Johannes Marius ("Bok") de Korver (Rotterdam, 27 januari 1883 – aldaar, 22 oktober 1957) was een Nederlands voetballer. Hij was een van de eerste internationals en won met het Nederlands elftal tweemaal een bronzen medaille op de Olympische Zomerspelen: in 1908 in Londen en in 1912 in Stockholm. De Korver speelde zijn hele carrière voor Sparta, waarmee hij vijfmaal landskampioen werd.

Levensloop Jeugdjaren Johannes Marius de Korver werd in 1883 geboren aan de Oude Binnenweg 91 in Rotterdam, als tweede zoon van pakhuisknecht Engelbertus de Korver en huisvrouw Johanna van Ooijen. Zijn ouders waren in 1879 uit Den Haag verhuisd en openden twee jaar na de geboorte van Jo, zoals hij binnen het gezin werd genoemd, een winkel in ijzerwaren en huishoudelijke artikelen aan de Kruiskade. Op de plaats van de kleine winkel staat nu het Hilton Hotel.

De Korver leerde op straat voetballen met een tennisbal, waarmee hij met enkele vrienden op kleine terreintjes rond de Kruiskade en de Diergaardelaan oefende. Pas na de middelbare school (HBS) schreef hij zich op 17-jarige leeftijd in bij de kleine voetbalclub Constantia, die later zou opgaan in het grotere Volharding. De vereniging speelde op het Schuttersveld, evenals Victoria, Celeritas, Rapiditas en het grote Sparta. Veel van de kleinere clubs hadden te kampen met het feit dat Sparta een enorme aantrekkingskracht had op de voetballers en ook De Korver stapte in 1902 over naar de Kasteelclub. Deze overstap had deels te maken met het feit dat het eerste elftal van Volharding dat jaar was ingedeeld in een verre zuidelijke competitie zonder veel prestige. Op voordracht van de heren Konert, Buskop en De Meijere werd de verdediger op 29 september unaniem aangenomen als actief lid van Sparta door de ballotagecommissie.In The Winning Mood: Sparta & historie - In de geest van Bok de Korver (28 november 2007)

Sparta De Rotterdammer maakte de eerste bloeiperiode van Sparta aan het begin van de twintigste eeuw mee. Hij maakte zijn debuut voor het eerste elftal in een vriendschappelijk treffen tegen een team van Delftse studenten (D.S.V.V. "Ouwe Schoen"). Zijn eerste competitiewedstrijd vond plaats op 19 oktober 1902, tegen het Amsterdamse RAP, op dat moment een grote club in verval. Een uitspraak van zijn tegenstander verscheen in de kranten, wat opvallend genoemd mocht worden, aangezien sport in die periode amper de aandacht had van de pers. Volgens een speler van RAP had hij zijn handen volgehad aan de Rotterdamse heren, "want naast die toen al snelle Rein Boomsma, hadden ze me daar een knaap, Korvers of Korver of hoe die heten mag. Ik beloof je, die jongeman heeft wat in zijn mars. Daar zullen we meer van horen."

Al snel bleek deze tegenstander gelijk te krijgen. Onder leiding van De Korver, die door zijn conditie en wedstrijdmentaliteit door veel Spartanen als een natuurlijk leider werd gezien, verbeterden de prestaties aanzienlijk. Voor het seizoen 1903–1904 werd de dan pas 20-jarige verdediger tot aanvoerder benoemd. Toen er in 1908 een professionele trainer werd aangesteld, de Brit Edgar Chadwick (die daarnaast ook het Nederlands elftal coachte), reageerde Bok gelaten – hij had geen boodschap aan alle tactiekbesprekingen van de Engelsman en wilde liever gewoon voetballen. Terwijl onder de rest van de selectie almaar meer animo ontstond voor de intensieve trainingen en handige tips van Chadwick, liet diens aanpak De Korver koud. De invloed van de Engelsman op de prestaties van Sparta was echter duidelijk merkbaar; de club bleef groeien en de top van de divisie kwam dichterbij.

