Hexing is een geslacht van theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Maniraptoriformes, dat tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige China. De enige benoemde soort is Hexing qingyi.

Vondst en naamgeving In het begin van de eenentwintigste eeuw ontdekte een plaatselijke boer bij Xiaobeigou in Liaoning, waar zich enkele van de rijkste dinosauriërvindplaatsen ter wereld bevinden, het skelet van een theropode. Zoals meestal geschiedt in deze provincie waar de illegale fossielenhandel zeer actief is, werd het door hem achtergehouden om het ten gelde te maken, waarbij hij het zo goed mogelijk prepareerde en onvolkomenheden met valse delen aanvulde. Uiteindelijk kwam het exemplaar in handen van het geologisch museum van de Universiteit van Jilin waar het verder geprepareerd werd en de vervalsingen weer werden verwijderd.

De typesoort Hexing qingyi is in 2012 benoemd en beschreven door Jin Liyong, Chen Jun en Pascal Godefroit. De geslachtsnaam betekent "als een kraanvogel" in het Mandarijn. De soortaanduiding betekent in dezelfde taal "met slanke vleugels".

Het holotype, JLUM-JZ07b1, is gevonden in de onderste rivierafzettingen van de Yixianformatie in lagen waarvan de ouderdom volgens de beschrijvers een ondergrens heeft van 128 miljoen jaar en een bovengrens van 139 miljoen jaar. Ze zouden dus uit een etage kunnen stammen die zo jong is als het middelste Barremien of zo oud als het onderste Valanginien. Overigens is de datering sterk omstreden. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: een vrijwel complete schedel met onderkaken, een reeks van vijf halswervels en het grootste deel van de schoudergordel en de ledematen. Het betreft een jongvolwassen of volwassen exemplaar.

Beschrijving Algemene bouw, grootte en onderscheidende kenmerken Het holotype van Hexing is een klein individu: een dijbeenlengte van 135 millimeter wijst op een lichaamslengte van slechts honderdtwintig centimeter. Dat zou doen vermoeden dat het om een jong dier gaat maar de vergroeiing van de schedelelementen, de schoudergordel en de enkelbeenderen wijst erop dat het dier niet zeer ver van zijn volwassen grootte af kan hebben gelegen of die zelfs al bereikt had. In dat geval is Hexing de kleinste ornithomimosauriër die bekend is. In het algemeen is het een kleine tweevoetige vorm met een tandeloze schedel maar met rudimentaire tanden in de onderkaak.

De beschrijvers wisten enkele onderscheidende kenmerken vast te stellen. Het voorste deel van de snuit is zo sterk naar beneden gebogen vóór de onderkaken, dat het verhemelte op dit punt op eenzelfde niveau ligt als de onderrand van de onderkaak. De uitholling op het zijvlak van het bovenkaaksbeen, is zeer diep en beslaat daarvan het grootste deel van de oppervlakte. De wandbeenderen hebben een middenkam. Op het achterhoofd hangen de grote zijuitsteeksels, de processus paroccipitales, zo sterk naar beneden dat ze tot onder het niveau van het achterhoofdsgat reiken. Het dentarium van de onderkaak heeft een zijvenster. De derde vinger heeft drie kootjes in plaats van vier. De eerste kootjes van de tweede en derde vinger zijn verlengd tot meer dan driekwart van de lengte van het overeenkomstige middenhandsbeen. Het onderbeen is extreem lang met 137% van de lengte van het bovenbeen.

