Recusatie (Engels: recusancy), ook wel non-conformisme genoemd, was van 1593 tot 1650 het niet bijwonen van kerkdiensten van de Engelse staatskerk, de Kerk van Engeland. Recusatie was in de genoemde periode strafbaar voor alle onderdanen van de Engelse koning in Engeland en Wales. Iemand die zich schuldig maakte aan recusatie werd een recusant genoemd en kon bestraft worden met boetes, onteigening en gevangenisstraf. Het woord recusatie komt van het Latijnse recusare, hetgeen weigeren betekent, en refereert aan de weigering om zich te voegen naar de praktijken van de staatskerk. Recusatie kon vele oorzaken hebben, maar de belangrijkste oorzaak was onenigheid met de staatskerk over de theologische zaken en de vanuit gewetensbezwaren ingegeven weigering om de staatskerk te erkennen door aan haar praktijken deel te nemen.
Hoewel ook niet-anglicaanse protestanten recusanten waren, wordt de term vooral toegepast op rooms-katholieken die trouw bleven aan het kerkelijk leergezag van de paus in Rome. Zij waren veruit de grootste afzonderlijke groep onder de recusanten en het meest als zodanig herkenbaar. Protestantse recusatie wordt in de geschiedschrijving doorgaans aangeduid met de term non-conformisme en dergelijke recusanten met de term non-conformist of dissident (Engels: dissenter).
Rooms-katholieke recusatie De Reformatie in Engeland had een andere oorsprong dan in de rest van Europa, wat ook in het verloop ervan goed terug te zien is. De Reformatie in Engeland kwam niet voort uit een volksbeweging, maar werd van bovenaf opgelegd. Derhalve verliep de Engelse Reformatie langzaam, grillig en stapsgewijs.
In 1517 had Maarten Luther in Duitsland de Reformatie ontketend door 95 stellingen tot hervorming van de christelijke kerk op de deur van de universiteit in Wittenberg te slaan. Oorspronkelijk bedoeld om de Rooms-Katholieke Kerk van binnenuit te hervormen, bleken de tegenstellingen tussen de theologische opvattingen van Luther en de hervormers enerzijds en die van de katholieke kerkleiding anderzijds te groot en de hervormingsbeweging scheidde zich grotendeels af van de Rooms-Katholieke Kerk. Uit deze hervormingsbeweging kwam het lutheranisme voort. De Engelse koning Hendrik VIII was een groot tegenstander van de nieuwe leer en schreef zelfs het tegen de hervormers gerichte geschrift, Verdediging van de Zeven Sacramenten (Latijn: Assertio Septem Sacramentorum), waarvoor hij door paus Leo X beloond werd met de titel Verdediger van het Geloof (Lat.: Fidei Defensor). Echter was er al vanaf de middeleeuwen een spanning geweest tussen de Engelse koningen en de paus over de macht van de paus over kerkelijke, maar vooral wereldlijke zaken in Engeland. Deze spanning kwam opnieuw aan de oppervlakte toen de koning wilde scheiden van zijn vrouw Catharina van Aragon, die hem geen mannelijke erfgenaam geschonken had. De koning probeerde zijn huwelijk door de paus nietig te laten verklaren, maar gesteund door de Habsburgse familieleden van Catharina werd dit verzoek door de paus geweigerd. Ontevreden met de weigering van de paus en met het oog op het verkrijgen van de omvangrijke kerkelijke bezittingen, verklaarde Hendrik in 1534 de Engelse kerk onafhankelijk van de kerk van Rome, deze Kerk van Engeland tot staatskerk en zichzelf tot het hoofd ervan. Zijn belangrijkste minister was de befaamde humanist Thomas More, maar deze werd wegens hoogverraad geëxecuteerd omdat hij trouw wilde blijven aan de Rooms-Katholieke Kerk. De koning week in zijn theologische opvattingen nauwelijks af van de paus en hij bemoeide zich weinig met de theologie van zijn kerk. Hendriks nieuwe vrouw Anna Boleyn had mogelijk lutherse sympathieën. Dit was zeker het geval bij More's opvolger Thomas Cromwell en Cromwell kan dan ook worden gezien als het ware brein achter de Engelse Reformatie in theologische zin. In zijn theologische hervormingen werd Cromwell gesteund door de nieuwe aartsbisschop van Canterbury, Thomas Cranmer. De kloosters werden onteigend en verwoest. De bevolking bleef grotendeels katholiek en zag in de verwoestingen een aanval op geliefde religieuze praktijken. In Lincolnshire brak een katholieke opstand uit, de zogenaamde Pilgrimage of Grace, die werd neergeslagen. In 1540 viel Cromwell in ongenade en werd hij wegens hoogverraad terechtgesteld. De koning wilde nu zijn positie onder religieuze conservatieven consolideren en hield gedurende de rest van zijn regering een hervorming in protestantse richting tegen. Tijdens de heerschappij van Hendrik VIII kan de nieuwe Kerk van Engeland dus gekenschetst worden als zijnde onafhankelijk van het pauselijk leergezag, maar theologisch gezien goeddeels katholiek.
