De bundel Pathodia sacra et profana bevat composities van de geleerde en componist Constantijn Huygens.
Uitgave In 1647 is de ons bekende versie van de Pathodia sacra et profana gedrukt. De bundel bevat 39 composities voor zangstem en basso continuo: twintig psalmen en negentien "airs", waarvan twaalf op Italiaanse gedichten en zeven op Franse. Het eerste woord in de titel, "pathodia", wordt door de musicoloog Rudolf Rasch beschreven als een 'Huygeniaans neologisme', een samentrekking van 'pathos' (gevoel, hartstocht) en 'odè' (gezang). Dit woord lijkt een verwantschap aan te geven met Joan Albert Bans musica flexanima.
Op de titelpagina ontbreekt de naam van de componist. In plaats daarvan staat er het cryptische "occupati", meestal vertaald als "van een drukbezet man". Hiermee geeft Huygens aan dat hij geen beroepsmusicus is; in het dagelijks leven vervult hij een 'functie voor het openbaar nut". Als heer van stand zal Huygens het niet gepast hebben gevonden onder eigen naam een bundel muziek uit te geven. Maar mogelijk zit er nog iets anders achter. In juni 1638 stuurt Huygens een brief van Mersenne aan Ban. De brief in kwestie was al enige tijd in zijn bezit, maar hij was er nog niet aan toegekomen deze door te sturen. Huygens verontschuldigt zich als volgt:
"Verontschuldig dus, zoals u pleegt te doen, 'de drukbezette man door wie (zoals te lezen valt bij de klassieken), wat door iedereen beaamd wordt, geen enkele zaak tot een goed einde gebracht kan worden, wanneer een afgeleide geest niets dieper ontvangt, maar alles als opgedrongen weer verwerpt.' Seneca heeft het, als ik me niet vergis, zo verwoord: maar wij hebben de boeken hier niet bij de hand." ("Excusa igitur, ut soles, 'hominem occupatum, à quo (ut apud veteres legitur) inter omnes convenit nullam rem bene exerceri posse; quando districtus animus nihil altius repetit, sed omnia velut inculcata respuit.' Seneca sic, ni fallor, pronunciavit: nam libris hic non sumus instructi.") In: Rudolf A. Rasch, "Biografische verbindingen in Constantijn Huygens' Pathodia sacra et profana (1647)." De Prate-banck 7-1 (2002): 10-16. Huygens citeert hier Seneca, De brevitate vitae 7.3. (brief aan Ban uit 1638).
Het is mogelijk dat Huygens zich door het gebruik van het woord 'occupati' probeert in te dekken tegen eventuele kritiek: wanneer hij fouten maakt, moet men hem dit maar niet kwalijk nemen, hij is tenslotte geen beroepsmusicus.
Psalmen De Pathodia begint met de psalmen. Deze zijn opgedragen aan Utricia Ogle, "nostra Siren". De opdracht is ondertekend met Constanter, ook hier komt Huygens' volledige naam niet voor. Na de opdracht volgt een waarschuwing waarin Huygens de musici verzoekt evenveel moeite te doen voor de uitvoering als hijzelf heeft gedaan bij het componeren van de psalmen:
"Als u, Christen, zich met deze heilige gezangen bezighoudt, bid en smeek ik u de geest met hand en stem in te zetten, gedachtig aan de verhevenheid van het affect. Net zoals het voor mij tamelijk moeilijk is geweest dit te bereiken met muzikale intervallen, zo zal het voor u verreweg het moeilijkst zijn dit te ontdekken, tenzij u een pas [= tempo] bereikt overeenkomstig de waardigheid van het onderwerp en, zoals de ouden zeiden, het volste van de tijden op beheerste wijze gebruikt, dat wil zeggen: 'Dat het vertragingen aan de samengestelde melodie verbindt en zichzelf met een tragere uitvoering ophoudt.' Met in de regel deze middenweg, zoals tussen datgene wat genoteerd is en de aandrang van een gezang in de volkstaal, moet u als het ware het midden houdend voortgaan: omdat dit niet precies met muzikale symbolen uitgelegd kon worden, achtte ik het noodzakelijk u in geschrifte te waarschuwen. Dit had ik zeker kunnen doen met een citaat, en wel een Koninklijk citaat als ik verordend zou hebben: Zing uw psalmen met begrip.[in de marge: Psal. 47, 8]" (Pathodia 1647, "Cautio". Huygens citeert hier vrij naar Martianus Capella: "[...] περίπλεα uero quae amplius quam decet moras compositae modulationis innectunt seque ipsa tardiore pronuntiatione suspendunt." Martianus Capella. De nuptiis Philologiae et Mercurii. Liber IX. Ed. Lucio Cristante. Padova: Antenore, 1987. 158, § 973.)
