Guy Coëme (Bettenhoven, 21 augustus 1946) is een voormalig Franstalig Belgisch politicus voor de Parti Socialiste (PS).
Levensloop Coëme behaalde in 1968 een licentie in de politieke wetenschappen aan de universiteit van Luik en sloot zich vroeg aan bij de socialistische beweging, waarin hij snel opklom. Hij zou zijn hele carrière in de partij gelden als deskundige en loyale partijfunctionaris. Zijn carrière begon hij als een beschermeling van Edmond Leburton. Van 1970 tot 1974 was hij als attaché verbonden aan het politiek bureau van de toenmalige PSB.
In oktober 1970 werd Coëme verkozen tot gemeenteraadslid van Borgworm, waar hij van januari 1971 tot maart 1974 schepen was, bevoegd voor Jeugd, Cultuur en de Derde Leeftijd. In november 1971 werd hij verkozen tot provincieraadslid van Luik, hetgeen hij zou blijven tot in maart 1981. Van maart 1974 tot maart 1981 was hij lid van de bestendige deputatie van Luik met onderwijs onder zijn bevoegdheid. Hierdoor moest hij ontslag nemen als gemeenteraadslid en schepen van Borgworm. In dezelfde periode was hij van 1975 tot 1980 lid van de Gewestelijke Economische Raad voor Walloniê en van 1979 tot 1980 beheerder van de Waalse Investeringsmaatschappij SRIW, waarvan hij een van de medeoprichters was. Eerder was hij vanaf september 1978 voorzitter van de Maatschappij voor de Gewestelijke Ontwikkeling van Walloniê.
In februari 1981 werd Coëme actief in de nationale politiek toen hij door PS-voorzitter Guy Spitaels aangesteld werd tot staatssecretaris voor het Waals gewest, eerst in de Regering-Martens IV, daarna in de Regering-M. Eyskens. Hij bleef staatssecretaris tot in december 1981.
Bij de verkiezingen van november 1981 werd hij verkozen tot lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers voor het arrondissement Hoei-Borgworm, waar hij uitgroeide tot een bijzonder populair politicus die bij verkiezingen tussen 1988 en 1995 grote aantallen voorkeurstemmen haalde. Hij bleef volksvertegenwoordiger tot in april 1996. Coëme zetelde in de commissies Bedrijfsleven (1981-1987), Volksgezondheid, Gezin en Leefmilieu (1981-1984), Financiën (1984-1987), Bedrijfsleven, Wetenschapsbeleid, Onderwijs en Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen (1994-1995), Buitenlandse Betrekkingen (1994-1996) en Herziening van de Grondwet (1995-1996) en was van juni 1995 tot april 1996 quaestor in de Kamer. Door het toen bestaande dubbelmandaat zetelde hij tussen 1981 en 1995 ook in de Franse Gemeenschapsraad en de Waalse Gewestraad. In de eerste assemblee was Coëme van 1981 tot 1985 actief in de commissie Gezin en Sociale Bijstand en in het tweede parlement was hij van 1981 tot 1985 ondervoorzitter van de commissie Leefmilieu en Waterbeleid en maakte hij deel uit van de commissies Economie, Tewerkstelling en Middenstand (1985-1987) en Economie, KMO's, Buitenlandse Betrekkingen en Toerisme (1994-1995).
In oktober 1982 werd Coëme opnieuw verkozen in de gemeenteraad van Borgworm en begin 1983 werd hij er terug schepen, bevoegd voor Financiën. In februari 1987 volgde hij Edmond Leburton op als burgemeester, wat hij zou blijven tot in april 1996. Ook was Coëme van februari 1983 tot februari 1988 binnen de PS vicevoorzitter en voorzitter van het permanente comité van Waalse federaties binnen de PS. In februari 1988 werd hij minister-president van de Waalse Regering, wat hij slechts enkele maanden bleef.
Toen de PS in mei 1988 opnieuw in de federale regering stapte, werd Coëme minister van Defensie in de regeringen-Martens VIII en -IX. Tijdens zijn ministerschap pleitte hij voor een inkrimping van het leger en in 1988 verzette hij zich tegen de modernisering van de NAVO-kernwapens. Bij de Eerste Golfoorlog in 1991 leverde België munitie en ondersteuning aan Frankrijk en Groot-Brittannië. In 1990 ondertekende en bekrachtigde hij samen met 14 andere regeringsleiders een van de meest liberale abortuswetgevingen ter wereld.
