De term Bataafse mythe verwijst naar de vanaf de 16e eeuw opgekomen gedachte dat de Bataven – een waarschijnlijk Germaans volk uit de oudheid – in de loop der geschiedenis een zeer belangrijke rol speelden voor de latere bewoners van de Nederlanden en daaropvolgend de Republiek. Deze bewoners worden voorgesteld alsof zij allemaal rechtstreeks zouden afstammen van de Bataven en zodoende al sinds de oudheid aanspraak kunnen maken op volledige, of in ieder geval zeer verregaande politieke vrijheid.
Deze opvatting, die deels neerkomt op een uitgevonden traditie, heeft met name betrekking op het graafschap Holland, en daarnaast vooral op het graafschap (later het hertogdom) Gelre.
Historische achtergrond: de Bataven
De alleroudste overgeleverde informatie over de Bataven komt uit de geschriften die de Romeinse veldheer Julius Caesar bijhield over de door hemzelf gevoerde Gallische Oorlog (58-51 v.Chr.), waarbij hij heel Gallië wist te onderwerpen. De Bataven worden door hem zijdelings genoemd in Commentarii de bello Gallico, waar hij het "eiland der Bataven" noemt. Iets meer over de Bataven is te lezen bij de geschiedschrijver Tacitus, vooral in diens werken Germania (ca. 98) en de Historiae (ca. 105). Tacitus vertelt hier dat de Bataven in Oppidum Batavorum hun hoofdplaats hadden, en dat ze na hun onderwerping aan de Romeinen een beperkte mate van autonomie behielden en vrijgesteld van belasting waren, maar wel manschappen dienden te leveren en de limes dienden te verdedigen. In 69-70 n.Chr. vond onder leiding van Julius Civilis de Bataafse Opstand plaats, die echter uitdraaide op een nederlaag voor de Bataven.
Omstreeks 400 verdwijnen de Bataven uit historische geschriften; een van de laatste Romeinen die over hen schreef was Orosius. Men vermoedt dat zij ofwel in de Salische Franken zijn opgegaan (de Franken zouden in dat geval dus heel goed deels nakomelingen van de Bataven kunnen zijn), of tegelijk met de Romeinen zijn verdreven.Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. Bataven. Microsoft Corporation/Het Spectrum.
Ontstaan en ontwikkeling van de Bataafse mythe 400px|thumb|Kaart die weergeeft hoe men zich in de 16e eeuw de Lage Landen in de oudheid voorstelde, met Batavia vetes in Zuid-Holland en Batavia recentior in Noord-Holland. Hoewel hij de Bataafse tijd moet vertegenwoordigen, is het duidelijk dat er een verband wordt gelegd tussen het 'oude' en 'nieuwe Batavia', d.i. het graafschap Holland. Abraham Ortelius, 1584. De Bataven raakten vrijwel in de vergetelheid totdat in de 15e eeuw de twee hiervoor genoemde geschriften van Tacitus werden herontdekt (Historiae rond 1403, Germania in 1455), vertaald en opnieuw uitgegeven. Vanaf die tijd ontstond het beeld dat veel delen van Nederland, met name de Rijndelta, sinds de Romeinse tijd waren bewoond door de Bataven. Dit beeld van Nederland sinds de oudheid verving een eerder beeld van het Nederlandse landschap dat kroniekschrijvers in de eeuwen daarvoor vooral hadden geschetst: een grotendeels overstroomd "Woud zonder Genade", met weinig bevolking afgezien van wat jagers en vissers. De naam Bataven werd hierna zeer geliefd onder Noord-Nederlandse humanisten om naar zichzelf en hun vermeende voorouders te verwijzen. Een van de door deze humanisten verspreide mythen die enorm populair werden was dat de Bataven de allereerste bewoners zouden zijn geweest van de tot dan toe "wilde, woeste en onbewoonde" Rijndelta, en bij uitbreiding zelfs van heel Nederland. Mede hierdoor vatte gaandeweg de gedachte post dat de Bataven wel de rechtstreekse voorouders van het huidige Nederlandse volk moesten zijn geweest.Het besef dat het huidige Nederland – net als veel andere delen van Europa – al vele millennia eerder in de prehistorie menselijke bewoning had gekend (wat bijvoorbeeld nog te zien is aan hunebedden), zou pas eeuwen later algemeen doordringen. In het verlengde daarvan is het zelfs voorgekomen dat archeologische vondsten, onder meer in en nabij Nijmegen, werden uitgelegd op een manier die zo goed mogelijk paste bij de betekenis en uitleg van de overgeleverde teksten uit de oudheid over het betreffende paste. De beelden en verhalen die men rondom deze archeologische voorwerpen bedacht, kwamen niet noodzakelijkerwijs overeen met de daadwerkelijke betekenis en waarde van die voorwerpen.Zo werd bijvoorbeeld een afbeelding van twee vissen aan een T-vormige staak door Smetius en diens volgelingen uitgelegd als bewijs dat het christendom omstreeks het jaar 300 Bataafs Nijmegen al had bereikt. In enkele gevallen zijn bepaalde archeologische vondsten uit de oudheid ook volkomen genegeerd, omdat ze niet goed pasten bij het verhaal dat men haalde uit de overgeleverde teksten.
