Tallulah Bankhead (Huntsville (Alabama), 31 januari 1902 – New York, 12 december 1968) was een Amerikaans actrice. Haar roem had zij vooral te danken aan haar toneelvoorstellingen. Naast haar optredens in toneelproducties verscheen zij ook in films en op televisie.

Jeugd Tallulah Bankhead was afkomstig uit een prominente politieke familie. Zij was de tweede dochter van Adelaide (Ada) Eugenia Bankhead-Sledge en William Brockman Bankhead (1874-1940). William Bankhead wilde acteur worden, maar daar stak zijn moeder een stokje voor. Hij werd advocaat. Later werd hij verkozen tot lid van het Huis van Afgevaardigden (voor het congresdistrict Alabama), waarvan hij in de periode 1936-1940 de 42e voorzitter werd. Bankhead was een overtuigd democraat. Haar oom, John Hollis Bankhead II was senator namens Alabama. Haar grootvader was de democratische senior senator John Hollis Bankhead (1842-1920); ook hij zetelde namens de staat Alabama. Hij was lid van de vrijmetselaren. John Hollis had op enig moment een meerderheidsbelang in Coca-Cola, maar hij verkocht zijn aandelen om te investeren in Cherry Cola. miniatuur|Tallulah en haar vader, William Bankhead

Haar moeder was een 'Southern belle', wier grootvader zeer rijk was; hij had een racebaan op zijn plantage. Ze was verloofd met een plantage-houder toen ze op bezoek ging bij een van haar toekomstige bruidsmeisjes in Huntsville Alabama. Daar ontmoette ze William Brockman Bankhead. Drie maanden later trouwden ze. Tallulah Bankhead werd geboren in de Isaac Shiftman Building. Ze was vernoemd naar haar grootmoeder Tallulah Brockman die op haar beurt vernoemd werd naar Tallulah Falls, Georgia. Omdat haar moeder minder dan een maand na haar geboorte overleed, speelde haar grootmoeder een belangrijke rol in haar opvoeding. Tallulah werd gedoopt naast de kist waarin haar moeder opgebaard lag. Zowel haar grootmoeder van moeders zijde als haar moeder ondergingen hetzelfde lot. Bankhead beschouwde haar grootmoeder als haar moeder. Doch haar tante, Marie Bankhead (1869-1958), speelde eveneens een rol in haar opvoeding; zij was meer dan 30 jaar directeur van de Alabama Department of Archives and History en schreef meerdere boeken over de geschiedenis van Alabama.

Carrière New York In 1917 trok een foto in het tijdschrift Pictureplay de aandacht van de manager van The Famous Players Film Company. Tallulah was toen 15 jaar. De foto was echter niet zomaar in het tijdschrift verschenen; er was een schoonheidscompetitie uitgeschreven en Tallulah stuurde haar foto in, maar vergat haar adres te vermelden. Ze ontdekte zelf dat haar foto was afgedrukt toen ze een flesje Coca Cola ging halen en een nieuwe editie van het tijdschrift doorbladerde. Op de laatste pagina stond haar eigen foto afgedrukt en eronder stond: Who is she? Voordat haar vader contact met Pictureplay opnam, hadden 50 andere ouders dat ook al gedaan. Het was haar opa die de kosten voor haar verblijf in New York voor zijn rekening nam en tante Louise ging mee als chaperonne. Bij toeval verbleven zij in het Algonquin Hotel wat destijds de uitvalplaats was voor artiesten en kunstenaars. In 1918 tekende ze een samenwerkingsovereenkomst met Shubert. Het leverde haar haar eerste rol op in het toneelstuk The Squab Farm, dat opgevoerd werd in Atlantic City. Het toneelstuk was een satire op de filmwereld in Californië. In hetzelfde jaar was Bankhead te zien in de stomme film When Men Betray en in de film Thirty a Week. In december 1918 was ze aanwezig op een benefietbal ten goede van Children’s Country Home. De Washington Evening Star (later: The Washington Star) beschreef in de editie van 26 december wat zij droeg: "nachtblauwe tule met blauwe pailletten over gouden stof met een lijfje van gouden stof van brokaat, gesluierd met tule en een enkele Amerikaanse schoonheid roos aan haar riem". Op 17-jarige leeftijd speelde ze de vrouwelijke hoofdrol in het toneelstuk 39 East, dat werd opgevoerd in Maxine Elliot's Theatre op Broadway in Manhattan. Zij verving Constance Binney. Bankhead beschouwde dit zelf als haar eerste toneelstuk. Haar vader en haar opa waren aanwezig bij de eerste uitvoering. In 1921 speelde ze in Nice People, het toneelstuk werd opgevoerd in Klaw Theater, dat datzelfde jaar in gebruik was genomen. In mei 1922 stierf haar grootmoeder op de leeftijd van 77 jaar. In september was de première van The Exciters, voorlopig zou dit haar laatste Amerikaanse productie zijn. Het toneelstuk werd in 1923 verfilmd zonder Bankhead. Tijdens haar periode in New York startte ook haar verhouding met de Britse aristocraat Napier Sturt., Magnificent Ocean Liners and the Women Who Traveled and Worked Aboard Them.