In de regering-Dehaene I promoveerde Coëme in maart 1992 tot vicepremier en minister van Verkeer en Overheidsbedrijven, functies die hij tot in januari 1994 behield. Tijdens zijn mandaat werden een aantal overheidsbedrijven hervormd tot autonoom overheidsbedrijf, zoals de NMBS, De Post en Belgacom, wat hun privatisering later in de jaren 90 en 2000 voorbereidde.
Gerechtelijke problemen thumb|180px|Verzoek aan de Kamer om Guy Coëme in beschuldiging te stellen in de UNIOP-affaire. Eind 1993 kwam Coëme onder grote druk te staan door het gerechtelijk onderzoek naar het Agustaschandaal, de zaak rond uitbetaling van zes miljard frank aan smeergeld aan socialistische politici bij de aankoop van 46 helikopters voor de som van 12 miljard frank van het Italiaanse bedrijf Agusta door het Belgische leger in december 1988, die plaatsvond toen Coëme minister van Landsverdediging was. Dat geld was voor een deel doorgesluisd naar de partijkassen van de PS en haar Vlaamse zusterpartij SP. Op 14 december 1993 werd bekend dat Véronique Ancia, de onderzoeksrechter die het Agusta-onderzoek uitvoerde, Coëme wilde ondervragen in deze zaak, net als zijn partijgenoten Guy Mathot en Guy Spitaels. Zes dagen later vroeg de Luikse procureur-generaal Léon Giet aan het parlement de opheffing van de parlementaire onschendbaarheid van de drie politici. De Kamer richtte daarop een speciale commissie op om de vraag van het gerecht te onderzoeken en te beslissen of Coëme in beschuldiging mocht worden gesteld in de zaak en zodoende door het Hof van Cassatie vervolgd kon worden.
In januari 1994 lekte uit dat Ancia in een nota aan de Kamer Coëme verdacht van valsheid in geschrifte, omdat bij de aankoop van de 46 Agusta-helikopters aan het kernkabinet van de regering een vervalst document zou zijn voorgelegd. In het oorspronkelijke evaluatierapport van de aankoopdienst van het leger, dat in juli 1988 was opgesteld, was een passage geschrapt die nadelig was voor de Agusta-helikopters, die in het aankoopdossier concurreerde met de Duitse BK117 en het Franse Écureuil, die de voorkeur genoten van legerexperts. Eveneens was er informatie in het voordeel van deze concurrenten weggelaten in het aangepaste document.
Op 13 januari weerlegde Coëme in een persconferentie de beschuldigingen. Het aangepaste document was volgens hem een niet-ondergetekende kladversie die was opgesteld als voorbereiding van het dossier dat aan de ministerraad was voorgelegd en had hij naar eigen zeggen nooit gezien. Verder verklaarde hij dat de aankoop van de Agusta-helikopters conform de wettelijke regels was verlopen. Een rapport van het Hoog Comité van Toezicht stelde echter iets anders; er was volgens hen sprake van zeven onregelmatigheden bij de aankoop van de Italiaanse helikopters, zoals de abnormale lage prijs van de offerte en de duidelijke ongelijke behandeling tussen de drie gegadigden in het aankoopdossier. De andere regeringspartijen zegden daarop het vertrouwen in Coëme op en op 21 januari 1994 nam hij ontslag uit de regering. Twee dagen later werd hij opgevolgd door Elio Di Rupo. Op 1 februari 1994 stemde de Kamer er op advies van de bijzondere commissie mee in om Coëme naar Cassatie te verwijzen op grond van aanwijzingen van omkoping. De aanwijzingen van schriftvervalsing en het gebruik van valse documenten werden niet weerhouden, omdat ze als niet sterk genoeg beschouwd om hierover nader onderzoek te voeren. Op 19 februari liet het gerecht huiszoekingen uitvoeren op het thuisadres en het kantoor van Coëme en in de zomer van 1994 werd hij formeel in verdenking gesteld van passieve corruptie in de Agusta-affaire.
