Gigantopithecus is een geslacht van uitgestorven primaten uit de groep van de mensapen (Hominidae).

Het geslacht kreeg in 1935 zijn naam die 'reusachtige aap' betekent, toen de typesoort Gigantopithecus blacki benoemd werd door Ralph von Koenigswald. In Hongkong kocht hij dat jaar in een groothandel voor medicijnen een aantal 'drakentanden' waaronder een enorme kies. Sinds de jaren vijftig werden in grotten in Zuid-China nog een kleine tweeduizend losse tanden gevonden alsmede vier onderkaken. De fossielen stammen uit het Midden-Pleistoceen en hebben een ouderdom van twee miljoen tot driehonderdduizend jaar. Op basis van een tand en een onderkaak uit het Boven-Mioceen, acht tot zeven miljoen jaar oud, van Noord-India en Pakistan werd in 1969 een tweede soort benoemd: Gigantopithecus bilaspurensis die ook wel Gigantopithecus giganteus genoemd werd. Tegenwoordig wordt dit als het aparte geslacht Indopithecus beschouwd.

Omdat de vondsten zo beperkt zijn, is weinig met zekerheid bekend over de bouw van Gigantopithecus. Eerst werd een monsterlijke omvang verondersteld met een geschatte hoogte van 3,7 meter. Later werd dat bijgesteld tot rond de twee meter bij een gewicht van ongeveer tweehonderdvijftig kilogram. Dat maakt hem nog steeds de grootste primaat die bekend is. Zijn hoektanden zijn relatief klein. De kiezen zijn extreem groot met zeer dik glazuur. Ze kunnen gebruikt zijn om harde noten te kraken of taaie wortels te kauwen. De krassen op het glazuur en de samenstelling ervan wijzen er echter op dat voornamelijk vruchten gegeten werden. Dat past ook beter bij zijn leefgebied, dichte subtropische wouden. Wellicht dat Gigantopithecus uitstierf toen de bossen in omvang verminderden. Hij kan ook uitgeroeid zijn door de eerste mensachtige die zijn gebied bereikte, Homo erectus.

Gigantopithecus is een lid van de Ponginae. Zijn nauwste levende verwanten zijn de orang-oetans. Onder de fossiele soorten is Sivapithecus nauw verwant. Dat werd al onderkend door Von Koenigswald. Er is echter een periode geweest dat veel onderzoekers dachten dat het om een tweevoetige mensachtige ging, zelfs een voorouder van de moderne mens. Dat heeft veel bijgedragen aan het mysterieuze karakter van de soort. De kryptozoölogie sloot hierbij aan door te veronderstellen dat Gigantopithecus verantwoordelijk was voor de legenden over de verschrikkelijke sneeuwman en bigfoot. Biologen achten dit zeer onwaarschijnlijk.

Vondst en naamgeving Betekenis van de naam thumb|upright|Davidson Black Gigantopithecus is een neologisme. De naam van het geslacht is afgeleid van de Griekse woorden πίθηκος (oud-Grieks uitgesproken als píthēkos): 'aap' en γίγας, gígas 'reus'.

Het epitheton van het type, Gigantopithecus blacki, eert de Canadese arts en paleoantropoloog Davidson Black, die stierf in 1934, 'wiens fundamentele werkzaamheden aangaande Sinanthropus hem een blijvende herinnering zal verzekeren en wie het helaas niet meer gegund was zijn werk te voltooien'. Gigantopithecus blacki betekent dus 'Black's gigantische aap'.

Toen Gigantopithecus pas benoemd was, dachten veel geleerden dat hij nauw aan de mens verwant was. Sommigen vonden de naam daarom ongepast. In 1946 suggereerde Franz Weidenreich de naam Gigantanthropus, wat in 1950 weer door Hans Weinert gewijzigd werd in Giganthropus. Beide namen zijn jongere synoniemen van Gigantopithecus, welke prioriteit heeft en aldus de geldige naam blijft.

