Andalgalornis is een geslacht van uitgestorven schrikvogels (Phorusrhacidae), vleesetende vogels die het vermogen om te vliegen verloren hadden en tijdens een groot deel van het Cenozoïcum de toproofdieren in Zuid-Amerika waren.
Het leefde van het Laat-Mioceen tot het Vroeg-Plioceen (ongeveer zes miljoen jaar geleden) in het gebied van het huidige Argentinië.
Het gedrag van dit geslacht is redelijk goed bekend: Twee studies werden hierover verricht, een eerste in 2010 naar het gebruik van de schedel en een tweede in 2012 naar de beweeglijkheid en beweging van de hals. Voor beide studies werd Andalgalornis gekozen omdat van dit geslacht het beste materiaal bewaard gebleven is.
Het werd geplaatst in de onderfamilie Patagornithinae en heeft slechts als enige bekende soort Andalgalornis steulleti, die ook de typesoort is.
Ontdekking en naamgeving In 1931 publiceerde Lucas Kraglievich de naam, vergezeld van een beschrijving, van een schrikvogel die hij in het geslacht Phorusrhacos (toen nog vaak gespeld als Phororhacos) plaatste, als Phorusrhacos (Phororhacos) steulleti.Kraglievich, L. (1931), Contribución al conocimiento de las aves fósiles de la época araucoentrerriana. Physis 10: 304-315Voor de geschiedenis van de naam Phorusrhacos, zie naamgeving van de Phorusrhacidae In dezelfde publicatie benoemde hij nog een tweede soort schrikvogel, Phorusrhacos deautieri. In 1960 publiceerden Patterson en J.L. Kraglievich opnieuw een naam voor een schrikvogel. Deze nieuwe soort brachten ze onder in een nieuw geslacht dat ze de naam Andalgalornis gaven. De nieuwe soort noemden ze Andalgalornis ferox.Patterson, B. & Kraglievich, J.L. (1960), Sistemática y nomenclatura de las aves fororracoideas del Plioceno Argentino. Publicacion del Museo Municipal Ciencias Naturales y Tradicionales de Mar del Plata 1: 1-51 In 1967 stelde Brodkorb vast dat de naam Phorusrhacos deautieri een synoniem van Phorusrhacos steulleti is en bovendien plaatste hij die soort nu in het geslacht Andalgalornis.Brodkorb, P. (1967), Catalogue of fossil birds, Part III (Ralliformes, Ichthyornithiformes, Charadriiformes). Bulletin of Florida State Museum 11(3): 162. Gearchiveerd op 8 maart 2016. In 2003 bepaalden Alvarenga en Höfling dat Andalgalornis ferox een jonger synoniem is voor Andalgalornis steulleti.
Beschrijving thumb|left|Macrauchenia, een mogelijke prooi voor Andalgalornis Andalgalornis was met een kophoogte van honderdveertig centimeter, een rughoogte van negentig tot honderd centimeter en een gewicht van ongeveer veertig kilogram een middelgrote schrikvogel. Het dier had een zevenendertig centimeter lange schedel, waarvan twee derde werd ingenomen door de roofvogelachtige snavel.Voor een overzicht van de afmetingen van de gevonden exemplaren, zie deze tabel. Gearchiveerd op 24 september 2015.
Patagornis marshi en Andalgalornis steulleti lijken erg op elkaar op het vlak van gewicht en grootte. Andalgalornis is echter iets groter. Bij beide is de diameter van de beenbotten ongeveer vijftien procent groter dan bij de nog levende nandoe.
Het bovenste deel van het bovenkaakbeen is relatief groot in vergelijking met de andere Patagornithinae, waarbij het dorsale deel van de neusgaten niet verhoogd is. De symphysis mandibulae (de vergroeiing van beide onderkaakhelften) is langer dan bij de andere leden van de onderfamilie, en het uiteinde is omhoog gekromd. De halswervels, vooral die dichter bij de borstwervels, zijn steviger dan die van Patagornis. De kammen op het darmbeen zijn aan de rugzijde verenigd, en vormen een uitsteeksel dat uitgesprokener is boven de heupkom. De rostrale rand van de fenestra antorbitalis (een opening in de schedel) is bijna recht en erg verticaal.
