Deze pagina geeft een overzicht van de geschiedenis van Kenia, van de prehistorische tot de moderne tijd.

Prehistorie Het eerste bewijs voor de aanwezigheid van een van de oudste voorouders van de mens werd in 1929 gevonden toen Louis Leakey bij Kariandusi in het zuidwesten van Kenia een handbijl vond met een geschatte ouderdom van een miljoen jaar. Ook werden er vele soorten van de eerste hominidae gevonden in het gebied. De waarschijnlijk oudste hominidea werd in 2000 gevonden door Martin Pickford en is naar schatting zes miljoen jaar oud. Het is het op-een-na oudste gevonden fossiel ter wereld.

De eerste moderne menselijke bewoners van Kenia waren jagersgroepen die verwant zijn aan de Khoisan. Hun lithische assemblages zijn bekend als het Eburrian. Vanaf tweeduizend voor Christus begonnen vanuit het noorden Koesjitisch-sprekende volken de regio binnen te trekken. Zij vestigden de culturen van het Savanne-pastoraal neolithicum en het Elmenteitan. Bantoe-sprekende groepen bereikten Kenia in de eerste eeuw v.Chr. en de eerste eeuwen na Chr.

Oudheid Vanaf de eerste eeuw na Christus deden ook steeds vaker Arabische handelaren de regio aan. In dezelfde periode vonden ook Griekse handelaren vanuit Egypte hun weg naar Kenia. Rond het jaar vijfhonderd begonnen zeevaarders de Perzische Golf over te steken. Ook vanuit Zuid-India en Indonesië waren er contacten met Oost-Afrika. Dit leidde tot de vestiging van een aantal commerciële handelsnederzettingen. Uiteindelijk ontstonden er verschillende Arabische en Perzische stadstaten langs de kust. Vanaf de achtste eeuw n.Chr. hadden de meeste stadsbestuurders de islam aangenomen als religie. De moslimhandelaren begaven zich nauwelijks in het binnenland. Alle goederen die zij nodig hadden, zoals goud, ivoor en slaven, konden door lokale mensen worden vergaard die het vervolgens doorverkochten.

Ontdekkingsreizigers De Portugese ontdekkingsreiziger Vasco da Gama bereikte Mombasa in 1498. Het doel van de Portugezen was de vestiging van verschillende marinebases om op die manier de zeggenschap over de Indische Oceaan te verkrijgen en de toegang tot de zeeroutes te verzekeren. De activiteiten van Portugal vonden vooral plaats rondom Mombasa. Na decennia van spanningen op kleine schaal werden de Portugezen uit Kenia verdreven door Arabieren uit Oman.

Onder leiding van sultan Sevyid Said ontstonden er aan het begin van de negentiende eeuw verschillende langeafstandsroutes voor de handel. Het droge noorden werd langzaamaan bevolkt door seminomadische pastoralisten. Door de Arabische kolonisatie kwamen de eens onafhankelijke stadstaten onder een strengere controle te staan dan voorheen.

Het gebied bleef onder Arabische controle totdat de Britten een toenemende interesse kregen voor het gebied. Dit was aanvankelijk omdat ze haar gebieden in Brits-Indië wilde beschermen. Ook arriveerden er steeds meer individuele handelaren in de regio, waardoor de monopoliepositie van de Omani werd ondergraven. De vraag naar Afrikaanse producten, zoals ivoor en kruidnagel, nam vanuit Europa steeds meer toe. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw ging Groot-Brittannië zich steeds actiever inzetten om een einde te maken aan de slavernij. Op zee werd het vervoer van slaven onmogelijk gemaakt. Bovendien werd de Britse interesse in het gebied groter door de toenemende Duitse invloed in de regio. Groot-Brittannië wilde de Duitsers voor zijn.

Halverwege de negentiende eeuw vonden ook steeds meer zendelingen en ontdekkingsreizigers hun weg naar Afrika. De eerste zendingspost werd op 25 augustus 1846 gesticht door de Duitser Johann Ludwig Krapf. Hij werd gesteund door de Church Missionary Society of England en vertaalde de Bijbel in het Swahili.

