De Erneuerte Nassauische Erbverein (vernieuwde Nassause erfverdrag) is de verkorte naam die historici gebruiken voor het huisverdrag met de officiële naam Des Fürstlichen Gesamthauses Nassau im Jahre 1783 erneuerter Erbverein waarin alle meerderjarige mannelijke leden van het Huis Nassau onder andere de erfopvolging binnen hun familie regelden. Het verdrag is de opvolger van de Prima divisio uit 1255 en de alleen voor de Walramse Linie van het Huis Nassau geldende Nassauische Erbverein uit 1736. Het verdrag is nooit van toepassing geweest op de Nederlandse bezittingen van het Huis Oranje-Nassau of de troonopvolging in het koninkrijk der Nederlanden, maar is sinds 1815 wel van toepassing op de troonopvolging in het groothertogdom Luxemburg. Het verdrag werd in 2010 en 2011 gewijzigd. Die gewijzigde tekst werd in 2012 in de geconsolideerde tekst gepubliceerd.

Voorgeschiedenis miniatuur|links|Het wapen van het Huis Nassau Het oudst bewaard gebleven erfverdrag tussen leden van het Huis Nassau is de op 16 december 1255In Nederlandse bronnen wordt altijd de datum 17 december 1255 genoemd. In buitenlandse bronnen echter de datum 16 december 1255. De beschrijving op de officiële website koninklijkeverzamelingen.nl geeft de datum 16 december 1255. Gearchiveerd op 2 december 2022. op de Burcht Nassau gesloten Prima divisio tussen de broers Walram II en Otto I van Nassau. Daarbij werd het graafschap Nassau in twee gelijke delen verdeeld met de rivier Lahn als grens. Sinds die verdeling was het Huis Nassau verdeeld in twee linies: de Walramse Linie en de Ottoonse Linie, genoemd naar de beide stichters.

In het voor het Huis Nassau geldende erfrecht werd het graafschap beschouwd als het persoonlijk bezit van de graaf. Bij het overlijden van de graaf werd zijn bezit geërfd door al zijn zoons. Dit in tegenstelling tot het in andere landen geldende eerstgeboorterecht (of primogenituur) waar de oudste zoon alles erft. De zoons konden het geërfde land gezamenlijk besturen of tot verdeling in gelijke delen overgaan. Zowel het gezamenlijk bestuur van een land als het tot overeenstemming komen om een land in gelijke delen te verdelen, leverde vaak stof tot conflicten op. Zulke conflicten konden leidden tot successieoorlogen. In zowel de Ottoonse als de Walramse Linie kwamen zowel gezamenlijke regeringen als verdelingsverdragen regelmatig voor.

In de Ottoonse Linie bestond er sinds 1743 nog slechts één tak: het Huis Oranje-Nassau. De Walramse Linie bestond sinds 1735 uit drie takken: het Huis Nassau-Usingen, het Huis Nassau-Saarbrücken en het Huis Nassau-Weilburg. De hoofden van de takken uit de Walramse Linie sloten in 1736 een erfverdrag: de Nassauische Erbverein.

