Een nachtdierenhuis, ook wel noctuarium (van Latijn nox = nacht) genoemd, is een gebouw in een dierentuin waarin nachtactieve diersoorten worden gehouden. In een nachtdierenhuis zijn dag en nacht kunstmatig verwisseld: overdag wordt door middel van verduistering gezorgd voor “nacht” zodat de dieren gestimuleerd worden om actief te zijn gedurende de bezoekuren, terwijl tijdens de nacht door middel van lampen een kunstmatige “dag” wordt gemaakt.

Over het algemeen worden kleine en middelgrote zoogdieren zoals halfapen, vleermuizen, knaagdieren, klimbuideldieren, tandarmen, kleine roofdieren en aardvarkens in een nachtdierenhuis gehouden. Daarnaast houden sommige dierentuinen ook nachtactieve vogels zoals kiwi's, uilen en nachtzwaluwen, reptielen, amfibieën, vissen en geleedpotigen.

Nachtdierenhuizen in Nederland en België

Artis thumb|250px|Dwergmuismaki in Artis In Europa was Natura Artis Magistra een van de voorlopers op het gebied van nachtdierenhuizen voor de huisvesting van nachtactieve zoogdieren.Artis-gidsen (196?, 1988, 1996, 2001, 2009)Het boek van Artis (Leonard de Vries, 1981)Artis, een Amsterdamse tuin (P. Smit, 1988)

Stinkhuis en Vossegang In de eerste jaren van Artis werden kleine zoogdieren op diverse plaatsen in de tuin gehouden. Aan het einde van de negentiende eeuw bevond zich in het midden van de tuin het eerste gebouw dat verschillende kleine zoogdieren huisvestte en dit gebouw stond bekend als het “Stinkhok”.Kijkjes in den dierentuin (J.E. Rombouts, 1888)

In 1900 werd een nieuw en groter gebouw voor kleine zoogdieren gebouwd ten oosten van de zuidelijke vijver op de plek waar zich voorheen de volières voor pauwiezen en andere hoendervogels bevonden. Tegenwoordig is deze locatie het westelijke deel van de Pampa. Het was een langwerpig gebouw met een lange rij kooien aan beide zijden met binnen kleine nachtverblijven. Dit gebouw kwam bekend te staan als de “Vosse(n)gang”, terwijl ook namen als “Pullmancar” en “Stinkhuis” wel gebruikt werden. Een groot aantal zoogdiergroepen was in de loop der jaren te zien in de Vossegang: mierenegels, buideldieren zoals boomkangoeroes en wombats, vleermuizen, halfapen, kleine apen, aardvarkens, reuzenschubdieren, reuzenmiereneters, knaagdieren zoals stekelvarkens, chinchilla's en agoeti's, kleine roofdieren en kleine antilopen. Een tweetal bijzondere kleine zoogdieren die in de eerste helft van de twintigste eeuw in Artis werd gehouden, was overigens niet in de Vossegang te zien: een gewone vachtegel leefde van 1911 tot 1920 in de “Ronde Kas”, terwijl in het voormalige café “Eik en Linde” (beter bekend als het Wolvenhuis) van 1914 tot 1937 een vingerdier werd gehouden. Halverwege de jaren zeventig was de Vossegang sterk verouderd en in de loop der jaren hadden er vele reparaties plaatsgevonden. Niet alleen materiaaltechnisch was het gebouw aan vervanging toe, ook diertechnisch voldeed het niet meer aan de veranderde eisen die inmiddels werden gesteld aan huisvesting van dieren. De mogelijkheid tot de bouw van een nieuw onderkomen voor kleine zoogdieren werd gevonden na de afbraak van het monumentale maar volkomen uit de tijd geraakte “Berenpaleis” in het centrum van de dierentuin.