Hendrik trouwde in totaal zesmaal en stelde twee van zijn echtgenotes, Anna Boleyn en Catherine Howard, terecht voor hoogverraad. Zijn derde vrouw, Jane Seymour, stierf in het kraambed nadat zij Hendrik zijn erfgenaam Eduard had gebaard. Eduard werd protestants opgevoed en toen Hendrik in 1547 stierf, werd hij koning onder de naam Eduard VI. Nu kreeg de protestantse partij in Engeland de wind weer in de zeilen en Thomas Cranmer begon met een standaardisering van de anglicaanse theologie en vooral liturgie. In 1549 stelde hij het Book of Common Prayer samen, een gebedenboek dat de kern zou vormen van de nieuwe Anglicaanse liturgie. De publicatie van het boek stuitte op veel weerstand in het land omdat de nieuwe liturgie in plaats zou komen van de Heilige Mis en in Cornwall werd een opstand van rooms-katholieken neergeslagen. Koning Eduard was ziekelijk en de troonopvolging hing als een donkere wolk boven zijn heerschappij. Zijn halfzussen Maria en Elizabeth waren dochters van respectievelijk Catharina van Aragon en Anna Boleyn en waren aanvankelijk door Hendrik uitgesloten van de troonopvolging wegens het uit de gratie raken van hun moeders. Voor zijn dood echter had Hendrik beide weer, achter Eduard, opgenomen in de troonopvolging. Net als haar moeder was Maria rooms-katholiek, terwijl Elizabeth een aanhanger was van het nieuwe geloof. Maria had voorrang over Elizabeth, hetgeen de hervormers aan het hof zorgen baarde. Op 6 juli 1553 stierf de jonge koning op 15-jarige leeftijd. Onder zijn heerschappij had de Kerk van Engeland zich in protestantse richting ontwikkeld. Nu de koning was overleden probeerden de hervormers te voorkomen dat Maria aan de macht zou komen door een nicht van de koning naar voren te schuiven als koningin, Jane Grey. Haar claim op de troon was echter zwak en Maria verkreeg al snel steun van vooraanstaande edelen en het volk, waarna ze als Maria I aan de macht kwam. Jane Grey werd terechtgesteld. Maria draaide de hervorming terug en plaatste de Engelse kerk weer onder het pauselijk leergezag en benoemde bisschoppen die Romegezind waren. Het aantal protestanten was in aantal toegenomen en Maria begon hen onder beschuldiging van ketterij te vervolgen. Op buitenlands gebied was het Maria's bedoeling om de Engelse belangen aan te laten sluiten bij die van haar Habsburgse familieleden. Zij trouwde in 1554 met haar verre neef Filips II van Spanje. De Engelse adel en het volk keurden het huwelijk af omdat zij vreesden dat Engeland zijn zelfstandigheid zou verliezen aan het machtige Spanje. Tezamen met de protestantenvervolgingen leidde het huwelijk tot het tanen van Maria's populariteit. In 1558 overleed ze kinderloos aan eierstokkanker en werd ze opgevolgd door haar halfzus Elizabeth I. De Kerk van Engeland was onder Maria weer terug onder pauselijk leergezag geplaatst en was dus feitelijk opnieuw een kerkprovincie van de Rooms-Katholieke Kerk geworden.