George Wilhelm Kettmann (Amsterdam, 12 december 1898 – Roosendaal, 10 februari 1970) was een Nederlands dichter, schrijver, journalist en uitgever. Van hem zagen vijf romans en zes dichtbundels het licht. Verder publiceerde hij in totaal vele honderden gedichten, novellen en essays in diverse tijdschriften. Daarnaast bleef veel werk ongepubliceerd: toneelstukken, novellen, gedichten en essays. Tussen 1933 en 1941 maakte hij deel uit van de redactie van Volk en Vaderland, het weekblad van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland (NSB). Hij bekleedde onder meer langdurig de functie van hoofdredacteur. Dertien jaar lang, van 1932 tot 1945, was hij eigenaar en directeur van de bekendste Nederlandse nationaalsocialistische uitgeverij: De Amsterdamsche Keurkamer.

Leven Jeugdjaren George Kettmann werd geboren in Amsterdam. Zijn vader, telg van een handelsfamilie, heette Georg Wilhelm Kettmann - op één letter na droegen vader en zoon dezelfde naam, vandaar de toevoeging 'jr.'. Zijn moeder heette Hendrika Jacoba van Stempvoort en was afkomstig uit Twente. Na de lagere school in Amsterdam bezocht hij daar de Openbare Handelsschool. Van 1914 tot 1931 was hij werkzaam bij de textielfirma van zijn vader. Van december 1917 tot december 1918 vervulde hij zijn dienstplicht als milicien-sergeant, gelegerd aan de Nederlands-Belgische grens. Gedurende zijn diensttijd verscheen in mei 1918 in het literaire maandblad Het Getij zijn literaire debuut, onder het pseudoniem Co van Sweden.

Overdag werkzaam in de textielhandel van zijn vader, hield hij zich 's avonds en in zijn vrije tijd bezig met de literatuur. In 1919 raakte hij betrokken bij het door zijn vriend Ru le Cavelier geleide tijdschrift Stroomingen, waarin onder anderen Hendrik Marsman debuteerde. In 1921 leidde hij samen met Le Cavelier het tijdschrift De branding. Hij bewoog zich in de kringen van de Amsterdamse vernieuwingsgezinde kunstenaars van de jaren na het einde van de Eerste Wereldoorlog. Hij ging onder meer om met Constant van Wessem, C.J. Kelk, Herman van den Bergh, J.K. Rensburg en Erich Wichmann. In 1925 en 1926 leverde hij enkele bijdragen aan De Vrije Bladen. Toen in 1927 de uitgeversmaatschappij de Wereldbibliotheek een romanprijsvraag uitschreef, deed hij mee onder het motto 'Malgré Tout'. Hij werd een der twaalf prijswinnaars en in 1928 verscheen zijn eerste roman onder de titel De glanzende draad der goden.

Fascisme Op 14 augustus 1923 trad hij in het huwelijk met Adriana Theodora Maria Schutze. Uit het huwelijk werden een zoon en een dochter geboren. In de laatste maanden van 1931 begon Kettmanns maatschappelijke engagement praktische vorm aan te nemen. Bleven zijn activiteiten op dit terrein in de jaren twintig beperkt tot het schrijven van essays over kunst en samenleving, na 1931 manifesteerde hij zich als 'man van de daad'. Op 16 november 1931 sloot hij zich aan bij de Fascistenbond 'De Bezem' van Jan Baars. Hij publiceerde regelmatig in het blad De Bezem, onder het pseudoniem dat hij ook in zijn NSB-tijd vaak zou gebruiken: Lange Pier. Hij bleef echter niet lang lid; op 30 juni 1932 zei hij zijn lidmaatschap op, vanwege de gebrekkige organisatiestructuur van de Fascistenbond.

Ruim een maand later, op 2 augustus 1932, meldde hij zich aan als lid van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland, de NSB. Vrij spoedig na zijn aanmelding raakte hij betrokken bij de voorbereidingen van een eigen weekblad van de NSB en op het eerste nummer van Volk en Vaderland, dat op 7 januari 1933 verscheen, staat hij vermeld als hoofdredacteur. Tot in de oorlogsjaren zou hij in verschillende functies verbonden blijven aan dit weekblad. Ook zijn literaire loopbaan stond in het teken van zijn keuze voor het fascisme. Al zijn publicaties van na zijn aansluiting bij de NSB hebben een politieke kleur.