Het verdrag Verdragsbepalingen De Erneuerte Nassauische Erbverein werd in 1783 gesloten tussen prins Willem V van Oranje-Nassau en de vorsten Karel Willem van Nassau-Usingen, Lodewijk van Nassau-Saarbrücken en Karel Christiaan van Nassau-Weilburg nadat de onderhandelingen op een aantal conferenties hadden plaatsgevonden. Het verdrag had in totaal 48 artikelen. Het bevatte de volgende bepalingen: Het verdrag vervangt de Prima divisio uit 1255 (artikel 1) en bevestigt de Nassauische Erbverein uit 1736 overeenkomstig de uitleg in het onderhavige verdrag (artikel 2). I. Er is een eeuwigdurend huisverband met betrekking tot alle landen, waarbij de oorspronkelijke gemeenschap van het basisbezit van de oude stamlanden behouden moet blijven (artikel 3). De sinds 1255 nieuw verworven alsmede de in de toekomst te verwerven vrije rijkslanden worden in deze gemeenschap opgenomen (artikel 4), en deze gemeenschap geldt ook voor: de in de toekomst te verwerven privébezittingen (artikel 5); de in de toekomst door huwelijk te verwerven goederen (artikel 6); de door de niet regerende prinsen in de toekomst te verwerven goederen, waarbij de erfgenamen van de niet regerende prins van de regerende vorst een billijke schadeloosstelling zullen ontvangen (artikel 7). De Nederlandse heerlijkheden en het graafschap Spiegelberg vallen niet in de bovengenoemde gemeenschap (artikel 8). De regerende vorsten geven elkaar een overzicht van alle bezittingen, voor zover ze dat nog niet gedaan hebben (artikel 9). Het verbod op vervreemding van bezittingen (artikel 10-12). De regeling van schulden (artikel 13-18). II. Er is een eeuwigdurende vriendschap tussen alle vorsten uit het huis (artikel 19). De regeling van de oplossing van conflicten (artikel 20) en de bijstand in noodsituaties (artikel 21). De aanwijzing van de prins van Oranje als hoofd van het Huis Nassau (artikel 22) en de vorst van Nassau-Saarbrücken als hoofd van de Walramse Linie (artikel 23). III. De opvolging vindt plaats in de mannelijke lijn volgens het eerstgeboorterecht, er is voogdij over minderjarige regerende vorsten, er is de bevoegdheid van regerende vorsten om een testament te maken, er zijn voorzieningen voor de weduwen en dochters (artikel 24), en voor de overige prinsen uit het huis (artikel 25). De opvolging bij het overlijden van een vorst die geen zoons heeft (artikel 26), bij het uitsterven in mannelijke lijn van de huizen Nassau-Usingen en Nassau-Saarbrücken (artikel 27), het Huis Nassau-Weilburg (artikel 28), de Walramse Linie (artikel 29) en de Ottoonse Linie (artikel 30). Het bestuur van het land door de laatste vorst van een zijtak en voorkoming van misbruik door deze (artikel 31). De voogdij over minderjarige kinderen van vorsten (artikel 32) en het regentschap over de landen (artikel 33). De testamenten van vorsten, de geldigheid ervan, en het aanvechten ervan (artikel 34). Voorzieningen met betrekking tot de vorstelijke weduwen (artikel 35), de vorstelijke dochters (artikel 36 en 37), en het erven van allodiale bezittingen door dochters en hun erfgenamen (artikel 38-41). De opvolging indien het gehele vorstenhuis Nassau in de mannelijke lijn uitsterft (artikel 42). IV. De eeuwigdurende geldigheid van het verdrag (artikel 43). De toepassing van het verdrag op raadsheren en overige dienaren (artikel 44). De verplichting voor de onderdanen tot huldiging van de regerende vorsten (artikel 45). De invoering van een gelijkvormig gebed voor de vorsten in de kerken (artikel 46). De inbeslagname van mede-eigendom is toegestaan op grond van het verdrag (artikel 47). Bij woordbreuk door de ondertekenaars of hun erfgenamen is het hoogste rijksgerecht bevoegd (artikel 48).

Erfopvolging in het Huis Nassau volgens het verdrag Met de Erneuerte Nassauische Erbverein werd vastgelegd dat de erfopvolging in het Huis Nassau in het vervolg volgens het eerstgeboorterecht in de mannelijke lijn zou plaatsvinden (artikel 24). Het eerstgeboorterecht was voor de Walramse Linie reeds vastgelegd in de Nassauische Erbverein uit 1736, maar was nieuw voor het Huis Oranje-Nassau.

De overige bepalingen met betrekking tot de erfopvolging waren als volgt: Indien een vorst zou komen te overlijden zonder mannelijke nakomelingen, zou hij worden opgevolgd door zijn broer of diens mannelijke nakomeling. Bij ontstentenis daarvan zou de vorst worden opgevolgd door de mannelijke nakomeling van de dichtstbijstaande stamvader (artikel 26). Indien het Huis Nassau-Usingen in de mannelijke lijn zou uitsterven, zou hij worden opgevolgd door de vorst van Nassau-Saarbrücken en indien het Huis Nassau-Saarbrücken in de mannelijke lijn zou uitsterven, zou hij worden opgevolgd door de vorst van Nassau-Usingen (artikel 27). Indien het Huis Nassau-Weilburg in de mannelijke lijn zou uitsterven als er zowel een vorst van Nassau-Usingen als een vorst van Nassau-Saarbrücken was, zou het vorstendom Nassau-Weilburg in twee gelijke delen verdeeld worden, waarbij de vorsten van Nassau-Saarbrücken en Nassau-Usingen elk een deel zouden ontvangen (artikel 28). Indien de Walramse Linie in de mannelijke lijn zou uitsterven, zou de laatste regerende vorst worden opgevolgd door het hoofd van de Ottoonse Linie (artikel 29). Indien de Ottoonse Linie in de mannelijke lijn zou uitsterven, zou de laatste regerende vorst in diens Duitse bezittingen worden opgevolgd door de vorst van Nassau-Saarbrücken, ook als alle drie zijtakken van de Walramse Linie nog zouden bestaan (artikel 30). In het gehele Huis Nassau in de mannelijke lijn zou uitsterven, zou de laatste regerende vorst worden opgevolgd door zijn oudste dochter, en bij ontstentenis daarvan, door de oudste dochter van de dichtstbijstaande mannelijke agnaat (artikel 42).