Gouden periode thumb|Kampioensfoto van Sparta uit 1913. De Korver is de tweede van links In 1907 verhuisde De Korver met Sparta van het Schuttersveld naar het sportterrein aan de Prinsenlaan, nabij het Kralingse Bos. Twee jaar later wordt de club voor het eerst in de historie landskampioen. Vele Rotterdammers vierden het kampioenschap mee: het was na het allereerste kampioenschap van Concordia de eerste keer dat een Rotterdamse ploeg de titel veroverde. In de decennia daarvoor was deze meestal naar een Haagse of Amsterdamse club gegaan. Het daaropvolgende seizoen won Sparta de Zilveren Bal, op dat moment het belangrijkste bekertoernooi. De club werd weliswaar tweede achter het Haagse HVV, maar in de daaropvolgende vijf jaargangen kon aanvoerder De Korver viermaal achtereen de beker omhooghouden. De belangrijkste wedstrijd voor de verdediger vond plaats op 19 mei 1912, op de laatste dag van het seizoen. De club had één punt nodig om kampioen te worden, maar gedurende een groot deel van de wedstrijd stond tegenstander Ajax met 1-0 voor. In de laatste minuut scoorde De Korver echter met zijn knie de gelijkmaker, waardoor de titel alsnog naar de Rotterdammers ging.

Tijdens deze gouden jaren was de verdediger de spil en spelmaker van de ploeg, die weliswaar als directe taak had om de midvoor van de tegenstander te bewaken, maar tegelijkertijd voor de opbouw zorgde en een vrije rol had op het veld. Voorafgaand aan een belangrijke wedstrijd tegen HVV in 1911 maakte trainer Chadwick echter duidelijk dat De Korver de hele wedstrijd bij de gevreesde jonkheer Constant Feith, de Haagse midvoor, in de buurt moest blijven. De Rotterdammer reageerde echter onwillig en zei: "Ik voetbal, want ik vind voetbal plezierig, ik voetbal niet om een tegenstander een wedstrijd lang te volgen." Hij koos er vervolgens voor niet te spelen, waardoor de technische staf zich gedwongen zag voor de spil van het tweede elftal te kiezen. De Korver had in de loop der tijd een dusdanige hoeveelheid krediet opgebouwd bij de Sparta-supporters dat hij zich een dergelijke actie kon veroorloven.

In 1913 werden zowel het landskampioenschap als de Zilveren Bal veroverd. Tevens werd De Korver, dan 30 jaar oud, uitgeroepen tot erelid van Sparta. Vanwege de dreiging van de aankomende Eerste Wereldoorlog werd hij het daaropvolgende seizoen gestationeerd in een garnizoen in Leerdam, waar hij werd toegevoegd aan het 35e bataljon 4e compagnie van de Landwachtinfanterie. Sparta, dat naast De Korver nog een aantal belangrijke spelers zag worden opgeroepen, wist de titel niet te prolongeren. Ondanks protesten van de secretaris van de club had de legerleiding namelijk geen boodschap aan competitieverplichtingen, waardoor de spelers een groot aantal wedstrijden misten. Wel toonde Defensie zich bereid een competitie binnen de strijdkrachten te organiseren. Het elftal van Bok de Korver, dat onder leiding stond van de heer Des Tombes, leverde goede prestaties binnen de twaalf teams tellende competitie. Het jaar daarop keerden de meesten echter weer terug naar Sparta en het kampioenschap werd heroverd op HVV.

Verval van de club Na 1915 zette echter het verval in. In 1916, het jaar waarin Sparta naar Het Kasteel verhuisde, werden nog de NOC-beker en het kampioenschap van de afdeling West veroverd, maar De Korver, een belangrijke spil binnen het elftal, was al halverwege de dertig en zijn conditie verminderde met het seizoen. Wel was zijn jubileum in 1918 – hij speelde zijn 350e wedstrijd voor Sparta – reden voor een groot feest en een jaar later, op 13 mei 1919, werd hij door de Rotterdamse Voetbalbond uitgeroepen tot erelid. De geboren Rotterdammer kon echter niet voorkomen dat zijn club in het seizoen 1920–1921 uit de hoogste divisie degradeerde. Mede door de winnaarsmentaliteit van de toen al 39-jarige De Korver wisten de Rotterdammers al binnen een jaar terug te komen. Tijdens een groot overwinningsfeest werden twee bronzen standbeelden onthuld ter ere van De Korver en voorzitter M.J. Overeynder. Het had echter weinig gescheeld of de verdediger had niet kunnen delen in de feestvreugde.