Gigantopithecus wordt benoemd Het genoholotype van het geslacht en tegelijkertijd het holotype van de soort Gigantopithecus blacki is een derde rechterkies (M3) uit de onderkaak. De vondst daarvan is een van de befaamdste verhalen uit de paleoantropologie en een van de weinige met een verband met Nederland. In 1930 was de Duitse paleontoloog Gustav Heinrich Ralph von Koenigswald in Nederlands-Indië gaan werken voor de Dienst van Mijnbouw van Nederlands-Indië. Daarvoor was hij bij het Paläontologisches Museum München assistent geweest van professor Max Schlosser bij het ordenen van de collectie van Karl Albert Haberer die tijdens een reis tussen 1899 en 1901 een grote verzameling fossielen in China had gekocht van apotheken in Peking en Shanghai. Het was al sinds het midden van de negentiende eeuw bekend dat in apotheken voor traditionele Chinese geneeskunde interessant materiaal te vinden was. Destijds golden fossielen in China als zogenaamde 'drakenbotten' die tot poeder werden gemalen omdat er een helende werking aan toegeschreven werd. Von Koenigswald kon nu zulke apotheken op Java zelf bezoeken en kocht wat fossielen. In 1935 bezocht hij eerst een apotheek in Manilla en toen een groothandel in medicijnen te Hongkong en nam de gelegenheid te baat om daar wat ruimer in te slaan, twee kuub aan fossielen kopend. In een partij van een vijftigtal fossiele tanden van orang-oetans viel hem daar een enorme kies op. Een andere grote derde kies, uit de bovenkaak, werd iets later in Zuid-China verworven maar kon in een addendum bij het benoemende artikel nog vermeld worden. Het is niet bekend waar de desbetreffende groothandel in Hong Kong precies de kiezen vandaan had. thumb|left|Deze enorme kies was duidelijk niet van een moderne of fossiele orang-oetan. Het is het holotype. De distale zijde is boven In hetzelfde jaar publiceerde Von Koenigswald de formele eerste beschrijving van het geslacht Gigantopithecus, dat hij dus tegelijkertijd benoemde, die echter slechts een paar regels lang was. Het artikel werd in juli 1935 geschreven en op 28 september 1935 door professor Louis Rutten voorgedragen op een vergadering van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Het holotype maakte deel uit van de collectie van de Universiteit van Utrecht, samen met een zevental verdere tanden. Ze bleven wel eigendom van Von Koenigswald. Von Koenigswald ging na zijn verblijf in een interneringskamp tijdens de Tweede Wereldoorlog in Amerika en Nederland werken. Pas na de oorlog kon hij in 1952 de soort meer in detail beschrijven. Na zijn dood werd zijn collectie ondergebracht bij het Senckenberg Gesellschaft für Naturforschung. thumb|Ralph von Koenigswald De kies viel bij Von Koenigswald op omdat deze veel groter was dan alle orang-oetantanden en zich duidelijk van ze onderscheidde door een veel grover kroonreliëf. De tand was ook groter dan die van een gorilla, maar was flink versleten. Zijn grootste lengte is tweeëntwintig millimeter en zijn grootste breedte is achttien millimeter. De kies mist niet alleen volledig het sterk gerimpelde email dat typisch is voor apen, merkt Von Koenigswald op in de eerste beschrijving, hij wordt ook gekenmerkt door een vreemde overontwikkeling van secundaire knobbels, waardoor het een enigszins vreemde verschijning kreeg voor een primaattand. Als men echter een diagram van de tand tekent, blijken het dezelfde secundaire bultjes te zijn die ook in de orang-oetan kunnen voorkomen. Zo heeft de kies een typisch tuberculum accessorium mediale internum, dus een extra knobbeltje aan de tongzijde en de kant van de voorliggende kies.

In 1938 kocht Von Koenigswald op Java een bovenste hoektand. In 1939 verwierf hij in Hong Kong een onderste derde kies die niet versleten was. Tegen 1939 had Von Koenigswald nog drie individuele Gigantopithecus-tanden in Chinese apotheken ontdekt: een bovenste eerste voortand, nog een bovenste hoektand en twee onderste vierde premolaren. Al die tanden konden alleen op grond van hun grootte gedetermineerd worden.