thumb|Warnsinck en Kettmann In dit licht moet dan ook de oprichting, op 21 juli 1932, van zijn uitgeverij De Amsterdamsche Keurkamer worden bezien. Met deze uitgeverij wilde hij het nationaalsocialisme als cultuurstroming opvangen en verbreiden, zowel in uitgaven van fascistische strekking als in werk van literaire aard. Ondanks deze ambitieuze wens ging de uitgeverij zeer bescheiden van start met een statutair bepaald beginkapitaal van f 2,50 (omgerekend naar 2008 ongeveer € 20). Bij zijn eigen uitgeverij verscheen in 1935 zijn eerste dichtbundel, De jonge leeuw. Voor het merendeel bevat dit werk politieke strijdpoëzie. Het jaar 1932 was dus een belangrijk jaar voor Kettmann. Niet alleen werd hij (onder stamboeknummer 302) lid van de NSB, ook trad hij op 12 oktober 1932 voor de tweede maal in het huwelijk, ditmaal met Margot Warnsinck, met wie hij vier zonen zou krijgen. Zij was zijn mede-vennoot in De Amsterdamsche Keurkamer. De uitgeverij zou uitgroeien tot de bekendste nationaalsocialistische uitgeverij in Nederland. Zo werd in 1939 de Nederlandse uitgave van Mein Kampf gepubliceerd, die vertaald was door de journalist Steven Barends.

Zijn meest actieve periode liep gelijk op met de opkomst en neergang van het Nederlandse nationaalsocialisme. Tot 1945 publiceerde hij sterk ideologisch bepaalde dichtbundels en essays. Daarnaast wierp hij zich op als inspirator en pionier voor de opbouw van een nieuwe, nationaalsocialistische letterkunde in Nederland.

Tweede Wereldoorlog Na mei 1940 ontplooide hij vele journalistieke en letterkundige activiteiten. Behalve uit veel publicaties blijkt dat uit zijn pogingen nieuwe, nationaalsocialistisch georiënteerde letterkundigen aan zijn uitgeverij te verbinden, en uit zijn redacteurschap van het tijdschrift De Nieuwe Gids, dat onder leiding van Alfred Haighton de beginselen van de Nieuwe Orde omhelsd had. Ook onderhield hij namens de NSB contacten met gelijkgestemden in België, hield hij lezingen en bezocht hij in Berlijn Joseph Goebbels, met wie hij vermoedelijk over de verspreiding en invoering van de cultuur der Nieuwe Orde heeft gesproken. Zowel uit zijn publicaties als uit zijn correspondentie blijkt een steeds toenemende radicalisering van zijn denkbeelden. Dat leidde tot zijn aanmelding op 7 maart 1942 bij de Nederlandsche SS. In de zomer van 1942 werd hij hoofdredacteur van het virulent antisemitische tijdschrift De misthoorn. In deze functie begon hij de NSB te attaqueren, omdat naar zijn mening de beweging onder Anton Mussert niet radicaal genoeg was. De reden voor deze intensieve anti-NSB agitatie geeft Kettmann na de oorlog: Ik bevond mij toen nog in het stadium te menen, dat de 'fouten' zoals ik ze de NSB zag maken, konden worden weggestreken, door de Beweging in sneller tempo te radicaliseren. Dat leidde tot hevige scheldkanonnades over en weer in het de Nederlandsche SS gunstig gezinde De misthoorn en het de NSB toegenegen tijdschrift van de WA, De zwarte soldaat. In september 1942 royeerde Mussert Kettmann en drie van zijn medewerkers (P.E. Keuchenius, E. Locht en Johan Nijsse) uit de NSB. Kettmann trok zich daar echter niets van aan en intensiveerde zelfs zijn strijd tegen de NSB. Dat werd uiteindelijk niet alleen Mussert maar ook Seyss-Inquart te bar. Hanns Albin Rauter liet De Misthoorn vallen, het blad werd opgeheven. Kettmann verdween als SS-oorlogsverslaggever naar de Propaganda-Kompanie van het Nederlands Legioen aan het oostfront ten einde uit de wraakzuchtige handen van de NSB te blijven.

Mussert liet over deze affaire een heel dossier samenstellen, onder meer met brieven die uit Kettmanns schrijftafel gestolen werden en waaruit blijkt dat deze enkele aankopen op de zwarte markt door een relatie in SS-uniform had laten vervoeren. Vermoedelijk is in opdracht van de NSB bij Kettmann ingebroken. Daarbij werden ook enkele intieme foto's van zijn vrouw Margot Warnsinck buitgemaakt. Hoewel er na deze gebeurtenissen nog enkele literaire publicaties van hem het licht zagen, was zijn rol als propagandist van de Nieuwe Orde in de Nederlandse letteren uitgespeeld - hoewel hij in 1943-1944 wel betrokken raakte bij de groep nationaalsocialistische literatoren rond het genazificeerde tijdschrift Groot Nederland.