Oost-Afrikaanse protectoraat (1895-1963) thumb|420px|Kaart van Kenia uit 1911 De Imperial British East Africa Company verkreeg in 1887 tweehonderd kilometer van de kuststrook van Kenia van het Sultanaat Zanzibar. Dit gebied ging 16 kilometer landinwaarts. De Britse regering nam in 1895 het beheer vanwege financiële problemen over en claimde het gebied tot aan Lake Naivasha. Daarmee was de vorming van het Oost-Afrikaanse Protectoraat een feit. De grens werd in 1902 verlegd tot aan Oeganda en in 1920 kreeg het gehele gebied, behalve de oorspronkelijke kuststrook, de status van kroonkolonie. De nieuwe machthebbers werden incidenteel geconfronteerd met verzet van de bevolking die het niet eens was met de plannen.

Veel Britse migranten gingen wonen in de Grote Slenk en de omliggende hooglanden. Zij begonnen massaal met het verbouwen van koffie waarbij zij sterk leunden op de werkkracht van de lokale bevolking.

De trein deed ook zijn intrede in Kenia. De eerste spoorweg werd gebouwd in 1895. Deze liep van Mombasa naar Kisumu en was een onderdeel van de Uganda Railway. Percy Girouard, de Britse gouverneur, liet vervolgens een spoorweg bouwen van Nairobi naar Thika en van Konza naar Magadi. Voor de bouw van de spoorwegen werden meer dan dertigduizend werkers vanuit Brits-Indië naar Kenia gehaald. Veel van hen bleven daar wonen. De spoorweg opende ook de weg naar het binnenland. Daardoor trokken steeds meer Europese boeren, bestuurders en zendelingen naar het binnenland. Dit ging soms wel gepaard met spanningen met de lokale bevolking. Ook nam de controle van het Britse bestuur over het binnenland toe. Dit vertaalde zich in overheidsprogramma’s die wat probeerden te doen tegen hekserij, ziekten, slavernij en het tekort aan voedsel in sommige delen van het land.

De nieuwe blanke kolonisten wilden ook meer zeggenschap. Dit kregen ze deels in 1907 doordat er een wetgevende vergadering werd ingesteld. De meeste macht bleef echter in handen van de gouverneur. De kolonisten wilden daarom dat Kenia omgevormd werd tot kroonkolonie, zodat zij meer bevoegdheden zouden krijgen. Dit doel bereikten zij in 1920. De Wetgevende Raad kreeg daardoor meer macht. Zij bestond wel geheel uit blanken. Zwarte personen waren uitgesloten. De eerste werd pas in 1944 toegelaten tot de raad.

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog sloten de gouverneurs van het Oost-Afrika Protectoraat en Duits-Oost-Afrika een wapenstilstand omdat zij de jonge koloniën zoveel als mogelijk uit het conflict wilden houden. De Duitse luitenant-kolonel Paul von Lettow-Vorbeck gaf leiding aan de Duitse troepen en begon een guerrillaoorlog. Daarin was hij zeer effectief. Op deze manier wilde hij zo veel mogelijk Britse troepen vasthouden in Afrika, zodat zij niet in Europa inzetbaar waren. Voor de strijd tegen de Duitse luitenant-kolonel haalden de Britten een deel van het Indian Army naar Kenia. Zij beschikten over een zware uitrusting en moesten zich ver in het binnenland verplaatsen. Voor dit werk werd het Carrier Corps opgericht, waarin meer dan vierhonderdduizend Afrikanen meehielpen. Daardoor nam ook hun politieke bewustzijn toe.

Na de Eerste Wereldoorlog ontstonden de eerste nationalistische bewegingen in Kenia. Dit was mede een gevolg van de lage lonen, de hoge belastingen en de nieuwe instroom van kolonisten die allemaal land innamen. Onder leiding van Archdeacon Owens werd de Piny Owacho (Vertaling: Stem van het Volk) gevormd. In 1921 werd door Harry Thuku de "Young Kikuyu Association" gevormd.

