De eerste BMW van de 5-serie kwam als opvolger van de „BMW nieuwe klasse“ op de markt en werd gebouwd van september 1972 tot juni 1981, met een facelift in 1976. In Zuid-Afrika werd hij nog verder geproduceerd tot 1985. Het voertuig kreeg de interne modelaanduiding E12 mee.

Met de invoering van de 5-serie begon men bij BMW met een nieuwe klasseordening per serie. De eerste 5-serie werd enkel als vierdeurs aangeboden.

Voorgeschiedenis Reeds in 1968 plande BMW een opvolger voor de „BMW nieuwe klasse“ (1800 en 2000). Reeds vroeg kwam men op de naam "520", om te refereren aan de BMW 501 en 502. Ontworpen als opvolger voor de populaire BMW nieuwe klasse middenklasse sedan, waren de E12 5-serie-modellen kleiner dan de grote BMW E3 sedan, maar groter dan de tweedeurs "02"-modellen.

In maart 1970 stelde Bertone een prototype, de BMW 2002Tii Garmisch, getekend door Marcello Gandini, voor. Die had echter nog rechthoekige koplampen, die echter niet bij het BMW-typische, sportieve karakter pasten. In 1971 werd dit gecorrigeerd.

Tijdens de ontwikkelingsfase werden tot 2,3 liter (2299 cm³) vergrote M10-motoren ontwikkeld, die in carburatorversie 84,6 kW (115 pk) en met injectie 103,6 kW (140 pk) leverden. Voor serieproductie werden ze echter niet behouden.

De nu als 5-serie bekendstaande wagens werden in september 1972 gelanceerd, te beginnen met de 520 en de 520i. De E12 was bovendien de eerste BMW waar het serienummer (in dit geval een vijf) vooraan stond. Halverwege 1975 werd hij hierin gevolgd door de E21 (eerste 3-serie) en begin 1976 de E24 (eerste 6-serie). Ook voor het eerst bij BMW verhuisde de hendel van de richtingaanwijzer van rechts naar links van het stuurwiel.

Koetswerk De E12 was enkel als vierdeurslimousine te verkrijgen. Hij beschikte over een vormstijve veiligheidskooi, kreukelzones voor en achter, een geïntegreerde rolbeugel, rondom aangebrachte versterkingen en een naar voren scharnierende motorkap met veiligheidsvergrendeling. Zijn luchtweerstandscoëfficiënt bedroeg 0,44.

In augustus 1976 werd de E12 optisch aangepast. Belangrijkste kenmerken waren de ter hoogte van de BMW-"nieren" licht gewelfde motorkap, de grotere achterlichten, de tankklep die van achter (rechts naast het kenteken) naar de rechter achtervleugel verhuisde en de gewijzigde ventilatieopeningen in het dashboard.

Metaalglanslak en stalen schuifdak, al dan niet elektrisch bediend, waren van begin af aan als optie verkrijgbaar. Een afsluitbare tankdop was dat ook, maar de 528 en 528i hadden hem standaard. Vanaf het tweede semester 1980 werd hij standaard voor alle modellen. Slijkvangers achter als optie waren er vanaf de tweede serie. Vanaf 1979 kon je hem ook bestellen zonder typeaanduiding op het kofferdeksel. Verchroomde wielringen waren optie op de 518, 520/4 en 520/6 en op alle andere standaard.

Je kon ook een naakte bodyshell van een 525 of 528 bestellen voor ombouw naar M-model of opbouw door tuningspecialisten zoals Alpina, Schnitzer , Hartge, GS e.d.

Voor de Amerikaanse markt was er de 530i met overgedimensioneerde bumpers en bijkomende richtingaanwijzers op de spatborden. Deze versie werd ook in Japan aangeboden. Vanaf juli 1978 werd de 530i vervangen door de 528i, dit model werd eveneens in Japan geleverd, vanaf modeljaar 1980 ginds met normale bumpers maar met bijkomende richtingaanwijzers op de spatborden.