In 1977 werd het huidige Kleine Zoogdierenhuis gebouwd ter vervanging van de Vossegang. Centraal in het Kleine Zoogdierenhuis kwam een grote warme vochtige plantenkas voorzien van een waterval, een beekje en tropische planten, waar enkele verblijven omheen werden gegroepeerd. Langs de buitenrand kwamen binnen- en buitenverblijven, waarbij aan één zijde de nadruk kwam te liggen op bosbewoners en in de tegenoverliggende rij verblijven zoogdieren werden gehuisvest die min of meer gebonden zijn aan droge en zandachtige streken. De verblijven werden zo veel mogelijk met natuurlijk materiaal ingericht.Meer variatie dan in oude Vossengang (Reformatorisch Dagblad, 8 april 1978)

Wereld der Duisternis Onder leiding van directeur Ernst Frederik Jacobi ontwikkelde Artis zich vanaf eind jaren vijftig tot een van de soortenrijkste dierentuinen van Europa. Ook op het gebied van de kleine zoogdieren en nachtdieren waren er belangrijke ontwikkelingen in de periode-Jacobi, zowel wat betreft de huisvesting van de dieren als de gehouden soorten. In 1961 werd in het voormalige buitenhuis “Laanzicht”, waarin zich tegenwoordig de binnenverblijven van de helmkasuarissen bevinden, voor het eerst geëxperimenteerd met het houden van nachtdieren met een omgekeerd dag-nachtritme waarbij de verblijven ’s nachts verlicht werden en overdag donker werden gehouden.

In 1963 opende Artis ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de dierentuin als een van de eerste Europese dierentuinen een nachtdierenhuis. De “Wereld der Duisternis” bevond zich op benedenverdieping van het gebouw van de Artis Bibliotheek aan de Plantage Middenlaan tegenover het Eenhoevigenhuis. Tot 1920 had de benedenverdieping gediend als zebrastal en de laatste quagga overleed daar op 12 augustus 1883. Onder meer klimbuideldieren, Senegal-galago's, plompe lori's, nachtapen, vleerhonden, kinkajoes, loewakken, dwerggordeldieren, aardvarkens, vliegende eekhoorns, boomstekelvarkens, springhazen en uilnachtzwaluwen werden in de Wereld der Duisternis ondergebracht. In de jaren zestig kenden de Wereld der Duisternis enkele bijzondere geboortes, zoals de succesvolle voortplanting van de schubdieren en wereldprimeurs bij het aardvarken (1969) en de angwantibo (1963).

Jungle by Night Bij de restauratie van de Artis-bibliotheek in 1989 verdween de Wereld der Duisternis. In 1995 werd op de begane grond van het museumgebouw De Volharding een nieuw nachtdierenhuis geopend, de “Jungle by Night”. De Jungle by Night richtte zich aanvankelijk op het nachtelijke dierenleven van het Zuid-Amerikaanse regenwoud. De westelijke zijde van dit nieuwe nachtdierenhuis was vormgegeven als een riviertje in het regenwoud, waar brilkaaimannen, schildpadden, amfibieën en vissen werden gehouden. Aan de oostelijke zijde lagen drie grote verblijven. Het eerste verblijf omvatte een grotgewelf en werd bewoond door brilbladneusvleermuizen. De andere twee verblijven lagen rondom een overwoekerde tempelruïne. Nachtapen, agoeti's en gordeldieren bewoonden deze twee verblijven. Rondom het grootste verblijf bevonden zich in de rotswanden enkele kleine terraria voor geleedpotigen. In de latere jaren waren er ook nachtdieren uit andere gebieden te zien in de Jungle by Night, zoals koeskoezen en potto's. In 2011 werd de Jungle by Night gesloten na de verhuizing van verschillende dieren naar het vernieuwde Apenhuis.

Blijdorp In Diergaarde Blijdorp diende van 1968 tot 2004 het Henri-Martinhuis, vernoemd naar de eerste directeur van de dierentuin, als nachtdierenhuis. Aan de buitenrand van het gebouw waren kleine primaten zoals maki's, franjeapen, langoeren en withandgibbons ondergebracht.Blijdorp-gids (1992, 1996, 2002)