Aan de dood ontsnapt thumb|left|Krantenbericht uit juni 1922 in dagblad Het Vaderland over de situatie van De Korver In de zomer van 1922, vlak na de huldigingen, werd De Korver ernstig ziek. Hij bleek last te hebben van een verwaarloosde longontsteking, veroorzaakt door het roken van vele sigaretten en sigaren. Zijn situatie verslechterde snel en hij moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Een tijd lang was hij aan het bed gekluisterd en de Rotterdamse media berichtten vrijwel dagelijks over de publiekslieveling. Op de mededeling dat hij het mogelijk niet zou overleven, werd in het hele land geschokt gereageerd. Dankzij de hulp van dokter Koning en professor Snapper, die tevens scheidsrechter was, herstelde hij echter volledig.

Kort na zijn terugkeer maakte De Korver bekend binnen afzienbare tijd te willen stoppen met voetballen. Hoewel hij al 40 was, kwam de mededeling voor velen als een verrassing. Zijn laatste officiële wedstrijd speelde de verdediger op 18 maart 1923, toen Sparta in een uitverkocht Kasteel met 1-0 van Feyenoord won. Onder de toeschouwers waren een groot aantal hoogwaardigheids bekleders, die elk de laatste eer wilden bewijzen aan het clubicoon. De persaandacht voor zijn afscheid was nog vele malen groter dan die voor zijn jubileum vijf jaar eerder. Bij zijn vertrek had hij in totaal 21 jaar voor de Rotterdamse club gespeeld, langer dan wie ook. Voor onder meer deze verdienste werd hij vlak na zijn laatste wedstrijd benoemd tot erelid van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond.

Bestuurslid bij Sparta Nadat De Korver was gestopt met voetballen bleef hij actief binnen Sparta als bestuurslid technische zaken. In deze functie was hij tot 1944 verantwoordelijk voor het eerste elftal, wat hem de bijnaam de twaalfde man opleverde. Daarnaast was hij lid en later voorzitter van de Zilveren Bal-commissie, een trofee voor de beste speler. In 1951 reikte hij deze uit aan Rinus Terlouw, de eerste grote spelmaker bij Sparta na De Korver.

Al sinds het begin van de twintigste eeuw was de voormalig stervoetballer actief bij de Rotterdamse gemeente, waar hij in de loop der tijd was opgeklommen tot chef van het Bureau van Lichamelijke Opvoeding van de afdeling Onderwijs en Volksontwikkeling, een functie die hij op 1 september 1948 neerlegde om met pensioen te gaan: hij was op dat moment 65 jaar oud. Tijdens een afscheidsfeest op het stadhuis van Rotterdam kreeg hij van de Federatie van Nederlandse Journalisten een zilveren erepenning aangeboden. Vijf jaar later werd er door een comité onder leiding van NOC*NSF-voorzitter Karel Lotsy (achterneef van zijn voormalige ploeggenoot bij het Nederlands elftal Dirk Lotsij) een huldiging georganiseerd. Hij werd door het comité als volgt beschreven: "Bok de Korver is een bijna legendarische figuur geworden. Hij was een groot spil, die zijn weerga niet heeft gehad. Hij was een sportman in de beste zin des woords en door zijn spel een propagandist, aan wie het Nederlandse voetbal veel verschuldigd is."

Nederlands elftal De Korver behoorde tot de groep voetballers die werd opgeroepen voor de allereerste officiële interland van het Nederlands elftal, op 30 april 1905 in Antwerpen tegen België. Hij zou tot 1913 uitkomen voor Oranje.

Eerste interlands Samen met onder meer Dirk Lotsij, Eddy de Neve en Reinier Beeuwkes zorgde De Korver op 22-jarige leeftijd voor een 4-1-overwinning in de eerste interland in en tegen België. Ook voor de tweede wedstrijd werd hij door bondscoach Cees van Hasselt opgeroepen. Dit zou de eerste officiële internationale wedstrijd op Nederlandse bodem worden. De wedstrijd eindigde in een afgemeten 4-0 winst voor Oranje, De Korver maakte het eerste doelpunt. Het Rotterdamsch Nieuwsblad, organisator van de wedstrijd, beschreef het doelpunt als volgt:

Verstoten en teruggekeerd