thumb|De Dorpsstraat te Lieshout omstreeks 1900 De geschiedenis van Lieshout als dorp begon in de achtste eeuw, toen de Franken een domein stichtten in een onbevolkt gebied in het zuidwesten van de huidige gemeente Laarbeek in de Nederlandse provincie Noord-Brabant. Menselijke bewoning was er op die plaats al in de prehistorie en het gebied is continu bewoond geweest tussen ongeveer 1000 v.Chr. en 225 n.Chr.
Omstreeks 1190 schonk de heer van Lieshout het domein aan de abdij van Floreffe. In de eeuwen daarna verkreeg Lieshout de status van heerlijkheid en werd het bezit ervan overgedragen aan de abdij van Postel. In 1698 verkocht deze abdij vrijwel alle goederen van de heerlijkheid aan de pachters en enkele particuliere beleggers. De abdij verkocht de resterende goederen, evenals alle rechten die het klooster in Lieshout bezat, in 1714 aan Adriaan Bout, telg van een Hollandse adellijke familie.
Door de hervormingen die tijdens en na de Franse tijd doorgevoerd werden, kwam er een eind aan de bestuurlijke bevoegdheden en de jurisdictie van de heerlijkheid Lieshout. De jurisdictie werd belegd bij hogere overheden en de bestuurlijke functies werden uiteindelijk, met de invoering van de Gemeentewet in 1851, toegewezen aan de gemeente Lieshout. Wat de heerlijke rechten betreft, deze werden in 1795 vervallen verklaard, maar later werden enkele rechten hersteld. In 1842 verkochten de erven Bout de goederen en de rechten die zij in Lieshout bezaten aan Albert Bots, een Helmondse industrieel. Bots en zijn erfgenamen zetten afkoopprocedures in gang waarmee ze al hun rechten te gelde maakten, met uitzondering van het jacht- en het visrecht. In 1887 verkochten de erven Bots hun Lieshoutse bezittingen, inclusief de overgebleven rechten. In 1899 vonniste de rechter dat de heerlijke jacht- en visrechten reeds lang vervallen waren.
De ontsluiting van Lieshout aan het eind van de 19e eeuw leidde tot het ontstaan en de bloei van industriële activiteiten. Ongeveer tegelijkertijd werden de woeste gronden in het westen van Lieshout ter ontginning uitgegeven en gaandeweg ontstond op die plek een nieuw dorp, Mariahout. In 1997 kwam er een eind aan de zelfstandigheid van de gemeente Lieshout, toen de dorpen Lieshout en Mariahout deel gingen uitmaken van de nieuwe gemeente Laarbeek.
Vroegste geschiedenis Op Lieshouts grondgebied zijn sporen gevonden die teruggaan tot ongeveer 10 000 v.Chr. Aanvankelijk waren de vondsten toeval, zoals in 1917 tijdens het graven van het Wilhelminakanaal. (1943): Nederland in den Romeinschen Tijd, deel II, E.J. Brill, Leiden, blz. 356 Pas vanaf het eind van de 20e eeuw werden archeologische opgravingen planmatig aangepakt, voorafgaand aan elke geplande uitbreiding van het dorp. Dat gebeurde achtereenvolgens in de periode 1989-1995 door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (uitbreidingsplan de Nieuwenhof), in de periode 1999-2002 door bureau VUhbs (een bedrijventerrein, inmiddels de Stater geheten) en in de periode 2010-2011 door bureau BAAC (uitbreidingsplan de Nieuwenhof Noord). (2005): Archeologisch onderzoek aan de Beekseweg te Lieshout, Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 18, VUhbs, Amsterdam;
De ruim 17 000 artefacten die hierbij werden opgegraven bestaan voor het overgrote deel uit vondsten van aardewerk, bouwkeramiek, natuursteen en vuursteen. Daarnaast zijn vele objecten gevonden van bot, metaal en glas. Uit de vondsten kan afgeleid worden dat Lieshouts grondgebied continu menselijke bewoning heeft gekend vanaf ongeveer 1000 v.Chr., met een onderbreking die duurde van de derde tot de achtste eeuw.
Prehistorie thumb|De opgegraven gouden stater Bij de drie planmatige opgravingen werden bijna duizend vuurstenen artefacten gevonden. Deze stammen onder meer uit de Tjongercultuur en de Klokbekercultuur. De vroegste grondsporen zijn van twee nederzettingen. De kleinste dateert uit de ijzertijd en bestond uit een erf met een hoofdgebouw en zestien bijgebouwen.