In Frankrijk werd de E12 geleverd met gele koplampen en grotere buitenspiegels. In Italië kreeg de eerste serie E12 tweekleurige (helder - oranjerood) richtingaanwijzers voor.

Interieur Vanaf maart 1974 was tegen meerprijs een met schuim bekleed stuurwiel verkrijgbaar, bij de 528 behoorde dit al tot de standaarduitvoering vanaf zijn marktintroductie. Bij de 2de serie E12's behoorde dit stuur voor alle modellen tot de standaarduitrusting, vanaf augustus 1978 kon je datzelfde stuur tegen meerprijs ook met een lederbekleding krijgen. Een sportstuur was vanaf maart 1974 verkrijgbaar.

Verlaagde stoelen, waren zonder meerprijs beschikbaar, tussen 1974 en 1978 moest er wel ineens voor deze optie bijbetaald worden en voor de 525 en 528 was ze tot begin 1977 zelfs niet beschikbaar. Deze optie was echter niet combineerbaar met hoogteverstelling op de stoelen, tenzij voor een korte periode in 1976, toen kon het wel. Deze hoogteverstelling was standaard op de bestuurdersstoel bij de grote zescilinders, bovendien nog gecombineerd met stuurkolomverstelling. Dit pakket kon tegen meerprijs ook op de andere modellen genomen worden. Vanaf augustus 1979 kon je daarbovenop tegen meerprijs ook hoogteverstelling krijgen op de bijrijdersstoel. Hoofdsteunen voor waren tot halfweg 1973 optie en daarna gewoon standaard. Hoofdsteunen achter, kunstlederen bekleding en velours matten waren vanaf de lancering reeds tegen meerprijs op alle modellen beschikbaar. Echt leder kon ook, maar niet op de 518. Vanaf het tweede semester 1977 kon je zowaar Recaro-stoelen bestellen.

Een afsluitbaar handschoenkastje stond op de optielijst en was op de 528's standaard. De grote zescilinders hadden ook ventilatieopeningen achteraan op de optielijst staan, vanaf halfweg 1974 ook op de andere modellen beschikbaar, behalve de 518, die kreeg ze pas in 1977 als optie. Vanaf augustus 1979 werden ze voor alle types standaard. Ook een uitgebreid aanbod aan autoradio's stond op de optielijst, evenals een automatische antenne. Een toerenteller was optie bij de 518, 520/4 en 520/6, de rest had die standaard. Vanaf najaar 1973 kon je elektrische ruitbediening bijbestellen, behalve op de 518, met uitzondering van een korte periode in 1974, toen kon het wel. Vanaf 1976 kon je ook kiezen enkel de voorste zijramen elektrisch te bedienen, behalve weer op de 518. Centrale deurvergrendeling kwam halfweg 1977 op de optielijst te staan.

De 530i voor de Japanse en Amerikaanse markt werd bijna uitsluitend met lederen bekleding en airco geleverd.

Motoren In de E12 werd een uitgebreid motorenpalet aangeboden – beginnend met de kleine 1,8-liter-basismotor in de 518 (vanaf 1974), die reeds in de BMW 1800 gebruikt werd, tot de krachtige 3,5-liter-motor in de tegen het einde van de serie in kleine oplage gebouwde M535i. De BMW 518, 520 en 520i kregen de beproefde viercilindermotoren van het type M10 ingebouwd. De 518 werd van een Solex 38 PDS valstroomcarburator met handchoke voorzien (vanaf de tweede serie Solex DITA 32/32 valstroomcarburator met startautomaat en vanaf het tweede semester 1980 een valstroom-registercarburator Zenith 2B4). De 520 werd met een Stromberg 175CDET variabele-venturi dubbele carburator met startautomaat uitgerust. De 520i erfde de Kugelfischer PL 04 klassieke inspuitpomp met warmdraairegelaar van de 2002tii. Vanaf februari 1975 kreeg hij het meer moderne K-Jetronic systeem van Bosch. Vanaf de zomer van 1977 werd de BMW 520 met de nieuw ontwikkelde kleine zescilinder-Motor M20 uitgerust, weer voorzien van een Solex-carburator, de Solex 4 A1, een dubbele registercarburator (vierkleps dus). De varianten met grotere cilinderinhoud van de 5-serie BMW's werden voorzien van de grote zescilinder-Motor M30. In 1973 werd de 525 geïntroduceerd met twee Zenith (32/40INAT) registercarburators met startautomaat, in 1974 gevolgd door de 528, met twee Zenith (35/40 INAT) registercarburators met startautomaat. Bij beide werden de Zenith's vervangen door een Solex 4 A1 - carburator bij de introductie van de 2de serie. Tot slot werd in 1977 de 528i met Bosch L-jetronic elektronische benzine-injectie met warmdraairegelaar gelanceerd. De 70 l brandstoftank van de 525 was eind 1972 reeds beschikbaar op de andere modellen en werd vanaf 2de semester 1974 standaard voor alle modellen.