In de laatste maanden van 1942 volgde Kettmann zijn opleiding in Berlijn. Begin 1943 reisde hij dan eindelijk naar het front, in gezelschap van zijn Vlaamse collega Lode Bonten. Het duurde lang voordat Kettmann de plaats van bestemming bereikte, de Karelische stad Rovaniemi, dicht bij de poolcirkel. Omstreeks mei 1943 belandde hij echter in een Berlijns ziekenhuis na een aanval van de naar een streek aan het oostfront genoemde Wolhynia-koorts. In de zomer van 1943 volgde hij in het Oostenrijkse Villach nog een aanvullende opleiding in de propagandatechniek; een jaar later werd hij naar het zwaar belaagde front nabij Narva gedirigeerd. De laatste oorlogsmaanden sleurden hem mee in de eindstrijd van het Derde Rijk. In februari 1945 werd hij opgeroepen om aan de Oder mee te vechten tegen de Russen. Daarna werd hij in maart 1945 ingezet bij een SS-eenheid, ergens bezuiden Stettin. Begin april werd hij door de Russen krijgsgevangen gemaakt, maar al snel wist hij uit de Russische gevangenschap te ontsnappen.

Na de oorlog George Kettmann keerde op 30 april 1945 vanuit Ludwigslust (ten noorden van Berlijn) via Brussel en Antwerpen terug naar Nederland. Bij aankomst in Amsterdam bleken zijn vrouw en kinderen afwezig en hun woning geplunderd. Na overleg met zijn schoonouders vertrok hij naar Zandvoort, waar een bekende woonde die bij de gemeente werkte. Via haar bemiddeling wist hij zich voor te doen als een oud-verzetsman die bevrijd was uit het kamp Oranienburg en niet meer over identiteitspapieren beschikte. In juli 1945 vertrok hij naar België, waar hij onder de aangenomen naam Jan Warnsinck een nieuw leven tracht te beginnen. In 1948 werd hij gearresteerd en na een gevangenisstraf van een jaar aan Nederland uitgeleverd. Daar werd hem een proces aangedaan, waarbij hij beschuldigd werd van vrijwillige dienstneming in Duitse krijgsdienst, bevordering van het vijandelijk streven, van nationaalsocialisme en antisemitisme en van het publiceren van artikelen en gedichten die het nationaalsocialisme en het antisemitisme verheerlijken. In hoger beroep werd hij op 17 maart 1951 veroordeeld tot tien jaar met aftrek van voorarrest. De Eereraad voor de Letterkunde bestrafte hem met een publicatieverbod van tien jaar en ook de Commissie voor de Perszuivering veroordeelde hem, tot uitsluiting uit het perswezen voor de duur van 18 jaar.

In 1955 werd hij, 57 jaar oud, vervroegd vrijgelaten, nadat hij twee derde van zijn straf had uitgezeten. Onmiddellijk begon hij een grote activiteit te ontplooien. Hij gaf een filmtijdschrift uit, had plannen voor een literair tijdschrift en voor een nieuwe uitgeverij en in 1956 verscheen zijn eerste officiële naoorlogse dichtbundel, De ballade van de dode Viking (nadat Kettmann in de gevangenis enkele uitgaven in eigen beheer verzorgd had). De thematiek van deze bundel is nagenoeg gelijk aan Kettmanns vooroorlogse nationaalsocialistische poëzie. In deze jaren verscheen daarnaast een groot aantal romanvertalingen uit het Engels, Frans en Duits van zijn hand. Voor dit, in zijn ogen triviale werk, gebruikte hij het pseudoniem Jan van de Wolk. Op 21 oktober 1957 trouwde hij voor de derde maal, met Marie Beijer; met haar kreeg hij zijn vijfde zoon. Hij onthield zich na zijn invrijheidstelling van iedere politieke activiteit en was de laatste jaren van zijn leven werkzaam als corrector bij een Utrechtse drukkerij. In januari 1969 verscheen ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag zijn laatste dichtbundel, Man vrouw kind geheten.

Ideologisch gezien ontwikkelde Kettmann zich tussen 1931 en 1970 van fascist van Italiaanse snit (1931-1933) via Nederlands nationaalsocialist in NSB-trant (1933-1940) en nationaalsocialist, gericht op Duitsland (1940-1942), naar Groot-Germaans SS'er (1942-1945), en vervolgens weer terug naar Nederlands nationaalsocialist.

Oordeel