Opening Halverwege de jaren zestig ontstonden de plannen voor een nieuw gebouw voor apen en nachtdieren. Destijds waren de apen verspreid over allerlei gebouwen ondergebracht en vaak slecht of niet zichtbaar voor het publiek. Er bestond een grote behoefte om de apen in een apart verwarmd gebouw goed zichtbaar voor het publiek te huisvesten. In september 1967 werd begonnen met de bouw en bijna een jaar later werd het nieuwe Nachtdieren- en apenhuis officieel voor het publiek geopend. "Vrienden van Blijdorp" ondersteunde de bouw met een bijdrage van 44.185 gulden. Het gebouw had twee afdelingen. De ene afdeling bestond uit een centrale hal met rondom apenverblijven. Boven op de binnenverblijven en midden in de hal werd beplanting aangebracht. De hele hal was zeer licht door een glasgevel boven in het gebouw. Aan de zuidkant van het gebouw waren drie grote binnenverblijven verbonden met drie even grote buitenverblijven. De westzijde had zeven kleinere binnenverblijven met een buitenverblijf. Op de zuidwesthoek was een middelgroot binnenverblijf met een groot buitenverblijf voor de gibbons. De verbinding tussen binnen- en buitenverbljven liep over de dieper liggende dienstgang. Het hekwerk van de verblijven was van roestvrij staal. De andere afdeling van het gebouw, het nachtdierengedeelte, was te bereiken via een dubbele doorgang vanuit het apenverblijf. Deze afdeling bevatte elf verblijven, van elkaar en het publiek gescheiden door glas. In het nachtdierengedeelte heerste een omgekeerd dag-nachtritme, waarbij het in de ochtend schemerig werd en in de avond licht.Vrienden van Blijdorp - Apen- en Nachtdierenverblijf

In 1970 werd ingenieur Dick van Dam directeur van Blijdorp. Hij had veel belangstelling voor zeldzame diersoorten, in het bijzonder kleine katten, en Van Dam begon al snel overal ter wereld dieren te verwerven. Helaas was de huisvesting van de meeste dieren in deze periode allesbehalve optimaal. Verder stimuleerde Van Dam de wetenschappelijke benadering in Blijdorp en was hij samen met Artis-directeur Bart Lensink de initiatiefnemer van de eerste goed georganiseerde internationale fokprogramma's. Op nachtdierengebied kwamen begin jaren zeventig onder meer aardvarkens en witbuikschubdieren naar Blijdorp. Onder Van Dam bouwde Blijdorp met name een indrukwekkende collectie buideldieren op, mede door de Notogaea-tentoonstelling die van november 1977 tot maart 1978 in Blijdorp werd gehouden over de flora en fauna van Australië, Nieuw-Guinea en Nieuw-Zeeland.Blijdorp bouwt bijzondere fokgroepen op (1949 tot 1988). In: Iets grootsch en buitengewoons – 150 jaar Rotterdamse Diergaarde (2007) Voor deze tentoonstelling kwamen verschillende vogelsoorten en diverse buideldieren naar de dierentuin.Tentoonstelling Notogaea in Blijdorp (Reformatorisch Dagblad, 1 oktober 1977) Bij zeer hoge uitzondering verleende de Nieuw-Zeelandse regering destijds toestemming twee Noordereilandkiwi's uit te voeren en met de komst van deze vogels in november 1977 werd Blijdorp de enige Europese dierentuin met kiwi's in de collectie.Harige vogels in Blijdorp. (Reformatorisch Dagblad, 22 november 1977) Na afloop van de tentoonstelling bleef een groot deel van de dieren in Blijdorp. Veel buideldieren werden ondergebracht in het Nachtdieren- en apenhuis of in de nabijgelegen kangoeroeverblijven.Een diergaarde is mensenwerk. In: Iets grootsch en buitengewoons – 150 jaar Rotterdamse Diergaarde (2007) In het nachtdierenhuis werden onder meer buidelmarters, buideldassen en zuidelijke breedneuswombatten.Nachtierhäuser. Tiergarten.com

Renovatie In 1981 werd gestart met een renovatie van het Nachtdieren- en apenhuis. Er werd een tussenvloer in het gebouw aangebracht, waardoor een nieuwe verdieping ontstond die in gebruik werd genomen door de wetenschappelijke afdeling. Verder werden de apenverblijven vergroot, van schuine glasafscheidingen voorzien aan de publiekszijde en opnieuw ingericht. Ook werd de nachtdierenafdeling uitgebreid met enkele verblijven. Bovendien werden de verblijven natuurlijker ingericht. Voorheen waren de dieren altijd goed te zien in de kale glazen vitrines. Omdat er voor de dieren geen of nauwelijks schuilgelegenheden waren, kwam dit het welzijn van de dieren, inclusief de voortplanting, niet ten goede. In mei 1982 werd het tot Henri Martinhuis omgedoopte gebouw door Prins Bernhard heropend.

Sluiting