De andere nederzetting telde zes huizen en meer dan veertig bijgebouwen. In de late bronstijd en de ijzertijd leefden waarschijnlijk één of twee boerenfamilies op dit terrein. Bijzonder is een daar gevonden gouden Ambiani stater, een munt van omstreeks 50 v.Chr., waarschijnlijk als offer gedeponeerd in het paalgat van een spieker.
Romeinse tijd thumb|Romeins aardewerk gevonden bij het graven van het Wilhelminakanaal De eerste bewijzen van bewoning in de Romeinse tijd werden in 1917 toevallig gevonden bij de aanleg van het Wilhelminakanaal. Toen zijn sporen aangetroffen van een Romeinse nederzetting met daarbij resten van een grafveld.
Bij de planmatige opgravingen, die veel later plaatsvonden, zijn op nog vijf locaties sporen gevonden van Romeinse bewoning. In totaal gaat het daarbij om minstens 50 huizen. Deze vertegenwoordigen de onderkomens van vier tot vijf families uit de periode van ca. 30 v.Chr. tot 225 n.Chr. Bij de huizen bevonden zich tientallen bijgebouwen, ruim twintig waterputten, meer dan honderd greppels en een weg die vermoedelijk gelopen heeft van Son naar Beek en Donk.
Ook werden enkele crematie-graven blootgelegd, met in de naaste omgeving een ruimte met bijgiften. De giften bestonden uit onder meer twee terra sigillata borden, drie geverfde borden, twee geverfde bekers en twee kruikjes. Vermeldenswaard is ook dat in dit gebied twee eikenhouten nokpalen van een boerderij werden aangetroffen; in zandgrond zijn voorwerpen van hout na zo'n lange tijd meestal vergaan.
Middeleeuwen Het domein Lieshout Omstreeks het jaar 700 werd door Frankische edelen een domein gesticht in het gebied, waar thans in Lieshout de buurtschap 't Hof is gelegen. (1987) - blz. 11 Dit domein was een allodium, een vrij bezit waarvan de heer aan niemand ondergeschikt was. - nr. 46 De ontwikkeling van het domein Lieshout speelde zich af in twee perioden. Aan het eind van de eerste periode, omstreeks het jaar 850, omvatte het domein naast het kasteel met landerijen van de heer, 't Hof genaamd, vier hoeven die waren uitgegeven aan horigen. Dat waren hoeve het Achterbosch, hoeve ter Smisse, hoeve het Rodeken en de Nieuwe Hoof aan het Bosch. De nederzetting kende naar schatting in totaal 50 inwoners. (1987) - blz. 14
Na het uiteenvallen van het rijk van Karel de Grote lag de ontwikkeling van het domein lange tijd stil. Tegen het jaar 1000 begon een nieuwe ontginningsperiode en kwamen er vier horigenhoeven bij: de Plashoeve, de Nieuwe Hoeve op Duijnhoven, hoeve vander Schoot en hoeve aan het Bosch. In deze periode werd een hoeve afgesplitst van de herenhoeve 't Hof, te weten hoeve de Nieuwenhof. Aan het eind van de elfde eeuw telde het domein naar schatting 150 inwoners. (1987) - blz. 17
Sporen Bij de opgravingen die tussen 1989 en 2011 in Lieshout werden verricht, zijn sporen aangetroffen van boerderijen die tot het domein behoorden. Ze stammen uit de elfde en twaalfde eeuw. Er werden in totaal vijf erven blootgelegd. Drie daarvan lagen in het zuidwestelijk deel van het domein; waarschijnlijk behoorden die tot hoeve de Nieuwenhof. De andere twee werden gevonden in het noordoosten, in het gebied waar hoeve Duijnhoven en hoeve het Rodeken gelegen waren. Tot welke hoeven deze boerderijen behoorden is niet met zekerheid te zeggen. Het is niet precies bekend hoe destijds de scheidslijnen tussen de hoeven liepen en bovendien veranderde de ligging van de boerderijen in de loop der eeuwen. Boerderijen waren in die tijd nog woonstalhuizen die hun stevigheid kregen van palen die diep in de grond verankerd waren. Deze boerderijen hadden een levensduur van minder dan honderd jaar; dan waren de palen onderaan verrot. Ze werden meestal wel herbouwd, zij het vaak op een andere plaats. - blz. 32
Servaaskapittel
Op een of andere wijze zijn de vier hoeven uit de tweede ontginningsperiode rond het jaar 1100 in handen gekomen van Ricwin van Kempenich, Herbert van Hees en Reinard van Millen. De nieuwe eigenaren schonken de vier hoeven aan de Sint-Servaaskerk te Maastricht. Deze schenking werd in 1146 bevestigd door koning Koenraad III. De schenking moet zijn gedaan na 1139; er komen namelijk nog geen Lieshoutse bezittingen voor in de opsomming van de schenkingen aan de Sint-Servaaskerk die in dat jaar werd opgesteld. - nr. 42
In de tweede helft van de twaalfde eeuw ging ook een hoeve uit de eerste periode verloren uit het domein, doordat hoeve het Rodeken in het bezit kwam van de heer van Rixtel.