In 1935 begon, zoals Von Koenigswald nog meekreeg, het Chinese Cenozoic Laboratory of the Geological Survey of China grotten te onderzoeken in het zuiden van China, in Guangdong en Guangxi, waarbij fossielen van de Stegodon-Ailuropoda-fauna gevonden werden. Dit maakte het uiteindelijk mogelijk de tanden te dateren want de fossielen die de apotheken verwierven maakten duidelijk deel uit van die fauna. Zowel de verhandelde als de gevonden fossielen waren ook aangevreten door stekelvarkens. De aanwezigheid van de fossielen is wel verklaard door aan te nemen dat in het Pleistoceen stekelvarkens, van het geslacht Hystrix, ze naar hun holen in een grot sleepten om ze aan te knagen teneinde hun kalkbehoefte te dekken voor de aanmaak van hun stekels. De tandkronen, waarvan de wortels verdwenen zijn, zouden overgebleven zijn omdat ze te hard waren. Fossiele orang-oetans zijn alleen van zulke tanden bekend.

Verdere vondsten thumb|Pei Wenchung of Pei Wenzhong In 1955 werd de Chinese onderzoeker Pei Wenchung door het Institute of Vertebrate Paleontology and Paleoanthropology uitgezonden om de exacte herkomst van de tanden vast te stellen. Zevenenveertig tanden werden in beslag genomen bij lokale fossielenhandelaren. Die verklapten de locatie van zo'n driehonderd grotten in de karstlandschappen van Zuid-China. In achtentachtig daarvan lokaliseerde Pei inderdaad zoogdierfossielen. In 1956 vond Pei in de Heidong, de 'Duistere Grot' op de berg Niusui, drie tanden, de eerste die in situ door paleontologen werden opgegraven. In de zomer van dat jaar groef boer Qin Xiuhuai in Gunagxi de bodem van de Xiaoyangrot in Liucheng (柳城) uit als meststof. Fossielen die hij aantrof, probeerde hij te verkopen als drakenbeenderen maar merkte dat dit intussen verboden was. Bankdirecteur Wei Yaoshe zag dat er een onderkaak tussen zat en overtuigde Qin die aan de autoriteiten af te staan. Thuisgekomen doorzocht Qin met zijn kinderen het veld waar de mest was uitgereden en vond nog een aantal tanden die uit de kaak waren gevallen. Dit was de eerste complete onderkaak die van Gigantopithecus gevonden werd. Het is specimen PA77, ook wel als Mandibula I aangeduid, en is vermoedelijk van een volwassen vrouw. Tussen 1957 en 1963 groef Pei de grot verder uit en vond ruim duizend Gigantopithecus-tanden en nog twee gepaarde onderkaken: Mandibula II ofwel PA78 is van een jongvolwassen individu; Mandibula III ofwel PA83 is van een volwassen man en de grootste onderkaak die bekend is. Deze 'gigantopithecusgrot' werd in 1963 door het bestuur van Guangxi aangemerkt als officieel paleontologisch erfgoed. left|thumb|In dit soort karstbergen zijn de meeste fossielen gevonden. In de jaren zestig en zeventig werden nog meer groeven in grotten geopend. In 1965 werden in een grot op de Bulaliberg twaalf tanden gevonden. Bij boeren in Hubei werden nog eens tweehonderd tanden in beslag genomen. In 1970 zond het IVPP een team naar Hubei om de Longgudong uit te graven, de 'drakenbottengrot', wat nog eens drieëndertig tanden opleverde. Tussen 1998 en 2000 werd de grot opnieuw onderzocht waarbij achtentwintig tanden geborgen werden. In 1973 werd een tand gevonden in een grot op de Nomoberg in het Bamadistrict. In 1974 werden zes tanden gemeld uit de Xiniugrot, de 'neushoorngrot'. Ondanks het vele materiaal bleef de kennis beperkt tot tanden en onderkaken. Van de eigenlijke schedel en het postcraniaal skelet was niets aangetroffen wat bijdroeg aan de mysterieuze sfeer die rond Gigantopithecus bleef hangen.

in de jaren zestig werden in grotten in Noord-Vietnam tanden gevonden die toegewezen werden aan Gigantopithecus. Achteraf bleken ze van de uitgestorven orang-oetansoort Pongo weidenreichi te zijn. In 2022 werden opnieuw resten aan Gigantopithecus toegewezen die misschien de jongste bekende vondsten vertegenwoordigen.