Rond 1930 woonden er ongeveer dertigduizend blanke kolonisten tegenover ongeveer een miljoen zwarte Kenianen. Deze hadden vaak geen aanspraak op land en leefden daarom vaak als rondtrekkende boer. Om de economische belangen van de kolonisten te beschermen stelde de Britse regering een verbod in op het verbouwen van koffie. Dit leidde tot een massale vlucht naar de steden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Kenia een belangrijke militaire basis van waaruit de Britten expedities organiseerden naar Italiaans-Somaliland en Ethiopië. Bijna honderdduizend Kenianen namen dienst in het leger. Dit droeg bij aan het toenemende nationalisme en de vorming van een middenklasse. Als gevolg van de toenemende druk stelde het Britse bestuur steeds meer posities open voor Afrikanen. Ook werd het Kenianen bijvoorbeeld weer toegestaan om koffie te verbouwen.

Weg naar onafhankelijkheid Van 1952 tot 1956 vond de Mau Mau-opstand plaats. Deze richtte zich direct tegen de koloniale regering. Niet alle Kenianen waren daar blij mee. Zo nam Harry Thuku, een van de belangrijkste leiders van de nationalistische beweging, publiek afstand van de beweging. De Britten doodden meer dan vierduizend opstandelingen. De nationalistische leider Jomo Kenyatta werd er van beschuldigd leiding te hebben gegeven aan de opstand. Hij ontkende dit, maar werd toch opgesloten.

De nationalisten begonnen steeds meer aan te dringen op verkiezingen volgens een systeem van "een man, een stem". De Europese en Aziatische minderheden waren daar echter op tegen, omdat zij vreesden dan nauwelijks meer vertegenwoordigd te zijn. In 1960 werd er in Londen toch een akkoord gesloten tussen nationalisten en Michael Blundell, leider van de Engelse kolonisten van de New Kenia Group. In aanloop naar de verkiezingen werd onder leiderschap van James S. Gichuru en vakbondsleider Tom Mboya de Kenya African National Union (KANU) gevormd. Een scheuring binnen de partij leidde tot de vorming van de Kenya African Democratic Union (KADU) met aan het hoofd R. Ngala en M. Muliro. Bij de verkiezingen won KANU 19 van de 33 beschikbare zetels en KADU 11. Twintig zetels waren gereserveerd voor de Europese, Aziatische en Arabische minderheden. Kenyatta werd in augustus 1961 vrijgelaten en werd de nieuwe president van KANU.

Onder leiding van Tom Mboya was er in 1959 een programma ontstaan waarbij talentvolle jongelingen een universitaire opleiding konden volgen in de Verenigde Staten. Er was op dat moment geen universiteit in Kenia. Een jaar later besloot de Amerikaanse overheid door toedoen van senator John F. Kennedy het programma grotendeels te financieren. Wangari Maathai, de eerste Afrikaanse vrouw die de Nobelprijs voor de Vrede ontving, was een van degenen die deelnamen aan dit programma.

Onafhankelijkheid Kenia onder Kenyatta (1963-1978) thumb|420px|Jomo Kenyatta Onder leiding van Kenyatta werd er een coalitieregering van KANU en KADU gevormd. Deze stelde een nieuwe grondwet in, waarbij er voortaan sprake zou zijn van een tweekamerstelsel. Het land werd verdeeld in zeven autonome regio’s met elk een eigen parlement. Ook vervielen de gereserveerde zetels voor de verschillende etnische minderheden. In mei 1964 werden er opnieuw verkiezingen gehouden die gewonnen werden door KANU. De nieuwe regering streefde naar onafhankelijkheid. Op 12 december 1963 werd Kenia een onafhankelijk koninkrijk met de Britse koningin Elizabeth II als staatshoofd. Kenyatta werd premier. In 1964 werd de Republiek Kenia uitgeroepen. Kenyatta werd de eerste president. De meeste blanke kolonisten werden uitgekocht door de Britse regering en verlieten het land. Ook een groot deel van de Indische minderheid verliet het land, namelijk 120.000 van 176.000. Zij hadden meestal een Brits paspoort en de meesten vertrokken naar het Verenigd Koninkrijk.

Na de onafhankelijkheid veranderde Kenyatta radicaal van politiek. De plantages werden opgebroken en verdeeld onder de boeren. Daarbij werden stamleden van de Kikuyu en hun bondgenoten de Embru en Meru bevoordeeld. Rond 1978 hadden deze stammen, die samen ongeveer dertig procent van de bevolking vertegenwoordigden, het grootste deel van de rijkdom in handen.