Abdij van Floreffe Omstreeks 1190 trad ridder Boudewijn, op dat moment heer van Lieshout, in bij de orde der norbertijnen en schonk het domein aan de abdij van Floreffe. (1987) - blz. 33 en blz. 35 Bij zijn intrede in het klooster stelde Boudewijn de spijnden in (afgeleid van het Middeleeuwslatijnse spendere = uitdelen). Daarmee werd het domein Lieshout verplicht jaarlijks 324 vaten oftewel 27 mud rogge ter beschikking te stellen. Van de rogge werd door het jaar heen brood gebakken dat viermaal per week uitgedeeld werd aan de armen van Lieshout. Op een van die vier dagen werd het tevens uitgedeeld aan armen van omliggende dorpen. De pastoor van Lieshout was verantwoordelijk voor de uitdelingen. Boudewijn bepaalde bij het instellen van de spijnden ook dat de armen van Lieshout jaarlijks zouden ontvangen: twee vette ossen, een ton boter, honderd pond was, twee gezouten zalmen en een hoeveelheid peper. De gezouten zalmen hadden daarbij waarschijnlijk alleen een symbolische betekenis. (1987) - blz. 37
Convent Met toestemming van Herman, de toenmalige abt van Floreffe, stichtte Boudewijn op het domein een convent. Van de vier of vijf monniken die deze kloostergemeenschap telde was er één belast met het beheer van het allodium; hij droeg de titel Magister oftewel Meester van Lieshout. De magister onderhield tevens het contact met de buitenwereld en vertegenwoordigde het convent namens de abt van Floreffe. Boudewijn was de eerste norbertijn die deze functie vervulde. - nr. 89, nr. 94 en nr. 109 Andere taken die de monniken op zich namen waren die van pastoor, verantwoordelijk voor de zielzorg van de inwoners van Lieshout en van provisor, belast met de huishoudelijke zaken van het convent. Alle monniken hielden zich, naast andere taken, bezig met het bewerken van het land en het verzorgen van het vee. - hoofdstuk 2
Leen van Servaaskapittel In zijn functie als magister verzocht Boudewijn het Servaaskapittel de vier hoeven die het in Lieshout bezat, aan hem te verkopen. (1987) - blz. 42 Het verzoek werd met verbazing ontvangen omdat het kapittel in de veronderstelling verkeerde dat het eigenaar was van het gehele domein Lieshout, waarschijnlijk doordat de schenking nogal onnauwkeurig was omschreven. Het kapittel belastte twee kanunniken met een onderzoek naar de aard van zijn eigendom in Lieshout. De opdracht werd gegeven aan Hendrik van Bocholt die de vier Lieshoutse hoeven in leen had tegen een cijns van 19 penningen per jaar, en een zekere ridder Bindolf. Op grond van de bevindingen van de kanunniken erkenden de deken en het kapittel in 1199, in aanwezigheid van Boudewijn, dat de rechten die het Servaaskapittel in Lieshout bezat, slechts betrekking hadden op vier hoeven. Boudewijn kreeg voorkeursrecht bij de eventuele verkoop van deze hoeven. In 1201 deed Hendrik van Bocholt afstand van de leenrechten die hij in Lieshout bezat. Het Servaaskapittel gaf de hoeven vervolgens in leen aan de abdij van Floreffe, tegen dezelfde cijns van 19 penningen per jaar. - nr. 89 en nr. 94
Gemeynt Lieshout was tot het begin van de dertiende eeuw een van de zogenoemde consorten van Rode, wat wil zeggen dat het gewoonterecht van het graafschap Rode er van kracht was. Het graafschap Rode was geen graafschap in de eigenlijke zin, maar eerder een landstreek die in de invloedssfeer viel van de graaf van Gelre. In 1231 kocht hertog Hendrik I van Brabant het graafschap Rode van graaf Otto II van Gelre, waardoor het domein Lieshout deel ging uitmaken van het hertogdom Brabant.