Het uitdrukken van affecten in muzikale intervallen is volgens Huygens zeer moeilijk, en de uitvoerende zal wellicht niet in staat zijn de essentie van de muziek te begrijpen zonder kennis van zaken en het vermogen het genoteerde tempo flexibel te benaderen. Vooral vraagt hij de uitvoerders echter met begrip te zingen.
Op de keerzijde van het titelblad staat de volgende tekst:
ΨΑΛΩ ΣΟΙ ΕΝ ΚΥΘΑΡΑΙ Ο ΑΓΙΟΣ ΤΟΥ ΙΣΡΑΗΛ. Psal. LXXI. XXII (ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israëls!)
Deze verwijzingen naar psalm 71 vinden we ook aan het eind van Huygens 'Gebruyck en ongebruyck van't orgel', waar hij stelt dat men het orgel maar moet gebruiken of bannen zoals men wenst:
"Lijdt de Kerck mijn' Toonen niet, mijn Huys sal haer Kerck zijn. Soo dat te veel is, ick alleen sal haer Kerck zijn [...] ende sal mijnen Gode singen soo langh ick leve, oft beter bericht werde; [...]dy onder mijn' Luyte, ô heilige Israëls!"
De airs en aria's worden ingeleid met een verontschuldiging aan de lezer voor de frivoliteiten die volgen. Doordat de psalmen voor in de bundel geplaatst zijn en de wereldlijke composities voorafgegaan worden door dit korte, verontschuldigende voorwoord, wordt duidelijk dat Huygens het psalmendeel belangrijker vond. Ook door het aantal ligt de nadruk op de psalmen. De negentien airs en aria's zijn in de minderheid tegenover de twintig psalmen. Dat dit een bewuste keuze is, blijkt uit het feit dat Huygens "Quomodo dilexi" (Pathodia 14) naar Mersenne opstuurde met de opmerking dat hij aanvankelijk dacht reeds het twintigtal vol te hebben, maar dat er toch nog één bleek te ontbreken.
Datering Een aantal titels van composities is al jaren voor de druk van de Pathodia in Huygens' briefwisseling terug te vinden. In zijn artikel "Waarom schreef Constantijn Huygens zijn Pathodia sacra et profana?" geeft Rasch mogelijke dateringen voor de composities.
De eerste verwijzing naar airs en aria's van Huygens duiken op in verslagen over zijn zoons. Christiaen en Constantijn jr. krijgen samen muziekles, van verschillende docenten. Gedurende de winter van 1639-1640 is de beurt aan een zekere Brun, een Frans soldaat uit het garnizoen van Utrecht, "die een' slechte stemme, maer een goede Fransche methode van singen hadde; desen dede ick bij Constantin ende Christiaen een ure daeghs komen, om haer van jongs aen de kele loss te maken in tremblanten ende andersins, doende haer eerst eenighe Italiaensche Airs van mijn maecksel leeren, daernaer eenighe Franse [...]" Het is mogelijk dat het hier om aria's gaat die later in de Pathodia zouden verschijnen. Een tweede aanwijzing is de Nederlandse vertaling van Marino's gedicht "Quel neo, quel vago neo". Huygens vertaalt dit gedicht in maart 1639. Opvallend is, dat de Nederlandse vertaling gezongen kan worden op de muziek die Huygens bij de Italiaanse versie vervaardigd heeft. Mogelijk stamt deze aria (Pathodia 24) uit dezelfde periode als de vertaling.
Voor een datering van de Franse airs bestaan concretere aanwijzingen. De meeste heeft Huygens waarschijnlijk gecomponeerd ten tijde van de discussie tussen Ban en Mersenne. In 1640 verzoekt Huygens Ban een aantal Franse gedichten op muziek te zetten, zodat hij ze kan vergelijken met airs in zijn bezit. Het is mogelijk dat het hier om Huygens' eigen gedichten gaat, en daarmee om airs van zijn hand, maar de titels ontbreken in de brief. Later stuurt Huygens zijn eigen air "Graves tesmoins" (waarschijnlijk Pathodia 34) naar Mersenne, met de vraag of hij soms weet wie de componist ervan is. Wanneer de discussie een beetje is geluwd, begint een meer openlijke uitwisseling van airs tussen Ban en Huygens. Ook deze keer ontbreken titels in de brieven.