Londen In 1923 besloot Bankhead dat ze in New York 'gewoon de zoveelste actrice is' en zij vertrok naar Londen, waar ze acht jaar zou blijven om te spelen in 18 toneelstukken. Over deze beslissing zei ze later dat ze soms een beetje helderziend was. Hoewel er geen baangarantie was, de rol die zij op het oog had was reeds vervuld, besloot ze om toch naar Londen te gaan. Ze werd daarbij vergezeld door een tante. Haar instinct bleek te kloppen, ze kreeg een rol aangeboden in het toneelstuk The Dancers. Het publiek sloot haar meteen in het hart. Ze verdiende ongeveer 250 pond per week, later verzesvoudigde dit. Hierover zei ze zelf dat het haar niet lukte te sparen, omdat de belastingen zo hoog waren. Naar eigen zeggen waren haar meest kostbare bezittingen twee schilderijen van de hand van Augustus John; op een ervan staat zij zelf afgebeeld. In Londen kocht ze een garage in de wijk Mayfair, vlak bij het park Berkeley Square, gevestigd aan de Farm Street 1. Deze garage liet ze verbouwen tot een vrijstaande bungalow met twee verdiepingen. Ze nam diverse mensen in dienst; John (butler), Mrs. Lock (secretaresse), Edith (dienstmeisje), Mary (kokkin) en Fenn (chauffeur). Ze maakte onderdeel uit van de Londense literaire society, ze was een graag geziene gast bij de Somerset-Maughams. Mevrouw Somerset organiseerde 'literaire cocktails'. Bankheads populariteit was groot. Ze was vooral populair onder jonge vrouwen die zich met haar identificeerden. Tallulah werd gezien als de belichaming van een jonge, mooie, succesvolle vrouw die haar eigen broek op kon houden. Haar kledingstijl werd gekopieerd, net als de stofbril van haar hond Napoleon. Haar populariteit was zo groot, dat de politie er regelmatig aan te pas moest komen om een cordon te vormen waardoor zij van het toneel kon wegkomen. Een krant schrijft hierover: "Er staan op één avond meer vrouwen in de rij bij de artiestenuitgang om Miss Bankhead of Evelyn Laye te zien dan de ooit zo geliefde Lewis Waller in een hele maand zag." Matinee idol today declared actress, The Indianapolis Times, 28 april 1930 Zelfs prins Charles zou haar tot zijn favoriete actrices hebben gerekend. Ook trad ze met een klein gezelschap op voor de Duchess of York. Winston Churchill kwam vijf keer bij haar kijken. Tijdens een van deze voorstellingen schopte Tallulah haar schoen uit, deze kwam terecht in de loge van Churchill die hem terstond teruggooide. Naar eigen zeggen heeft ze de schoen nooit meer gedragen. In 1926 verscheen er in de kranten dat het gerucht ging dat Bankhead omgang had met de Roemeense prins Nicholas. In 1928 meldde Bankhead dat ze verloofd was met de Italiaanse graaf Antony de Bosdari. De verloving werd verbroken in mei 1929. De Bosdari trouwde nog diezelfde maand met een Engelse socialite. Terwijl ze in een restaurant dineerde met vrienden liep een onbekende vrouw op haar af, nam haar hoed af en sloeg haar. Bankhead besluit het incident niet te rapporteren. Over haar populariteit in Londen zei ze: "Wellicht komt het omdat ik Amerikaanse ben, een beetje anders. Het Engelse publiek is toleranter en vriendelijker dan Amerikaans publiek, ze zijn geïnteresseerd in je welzijn en als ze je aardig vinden dan zit je geramd." In hetzelfde interview – dat werd gepubliceerd op 2 mei 1930 - zei ze dat ze zich niet terug zag verhuizen naar de Verenigde Staten, omdat ze een leven had opgebouwd in Londen: "Dit is mijn thuis." Ze zag zichzelf echter wel voor korte tijd terugkeren om een 'talkie' te maken. Het jaar erop keerde ze echter voorgoed terug naar Amerika. Op 2 maart 2002 berichtte BBC News dat er een officieel MI5-onderzoek naar Bankhead plaatsvond, mogelijk op laste van een Britse minister. Het onderzoek was gestart omdat er geruchten waren dat Bankhead leerlingen van Eton corrumpeerde. Er was echter geen bewijs. In het dossier werd melding gemaakt van de volgende zaken: Bankhead voerde onfatsoenlijke handelingen uit met minderjarige jongens van Eton College, zij was een lesbienne die ook promiscue was met mannen, zij werd door haar vader uit huis gezet wegens immoreel gedrag en zij bewoog zich in een sociale kring die een centrum van ondeugd was. In het dossier was geen aannemelijk bewijs dat zij abnormale seksuele neigingen had en er was geen reden om haar het land uit te zetten. Het rapport zou opgemaakt zijn ten tijde van Bankheads 32e levensjaar. MI5 sex secrets of 1920s star, BBC, 2 maart 2000 Zij keerde echter terug naar de Verenigde Staten toen zij 29 was.