Een tijdlang werden ook de Friezen geheel vereenzelvigd met de Bataven; men stelde dat de Bataven na hun ogenschijnlijke verdwijning uit de geschiedenis tegen het eind van de oudheid simpelweg van naam waren veranderd en nu Friezen heetten. Dit maakte deel uit van pogingen om het grote hiaat in de Nederlandse geschiedenis na het einde van de Romeinse tijd, dat vooral voor Holland gold, wat te dichten. De Frisii en hun gebied, Frisia, waren zelf ook al bekend geweest bij de Romeinen, en bleven ook nog in de kronieken voorkomen nadat de Franken hier alweer naar de achtergrond waren verdwenen. Zo was er dus weer sprake van volledige continuïteit met het heden van dat moment. Dit heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het nationale bewustzijn van de Nederlanders sinds de 16e eeuw.
Desiderius Erasmus was een van de eersten die met dergelijke ideeën kwam. Het was echter met name Cornelius Aurelius die de echte fundamenten legde voor de Bataafse mythe. Aurelius was ervan overtuigd dat de Bataven ook en vooral in het huidige Zuid-Holland geleefd hadden.Onduidelijk is of deze gedachte echt van hemzelf kwam of van Erasmus, met wie hij goed bevriend was. Hij schreef drie verhandelingen, waarvan de Divisiekroniek (1517) de bekendste is. Hierin stelde hij dat het 16e-eeuwse graafschap Holland rechtstreeks was voortgekomen uit Batavia of Batavië, het antieke land der Bataven. Men situeerde dit rijk doorgaans uitsluitend in het latere Zuid-Holland, meestal zonder het Gelderse rivierengebied rond de Romeinse stad NoviomagusMogelijk was de volledige naam hiervan [Municipium] Ulpia Noviomagus Batavorum; dit is in ieder geval geopperd door Jules Bogaers. ook mee te rekenen. Dit laatste moet worden gezien tegen de achtergrond van de Gelderse oorlogen, die aan het begin van de 16e eeuw nog in volle gang waren. In 1610 had Hugo de Groot het in zijn Tractaet ook al over de "Batavische nu Hollandshe republiek". Pas na het einde van deze oorlogen, in 1543, werd de Pragmatieke Sanctie uitgevaardigd. Deze bepaalde dat de Zeventien Provinciën voortaan een ondeelbare eenheid zouden vormen en in de toekomst onder één Habsburgse heerser zouden worden overgeërfd. Aurelius meende uit de tekst van Caesar (De bello gallico) ook nog te kunnen afleiden dat de zuidgrens van het genoemde "eiland der Bataven" lag bij Gorinchem. Aurelius situeerde de noordgrens van het rijk Batavia specifiek bij Wijk bij Duurstede, langs de Oude Rijn tot aan de Noordzeekust. Slot Loevestein was volgens hem de oostgrens van Batavia. Hij baseerde zich hiervoor onder meer op wat Romeinse inscripties die waren gevonden bij wat nu Roomburg is, in combinatie met zijn eigen interpretatie van de overgeleverde teksten van onder meer Caesar en Tacitus. De door deze Romeinse auteurs gebruikte term "eiland der Bataven", wat op het eerste gezicht niet helemaal goed leek te passen bij het veronderstelde Bataafse woongebied, verklaarde hij aan de hand van de volgens hem in de loop der tijd gewijzigde loop van de Rijn; zodoende zou Holland in de oudheid meer dan nu een echt eiland zijn geweest.
