten.
Operaties in 1943