Andere vrienden en kennissen ontvangen eveneens composities van Constantijn Huygens. Eind 1640 stuurt hij een Franse air en een Italiaanse aria naar zijn vriend en medemuziekliefhebber Gaspar Duarte. Kennelijk doet hij alsof het onder andere gaat om een air de cour van een onbekende componist, want Duarte antwoordt: "[..] que selon me semble netre pas un air de Court neaumoins fort agreable et bon." Duarte merkte dus het verschil met de 'echte' air de cour wel degelijk op. Mogelijk gaat het hier om een air en aria uit de Pathodia, de titels worden echter niet vermeld.
In 1642 maakt Huygens kennis met Utricia Ogle. Hij bewondert in eerste instantie haar zangstem, maar uit latere brieven en gedichten blijkt, dat zij ook een begenadigd klavierspeelster was. Gedurende twee winters (1642-1643 en 1643-1644) wonen zij beiden in Den Haag. We mogen aannemen dat Huygens en Utricia geregeld samen musiceren. In de zomers, wanneer Huygens met het leger op veldtocht is, stuurt hij naast brieven en gedichten ook muziek naar Utricia. Vermoedelijk gaat het ook hier om composities uit de Pathodia. In de zomer van 1643 dichtte Huygens zijn Airs dans ma pathologie, de teksten van de laatste drie airs uit de Pathodia. Of Huygens de muziek in dezelfde periode heeft gecomponeerd, is niet bekend.
Het gedicht "Già ti chiesi un sospir" is een jaar later geschreven. Mogelijk hangt de tekst samen met een kortstondige ruzie tussen Huygens en Utricia. Huygens schrijft in augustus 1644 een versje voor een van Utricia's muziekboeken. Het gedichtje en de bijbehorende afbeelding, die ondertussen verloren is gegaan, schieten Utricia behoorlijk in het verkeerde keelgat. Haar antwoord is niet bekend, maar de omslachtige verontschuldiging van Huygens spreekt boekdelen. Het is wel zeker dat hij de aria "Già ti chiesi un sospir" (Pathodia 28) in dezelfde maand heeft gecomponeerd als het gedicht. Op 30 augustus 1644 voegt hij namelijk een aria bij een brief aan Henry de Beringhen, ter overlegging aan Gabriël, markies de Mortemar. In de brief geeft hij een Franse vertaling van de aria, beginnend met de regel: "Je ne te demandoy qu'un souspir seulement". Deze vertaling is overigens niet geschikt om op dezelfde muziek gezongen te worden.
In de herfst van 1644 verhuist Utricia naar Utrecht, waarmee een einde komt aan het frequente samen musiceren. Eind 1645 treedt ze in het huwelijk met de Engelse officier William Swann, het paar verhuist kort daarop naar Breda. Huygens stuurt ze bij deze gelegenheid een paar psalmen. Het lijkt erop dat hij na 1644 geen airs of aria's meer gecomponeerd heeft. De eerste keer dat er in de briefwisseling psalmen bij de naam worden genoemd, is in 1646. In maart 1646 schrijft Swann aan Huygens dat hij en Utricia twee van zijn psalmen hebben uitgevoerd, namelijk "Confitebor tibi Domine" (Pathodia 18) en "Domine Deus meus" (Pathodia 4).49 Voor 1645 is er in de briefwisseling van Huygens in het geheel geen sprake van door hem gezette psalmteksten. Dit is opvallend, aangezien zijn traktaat over (orgel)begeleiding van psalmen in 1642 werd uitgegeven. Mogelijk reageert Huygens met de psalmzettingen op de mislukte experimenten met orgelbegeleiding in kerken. Het is echter waarschijnlijker dat deze omslag iets te maken heeft met William Swann, of diens huwelijk met Utricia. In een brief aan Mersenne van 12 september 1646 schrijft Huygens over Swann:
"Je puis bien le nommer obstetricien de mes pseaumes, car il ne s'est jamais voulu saouler de m'en voire produire et sans un tel εργοδιώκτης [iemand die hem bij het werk opdrijft, AdJ] jamais je ne m'y fusse appliqué aveq tant d'assuidité."
Deze opmerking bevestigt niet alleen dat de psalmen zijn ontstaan tijdens of na de zomer van 1645, de tijd dat Swann voor het eerst in Huygens' brieven opduikt, maar suggereert ook dat Swann een actieve rol in het componeerproces heeft gespeeld. In welk opzicht wordt echter niet duidelijk.
De druk