Ongeveer een eeuw later zou Hugo de Groot grotendeels in deze opvatting van Aurelius meegaan. Hadrianus Junius (1511-1575) kwam daarentegen weer tot andere bevindingen: de noordgrens van het Bataafse woongebied moest volgens hem tot aan de IJssel hebben gelopen, en eveneens (een deel van) het gebied dat nu Noord-Holland is hebben omvat. Ook de Leidse hoogleraar Bonaventura Vulcanius was voorstander van het idee dat de Bataven moesten worden gelijkgesteld aan de Hollanders. De inwoners van Gelderland moesten naar zijn idee van de Sugambren afstammen.
Gerardus Geldenhouwer, een Nijmegenaar die zich zeer intensief bezighield met het bestuderen van de geschiedenis van zijn eigen stad en de omliggende regio, probeerde in zijn Historia Batavica (1530) aan te tonen dat de Bataven uitsluitend hadden geleefd in de Gelderse Betuwe, die dus ook beslist naar hen vernoemd moest zijn. Lobith, waar de Waal en de Rijn zich splitsen, was volgens hem de oostelijke grens van het Bataafse rijk geweest. Hij ging anderzijds mee in Aurelius' stelling dat de Bataven ooit een aanvoerder genaamd Bato hadden, naar wie ze tevens waren vernoemd ("Bato's have" → "Bataven"). Deze Bato zou een paleisachtige burcht (genaamd Noviomagum) hebben laten bouwen op de restanten van een nog oudere burcht; dit moest dus wel de Valkhofburcht zijn. Na Bato's dood werd zijn zoon Hessus (naar wie de Hessenberg zou zijn vernoemd) koning van het Bataafse volk. Uiteindelijk zou keizer Karel de Kale in de 9e eeuw de Bataven – tegen hun eigen zin – hebben opgesplitst. Hiermee schiepen Aurelius en Geldenhouwer dus een heel eigen stichtingsmythe voor onder meer Nijmegen. Geldenhouwer was ook een van de eerste aanhangers van het idee dat het "rijk Batavia" zelfs al vóór de Romeinse tijd had bestaan. Later is deze mythe overgenomen door andere bekende humanisten zoals Johannes Pontanus (1571-1639) en Hugo de Groot (1583-1645).
De 17e-eeuwse Nijmeegse predikant, verzamelaar en geschiedschrijver Johannes Smetius ging enerzijds mee in het idee dat de Bataven verspreid over een groter deel van de grondgebied van het huidige Nederland moesten hebben geleefd, inclusief in Holland en Zeeland. Na de val van het West-Romeinse Rijk zouden de Bataven en Franken (beide Germaanse stammen) een onderling bondgenootschap hebben gesloten en gaandeweg zijn versmolten tot een nieuw volk, dat de naam van de Franken aannam. De naam van de Bataven zou in later tijden nog slechts zijn gehandhaafd in de streeknaam Betuwe. Voor Smetius was het een absolute zekerheid dat het door Tacitus genoemde Oppidum Batavorum op de plek van het huidige Nijmegen lag. In zijn bekendste werk, Oppidum Batavorum seu Noviomagum ("Nijmegen, Stad der Bataven") uit 1645, doet Smetius zijn opvattingen hierover uit de doeken. Hij gaat hier verder nog deels mee in het hiervoor genoemde "scheppingsverhaal" van Geldenhouwer over de Bataven als de oorspronkelijke stichters van Nijmegen. Anderzijds gingen Smetius en Cluverius niet mee in de ideeën van Pontanus (Smetius' oude leermeester) over het pre-Romeinse stedenrijk Batavia. Smetius veronderstelde verder dat de Valkhofburcht al enige tijd had bestaan ten tijde van de Bataafse Opstand. Hij opperde voorts dat de burcht zelfs de allereerste woonplek van de Bataven geweest kon zijn, nog voordat de nabijgelegen Bataafse nederzetting er kwam.In werkelijkheid dateert de burcht pas uit de 12e eeuw, en is Frederik Barbarossa de stichter.