In februari 1994 kwamen ook in de UNIOP-affaire beschuldigingen boven water. Het onderzoeksbureau UNIOP zou in de jaren 1980 verschillende niet-uitgevoerde studies hebben gefactureerd aan politici van de PS. De opdrachten die wel waren uitgevoerd, waren dikwijls te zwaar gefactureerd. Vermoed werd dat een deel van de aangerekende bedragen was teruggevloeid naar betrokkenen in de zaak en in de partijkas van de PS was beland. Op 1 juli 1994 stuurde de Brusselse procureur-generaal André Van Oudenhove het dossier naar het parlement omdat het gerecht wilde uitzoeken of er redenen waren om minister Willy Claes en oud-ministers Coëme en Philippe Moureaux in deze zaak te laten vervolgen door Cassatie, op verdenking van het gebruik van overheidsgeld voor persoonlijke doeleinden. De ministers zouden in 1989 enquêtes hebben besteld bij UNIOP, bij Coëme zouden ook persoonlijke kosten zijn vergoed en kabinetsmedewerkers zijn betaald. Op advies van de aangestelde bijzondere commissie van de Kamer werd Coëme op 14 juli 1994 doorverwezen naar Cassatie, omdat er aanwijzingen waren van schriftvervalsing, corruptie en oplichting, alhoewel hij elke betrokkenheid ontkende. Claes en Moureaux bleven buiten schot omdat te weinig aanwijzigingen van strafbare feiten waren. Ondanks alle beschuldigingen bleef Coëme populair bij zijn kiezers en behaalde hij hoge stemmenaantallen bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1994 en de parlementsverkiezingen in 1995.
In april 1996 werd Coëme in het UNIOP-proces voor het Hof van Cassatie veroordeeld voor corruptie en schriftvervalsing. Hij kreeg een voorwaardelijke celstraf van twee jaar, verloor voor vijf jaar zijn politieke en burgerrechten en diende een boete van 200.000 Belgische frank te betalen. Dit betekende het voorlopige einde van zijn politieke carrière, aangezien hij ontslag diende te nemen uit zijn mandaten van federaal volksvertegenwoordiger en in de lokale politiek van Borgworm. Merkwaardig waren de publieke steunbetuigingen die Coëme kreeg van PS-kopstukken als Philippe Moureaux, Claude Eerdekens, José Happart en Philippe Busquin, die hem prezen als voorbeeldig politicus die een dergelijke veroordeling niet verdiend had.
In 1998 kwam het echter tot een tweede veroordeling, deze keer in de Agusta-Dassaultaffaire. De Dassault-affaire ging over 600 miljoen frank smeergeld dat de Franse vliegtuigbouwer Dassault had betaald om in 1989 een contract binnen te halen voor de uitrusting van de F-16-gevechtsvliegtuigen met een elektronisch afweersysteem, geld dat ook deels in de partijkassen van de PS en de SP was beland. Coëme was bevoegd voor de toekenning van het contract en daarom kreeg het gerecht in oktober 1995 de toestemming van de Kamer om zijn rol in deze zaak verder te onderzoeken. In november 1997 werd hij dan op advies van een bijzondere Kamercommissie naar het Hof van Cassatie doorverwezen, waarbij hij in beschuldiging werd gesteld van corruptie, schriftvervalsing en het gebruik van valse documenten. In januari 1998 werd Coëme met elf andere verdachten gedagvaard voor het Hof van Cassatie. Het proces duurde van september tot december 1998. Uiteindelijk werd de oud-minister enkel veroordeeld voor corruptie en schriftvervalsing in de Dassault-affaire: hij kreeg opnieuw twee jaar voorwaardelijk, verloor zijn politieke rechten voor vijf jaar en moest een boete van 60.000 euro betalen. Doordat in België bij een meervoudige veroordeling enkel de zwaarste straf geldt, betekende dit voor Coëme nauwelijks een verandering door zijn eerdere veroordeling in de UNIOP-affaire. Hij vocht zijn beide veroordelingen aan voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die in juni 2000 zijn straf in het UNIOP-proces en in juni 2005 zijn straf in het Agusta-Dassault-proces bevestigde. Wel kreeg hij een zekere genoegdoening, doordat het hof aanvaardde dat de strafprocedures voor het Hof van Cassatie niet geheel duidelijk waren.
Hernieuwde carrière Na zijn veroordeling bleef Coëme gewoon partijlid van de PS. Hij kreeg verder een bestuursmandaat bij de Association de Promotion des Intercommunales Liégeoises (April), een belangenvereniging van Luikse intercommunales, waarvan hij van 1997 tot 2007 gedelegeerd bestuurder was. Daarnaast richtte hij in 1997 een consultancybureau op, Canyon Consulting.