Skelet Schedel De schedel van Hexing is relatief groot; dit kan met de geringe omvang van het exemplaar als geheel samenhangen. De absolute lengte is 136 millimeter. De schedelbeenderen zijn sterk gepneumatiseerd. De vorm van de schedel is langwerpig en in zijaanzicht driehoekig — de grootste hoogte is drieënvijftig millimeter — met achteraan grote oogkassen en vooraan een lage snuit. De acht centimeter lange snuit is licht afhangend zodanig dat het bovenprofiel van de schedel een bolle indruk maakt en de bovenkaaklijn een holle. De schedel kan ook beschouwd worden als opgebouwd uit twee stukken op de grens waarvan zich een knik naar beneden voordoet. Het overgangspunt valt samen met de begrenzing tussen de grote schedelopening, de fenestra antorbitalis en het voorste deel van de uitholling waarin deze ligt. Op de begrenzing bevindt zich een verticale beenstijl, een pila interfenestralis. Bij het bovenpunt van deze stijl beginnen bovenaan de neusbeenderen en onderaan de bovenkaaksbeenderen naar beneden te buigen, zodat de stijl de functie lijkt te hebben een te grote buigbelasting van de schedel op dit punt te voorkomen. De snuitpunt loopt tot onder het niveau van de onderkant van de onderkaak door en daarbij neemt de snuithoogte eerst nog wat toe doordat de onderrand van de schedel onder een steilere hoek schuin naar beneden steekt. Zo wordt een soort "eendensnaveltje" gevormd met een bol of druppelvormig uiteinde, van de rest van de bovenkaak gescheiden door een ondiepe lange inkeping. Deze configuratie als geheel is uniek. In het snaveltje bevindt zich een klein ellipsvormig neusgat. De vijfenvijftig millimeter lange uitholling vóór de pila interfenestralis is zo diep dat deze op zich al als een zijvenster beschouwd kan worden. De fenestra antorbitalis erachter is ovaal van vorm, 29,5 millimeter lang. De oogkas is recht van voren en rond aan de achterrand, als geheel met 37,8 millimeter iets hoger dan lang, 31,5 millimeter. Het onderste slaapvenster is hoog met een afgerond bovenstuk en een smalle, beitelvormige, onderkant gescheiden door een lichte insnoering vanuit de voorrand; de vorm onderaan kan niet exact worden vastgesteld doordat het quadratojugale ontbreekt.

Het voorste bot van de snuit, de praemaxilla, vormt het "snaveltje" en was bij leven hoogstwaarschijnlijk door een echte hoornsnavel bedekt, hoewel er geen verruwingen of foramina zijn die dat direct aantonen. Afhangend ligt het in het verlengde van het neusbeen. De onderste tak is niet zeer lang maar dringt het bovenkaaksbeen van het neusbeen. Als geheel is de praemaxilla vrij kort maar ze omsluit wel het grootste deel van het zeven millimeter lange neusgat. De praemaxilla is geheel tandeloos. Dat geldt ook voor de achterliggende maxilla of bovenkaaksbeen dat een langwerpig element is. Het is bovenaan naadloos vergroeid met het neusbeen. De uitholling vóór de pila interfenestralis kan een opening, een fenestra maxillaris bevat hebben maar door beschadigingen is dit niet meer waar te nemen. Tussen de inkeping in de kaakrand vooraan en de achterste buiging naar beneden, steekt het bovenkaaksbeen bol uit zodat de onderkant als geheel golvend is. Het bolle stuk correspondeert met een holle sector van de onderkaakrand met het is overdwars zo dik dat het geen snijdende functie gehad lijkt te hebben. Het neusbeen is lang en smal. Het loopt naar achteren door tot midden boven de oogkas en is overdwars gewelfd. Het traanbeen is T-vormig met een lange voorwaarts tak die tot midden boven de fenestra antorbitalis reikt. Een achterste tak steekt tussen het neusbeen en het prefrontale en is doorboord door een foramen. Het grootste deel van de bovenrand van de oogkas wordt gevormd door een nauw en lang prefrontale. Het voorhoofdsbeen is nogal kort en raakt achteraan de oogkas net. Beide voorhoofdsbeenderen zijn achteraan vergroeid tot een enkele welving van het schedeldak. De holle achterkant daarvan vormt het contact met de wandbeenderen, ze rakend in een golvende beennaad doordat ze erdoor tongvormig ingekeept worden. Het wandbeen is kort. De wandbeenderen zijn op hun raakvlak vergroeid tot een opvallende middenkam. Er is een dunne achterste tak van het wandbeen die zijdelings doorloopt tot over het achterhoofd.