Halswervels thumb|left|A:nek van Andalgalorni in zijaanzicht met enkele wervels; de verschillende delen zijn aangegeven met R1, R2 en R3B:wervel 3C:wervel 6D:wervel 11De zwarte strepen geven de schaal weer en zijn één cm lang. Boas verdeelde in 1929 de nek van vogels in drie hoofddelen aan de hand van hun dorsoventrale buiging: deel 1, het dichtst bij de schedel, met hoofdzakelijk ventrale buiging; deel 2, in het midden, met voornamelijk dorsale buiging en deel 3, tegen de rug aan, met zowel beperking van de dorsale als van de ventrale buiging. Deze delen worden van elkaar gescheiden door overgangswervels die een bijzondere morfologie hebben.Boas JEV (1929). Biologisch-anatomische Studien über den Hals der Vögel. D Kgl Danske Vidensk Selsk Skrifter Naturvidensk Mathem 9: 105–222
Bij de nek van Andalgalornis, bestaande uit dertien wervels, kan dit ook gezien worden.
Deel 1 Dit deel bestaat uit de eerste tot en met vijfde halswervel. De in het algemeen kortere en robuustere wervels vormen hier een nogal massief, samenhangend deel van de nek. De facies articularis cranialis, het voorste gewrichtsvlak van het wervellichaam, is slechts zwak ontwikkeld. De facies articularis caudalis, het achterste gewrichtsvlak, is zichtbaar wanneer de wervels van boven bekeken worden.
De atlas - de eerste wervel - van Andalgalornis is echter niet geconserveerd. Er kan dus ook niets over gezegd worden. De tweede halswervel (de axis) is lang. De onderzijde ervan is ruw en voorzien van drie richels. Van deze richels bevindt zich één in het midden en de andere twee aan de zijkant. De zygapophyses craniales, de voorste jukvormige werveluitsteeksels, zijn klein. De ansa costotransversaria, het handvatvormige uitsteeksel dat aan de zijkant achter de zygapophysis cranialis ligt, heeft een kleine processus costalis, ribuitsteeksel. De zygapophyses caudales, de achterste werveluitsteeksels, zijn groot en aan hun onderzijde hol. De facies articularis caudalis, het achtervlak van het wervellichaam, is schuin naar boven gericht. De processus spinosus, het doornuitsteeksel op de wervel, is hoog, dik en heeft aan de achterkant een brede verticale fossa - een groeve in het bot - waar het ligament bevestigd was.
De derde halswervel heeft een smaller en aan de onderzijde bol wervellichaam (corpus). De facies articularis cranialis is, craniaal bekeken, dun en onderaan verbreed. De zygapophyses craniales steken naar voren en boven uit en zijn licht bol. De ansa costotransversaria is robuust en strekt zich van voor naar achteren uit. Het tuberculum ansae is dik maar niet erg opvallend. De processus costalis is klein. De facies articularis caudalis is in verhouding kleiner en grotendeels naar boven gericht. Van boven bekeken heeft de wervel de algemene vorm van een trapezium dat breder dan lang is. De concavitates laterales, de uithollingen op de zijkant, zijn dan verborgen. De achteraan geplaatste processus spinosus is hoog en breed en heeft aan de achterzijde een diepe, ellipsvormige uitholling die volgens Tambussi et al. mogelijk de plaats is waar het ligamentum elasticum interlaminare, het elastische kapsel dat bij vogels het doornuitsteeksel met zijn tegenhanger op de volgende wervel verbindt, bevestigd was. De tori dorsales, de epapofysen die uitsteeksels vormen naast de achterste basis van het doornuitsteeksel, zijn hoog en zijn naar achteren en zijwaarts geplaatst boven de buitenste zijkant van de grote, licht holle zygapophyses caudales.
Dit stuk van de nek kon naar beneden gebogen worden, maar slechts beperkt naar boven.