Hollywood Na 8 jaar Londen tekende Bankhead een contract met Paramount en in 1931 keerde ze terug naar de Verenigde Staten, waar de stomme film plaats had gemaakt voor de zogenaamde talkies, de gesproken film. Vanaf 2 mei 1931 werd haar eerste film vertoond in de theaters; Tarnished Lady. Haar tegenspeler was Clive Brooks. Het verhaal werd geschreven door Donald Ogden Stewart. De film werd redelijk ontvangen; de heersende opinie was dat Tallulah een goede rol neerzette maar dat de film zelf haar debuut onwaardig was. Bovendien kwam de wijze van filmen niet ten goede van haar uiterlijke voorkomen. Haar tweede film, My Sin, was meer flatteus volgens critici. Na het bekijken van deze twee films, weigerde Tallulah haar derde film The Cheat te kijken, omdat ze vond dat haar verschijning haar geen recht deed. Haar beroemdste tegenspelers waren Gary Cooper en Cary Grant, met wie ze speelde in Devil and the Deep (1932). miniatuur|Tallulah met cape, jabout en een verstopte pompadour

Broadway Op 1 december 1932 kondigde Bankhead aan dat ze vooralsnog stopte met het maken van films en terugkeerde naar het toneel. In januari 1933 stond ze na 10 jaar weer op Broadway, dit keer in een comedy: Foresakers. De geschiedenis herhaalde zich ook op een andere manier: het publiek sloot haar in de armen en net als in Londen waren het in New York de jonge vrouwen die samendrongen om haar te ontmoeten en een voorbeeld namen aan haar kledingstijl. Garbo was passé en nu was het Tallulah of 'Talloo'. De filmstudio's namen weer contact met haar op en er werden bedragen tot wel 6000 dollar per week geboden, maar het zou tot 1944 duren voordat ze weer films ging maken. Ondanks haar populariteit, had Bankhead geen sterallures. In reactie op een onaardig artikel door een recensent (Percy Hammond) schreef ze hem een alleraardigste brief waarin ze hem haar keuzes en gedrag toelichtte. In 1934 speelde Bankhead in het toneelstuk Dark Victory, alle kleding die zij in deze voorstelling droeg, was ontworpen door Elsa Schiaparelli. miniatuur|Tallulah in Dark Victory.