Het postorbitale is driestralig. De voorste tak is kort, de achterste tak vormt een haak die deel uitmaakt van de balk tussen het bovenste en onderste slaapvenster. De onderste tak is lang, dun en naar buiten gewelfd en vormt de complete achterrand van de oogkas. De onderkant van de oogkas wordt gevormd door het jukbeen. Dat heeft vooraan een enkelvoudige tak naar het bovenkaaksbeen, zonder opgaande zijtak richting traanbeen. De achterste tak van het jukbeen is gevorkt met zijtakken richting postorbitale en onderaan naar het quadratum. Het quadratum is hoog, nauw en iets naar achteren gebogen. Bovenaan heeft het een eenvoudig afgerond contact met het squamosum waarvan geen beschrijving gegeven kon worden omdat het geheel platgedrukt was. Het heeft een kleine driehoekige voorste tak die iets vóór het kaakgewricht aansluit bij de opstaande rand van het surangulare van de onderkaak. In achteraanzicht vormt de uitholling voor het foramen quadraticum een verticale spleetvormige opening.

De vorm van het achterhoofd is lastig vast te stellen, zowel doordat de bovenste elementen naadloos vergroeid zijn, als door een extreme compressie. Zo lijkt het achterhoofdsgat extreem hoog en langgerekt maar dat is een vermoedelijk gevolg van het samengedrukt zijn van het fossiel. In ieder geval vormt boven het schedelgat het supraoccipitale een uitstekend knobbelvormig element, dat ook in zijaanzicht opvallend is. De grote zijuitsteeksels, de processus paroccipitales, zijn erg lang en moeten ook oorspronkelijk ver beneden het achterhoofdsgat hebben uitgestoken. Hun achterkanten tonen in het midden, bij de buitenrand, een spleetvormige opening. Onder het achterhoofdsgat is de schedelknobbel, de condylus occipitalis, typisch klein zoals bij de meeste ornithomimosauriërs. De knobbel, grotendeels gevormd door het basioccipitale, heeft een lange, licht ingesnoerde nek, en een middenkam over de volle lengte van de onderkant. Deze loopt onderaan tussen de normale en matig grote tubercula basilaria uit in een klein derde afhangend lobvormig element.

Van de onderkant van de schedel is weinig bekend. Door de zijkant van de fenestra antorbitalis is een grote haakvormige schuin naar boven en voren uitstekende plaat zichtbaar. Dit is geïnterpreteerd als het verhemeltebeen hoewel het dan opvallend groot is. Op de zijkant heeft het een duidelijke richel omringd door driehoekige uithollingen.

Onderkaken Bij Hexing zijn de onderkaken lichtgebouwd en — vanwege de uitstekende bovensnavel — met een lengte van 115 millimeter korter dan de schedel. In het holotype is in het achterstuk van de rechteronderkaak een groot gat te zien. Dit is geen natuurlijk venster maar een beschadiging ten gevolge van de onoordeelkundige preparering door de boer, een teken hoe dun de botten zijn. Een echt en veel kleiner buitenste zijvenster bevindt zich veel verder naar voren toe. De onderkaak is achteraan vrij hoog maar de bovenrand begint onder het midden van de fenestra antorbitalis in een rechte lijn schuin naar beneden te lopen. De onderrand gaat daarin niet sterk mee en buigt al snel zelfs iets naar boven toe zodat de voorkant de vorm van een lage puntige wig zou krijgen, ware het niet dat ook de bovenrand in het allervoorste gedeelte naar boven buigt. De typische holle onderrand van andere ornithomimosauriërs ontbreekt dus.

Het voorste bot van de onderkaak, het dentarium, maakt daarvan twee derden van de lengte uit. Het heeft een zijvenster op de helft van de lengte, een uniek kenmerk. De bovenrand is niet scherp genoeg om een snijrand te hebben kunnen zijn. Bij het linkerdentarium zijn vooraan drie of vier lage kegelvormige tanden zichtbaar een basaal kenmerk daar meer afgeleide verwanten alle tanden hebben verloren. Vermoedelijk ontbreken ze bij de rechteronderkaak vanwege een beschadiging. Het dentarium heeft een gevorkt achtereinde dat de voorkant van het normale buitenste zijvenster omvat.