Eerste overgang De vijfde wervel is de laatste van deel 1. Als overgangswervel vertoont hij enkele bijzondere morfologische kenmerken. Het wervellichaam langer en breder dan bij de vorige wervels. Het verbreedt naar achteren toe. Onderaan is het licht hol. De wervel is sterker verlengd dan de wervels 1-4, maar minder dan de wervels van deel 2. De facies articularis cranialis is verticaler in vergelijking met de vorige wervels. De facies articularis caudalis staat ook verticaal. De voorste werveluitsteeksels (zygapophyses craniales) zijn ook licht verticaal, waarbij de helling schuin van voren naar binnen gericht is. Schuin achter de facies articularis cranialis bevinden zich de ver uitstekende processus transversi, uitsteeksels aan de wervels waaraan spieren en ligamenten bevestigd zijn. De ansae costotransversariae zijn lang en robuust, met zwak ontwikkelde tubercula ansae. Opvallend is dat deze te onderscheiden zijn van de processus transversi, iets wat niet vaak voorkomt bij volwassen vogels. Doordat de lamina lateralis arcus gereduceerd is kan de concavitas lateralis van boven gezien worden. De processus spinosus, het centrale doornuitsteeksel boven op de wervel, is kleiner dan bij de vorige wervels. De ruimte tussen de achterste werveluitsteeksels heeft een V-vorm, waarbij vooraan het hoogste punt even hoog is als de kleine tori dorsales, en hij achteraan ophoudt bij de achterrand van de zygapophyses caudales. Deze vorm zorgt ervoor dat de wervels ineen passen tijdens het omhoog buigen. De zygapophyses caudales zelf zijn klein en wijzen naar de zijkant en naar beneden.
Deel 2 Het tweede deel van de nek bestaat bij Andalgalornis uit wervels 6 tot 9. Het beslaat iets meer dan dertig procent van de totale lengte van de nek.
De eerste wervel van deze regio, de zesde van de nek, is verantwoordelijk voor het grootste deel van de opwaartse buiging. Zijn voorste gewrichtsvlak is breder dan bij de wervels uit deel 1 en staat loodrecht op de lengteas van de hals. De zygapophyses craniales staan schuin naar het midden gericht en zijn kleiner dan die van de vorige wervel. De processus transversi staan verticaal, zijdelings van de zygapophyses craniales. Deze processus zijn met de bases van de tori dorsales, uitsteeksels aan de achterkant van een wervel, verbonden door middel van dunne uitsteeksels aan hun achterzijde. Deze uitsteeksels komen voor bij alle wervels van deel 2. De ansa costotransversaria is robuust en heeft sterk ontwikkelde tubercula ansae en crista lateralis, een kam aan de zijkant van de wervel waar spieren aan bevestigd zijn. De processus caroticus, een uitsteeksel aan de onderkant van de wervel, voor de geleiding van de halsslagader, is goed zichtbaar en naar beneden en naar binnen gericht. Het achterste gewrichtsvlak is, net als het voorste, breed. Het doornuitsteeksel boven op de wervel is bovenaan naar achteren geneigd, zodat het de voorste wervels niet tegenhoudt wanneer de nek naar boven gebogen wordt. Het is ook, net als de torus dorsalis, gereduceerd. In tegenstelling tot Procariama, valt de lamina lateralis samen met het wervellichaam. De concavitas lateralis, een uitholling aan de zijkant, is breed ontwikkeld.
De wervels 6, 7 en 8 zijn morfologisch gezien erg gelijkaardig. De zevende verschilt echter doordat: op de ansa costotransversaria het tuberculum ansae en de crista lateralis nog uitgesprokener zijn; de processus carotici robuuster zijn en de voorste werveluitsteeksels meer naar het midden toe gebogen zijn. Bij deze wervel verbindt de crista transversoobliqua het doornuitsteeksel bovenaan met de tori dorsales. Bovendien ligt het bevestigingspunt van het ligamentum elasticum interlaminare, een ligament, dieper, waardoor een groeve gevormd wordt van de wervelboog naar de lacuna interzygapophysialis.
Tweede overgang De negende nekwervel is breder, maar heeft voor de rest dezelfde morfologie als de wervels in deel 2.
De processus spinosus is gesplitst in twee aparte uitsteeksels, met een brede afstand tussen beide. De processus costales zijn veel robuuster en verder naar achteren uitgerekt dan bij de wervels in deel 2. Ze gaan zelfs bijna tot het einde van de wervel. Deze processus komen voor bij alle voorliggende wervels, maar ze zijn geërodeerd of gebroken bij de tot nu toe gevonden fossielen. Hierdoor kan men hun anatomie niet onderling vergelijken.
De achterste lacuna interzygapophysialis is aan drie kanten begrensd en heeft de vorm van een trapezium, met de langste zijde tussen de uiteinden van de zygapophyses caudales.
Deel 3 Dit deel bevat de wervels 10 tot 13 en markeert het begin van de rugwervels. Onderzoek in 2012 wees uit dat dit stuk slechts beperkt op en neer kon worden bewogen.