Ondertekening van het verdrag De ondertekening van de Erneuerte Nassauische Erbverein vond achtereenvolgens plaats op 13 juni 1783 in ’s-Gravenhage door prins Willem V van Oranje-Nassau, op 23 juni 1783 in Kirchheim door vorst Karel Christiaan van Nassau-Weilburg, op 26 juni 1783 in Biebrich door vorst Karel Willem van Nassau-Usingen, en zijn broers de prinsen Frederik August en Johan Adolf, en tot slot op 30 juni 1783 in Saarbrücken door vorst Lodewijk van Nassau-Saarbrücken. Het verdrag werd op 29 september 1786 in Praag door keizer Jozef II bekrachtigd.

Ontwikkelingen na de sluiting van het verdrag Op 31 oktober 1791 vielen Franse revolutionaire troepen onder generaal Ligneville het vorstendom Nassau-Saarbrücken binnen. Op 13 mei 1793 vluchtte vorst Lodewijk met zijn vrouw en kinderen via Mannheim naar Aschaffenburg in het Keurvorstendom Mainz, waar hij in ballingschap ging. Daar overleed hij op 2 maart 1794. Nassau-Saarbrücken bleef bezet door Frankrijk. De aanspraken op het vorstendom werden na het overlijden van Lodewijk overgenomen door zijn zoon Hendrik en na diens overlijden door Karel Willem van Nassau-Usingen. Bij de Vrede van Lunéville op 9 februari 1801 werd het vorstendom door het Heilige Roomse Rijk afgestaan aan Frankrijk en hield het op te bestaan. Karel Willem van Nassau-Usingen werd bij het Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 gecompenseerd voor het verlies van Nassau-Saarbrücken.

Op 12 juli 1806 sloten de vorsten Frederik August van Nassau-Usingen en Frederik Willem van Nassau-Weilburg zich aan bij de Rijnbond en verenigden hun bezittingen tot het hertogdom Nassau dat ze gezamenlijk regeerden. Bij de toetreding tot de Rijnbond werd het hertogdom Nassau vergroot met o.a. een deel van de bezittingen van prins Willem VI van Oranje-Nassau. De vorstendommen Nassau-Dillenburg, Nassau-Diez en Nassau-Hadamar kwamen aan het hertogdom Nassau, het vorstendom Nassau-Siegen kwam aan het groothertogdom Berg.

Na de zich aftekenende nederlaag van Napoleon konden Frederik August en Frederik Willem door een tijdige wisseling van partij de soevereiniteit van hun land ook in de Duitse Bond redden. Bij de verdragen van 26 november 1813 (ontbinding van het groothertogdom Berg) en 14 juli 1814 kreeg Willem VI van Oranje-Nassau de vorstendommen Nassau-Diez, Nassau-Siegen, Nassau-Dillenburg en Nassau-Hadamar terug. Op 31 mei 1815 sloten het koninkrijk Pruisen, het hertogdom Nassau en koning Willem I der Nederlanden een verdrag tot ruil van bezittingen. Willem I deed afstand van zijn Duitse bezittingen, waarbij de vorstendommen Nassau-Dillenburg, Nassau-Diez en Nassau-Hadamar opnieuw aan het hertogdom Nassau kwamen, het vorstendom Nassau-Siegen kwam aan Pruisen. In ruil daarvoor ontving Willem I het hertogdom Luxemburg. Dit werd op 9 juni van datzelfde jaar bevestigd in artikel 67 van de Slotakte van het Congres van Wenen, waarbij Luxemburg werd verheven tot groothertogdom. In artikel 71 van deze slotakte werd de Erneuerte Nassauische Erbverein van toepassing verklaard op de troonopvolging in dat groothertogdom.Acte du Congrès de Vienne du 9 juin 1815. Gearchiveerd op 7 januari 2022. Sinds 17 oktober 1868 luidt artikel 3 van de grondwet van het groothertogdom Luxemburg: «La Couronne du Grand-Duché est héréditaire dans la famille de Nassau, conformément au pacte du 30 juin 1783, à l’art. 71 du traité de Vienne du 9 juin 1815 et à l’art. 1er du traité de Londres du 11 mai 1867.»