De 530i voor de Japanse en Amerikaanse markt had om te voldoen aan de strenge Amerikaanse uitlaatgasnormen een L-jetronic-inspuitsysteem en een uitlaatgasnaverbrander. De 528i aldaar had L-jetronic-injectie, drieweg katalysator en Lambda-sonde. Vanaf november 1979 was in Japan ook een 518i met K-jetronic leverbaar. Vanaf 1978 dook er ook een 518i op in Zweden, dit was echter een minder luxueuze versie van de 520i. Vanaf juni 1979 was er dan een "echte" 518i in Zweden, die net zoals de Japanse versie een K-jetronic-inspuitsysteem heeft.

Een dieselmotor was er nog niet in de BMW E12, daar BMW toen nog geen dieselmotoren in zijn motorenaanbod had. De logge dieselmotoren uit de jaren 70, meestal nog zonder turbolader, pasten toentertijd niet in het dynamische concept van BMW. Bij wijze van verrassing werd bij het opvolgmodel E28 een dieselmotor (M21) aangeboden, die van de M20-motor afgeleid werd.

Aandrijving Standaard werd een vierbak geleverd. Een drietrapsautomaat was beschikbaar op alle modellen behalve de 520i. De 518 bood deze optie echter maar kortstondig tussen half 1977 en eind 1978. Een spaarzame vijfbak was vanaf augustus 1979 beschikbaar als optie. Een sportieve vijfbak was vanaf half 1974 tot half 1977 beschikbaar op de 520/4 en 520i, en opnieuw vanaf half 1978 op de grote zescilinders en vanaf half 1979 ook op de kleine zescilinder. Een 25%-sperdifferentieel stond vanaf het begin op de optielijst. Standaard werden op de 528's 195/70 HR 14 banden op staalvelgen 6Jx14H2. Deze waren op alle andere modellen als optie verkrijgbaar. Standaard waren deze geschoeid op 175 HR 14 op stalen 6Jx14H2. Beide bandensets konden uiteraard ook op lichtmetalen velgen besteld worden.

Ophanging Tot eind 1978 werden de 520i, 525 en 528's standaard met versterkte stabilisatoren voor en achter geleverd, deze waren als optie ook op de andere modellen leverbaar. Daarna was enkel een sportophangingspakket met ook een hardere veer/demper-combinatie, dat vanaf half 1977 werd aangeboden, beschikbaar. Ook niveauregeling achter kon je vanaf februari 1978 bestellen. In 1973 en 1974 kon je ook nog hardere veren krijgen (525 enkel 1973, 518 enkel 1974) tegen meerprijs (voor de 520i in 1974 zonder meerprijs). Een versterkte vering voor voertuigen met trailerkoppeling was er vanaf serie 2, in 1979 kon je er zelfs een trailerkoppeling met afneembare kop bijkopen.

Veiligheidsvoorzieningen De viercilinders en de kleine zescilinder kregen een eenvoudig remsysteem met schijven voor en trommels achter en een remservo. De grote zescilinders hadden schijven rondom en remservo.

Van begin af aan kon je een tweede buitenspiegel bestellen. Vanaf 1975 waren elektrisch bedienbare buitenspiegels als optie beschikbaar, vanaf 1977 voor de grote zescilinders en vanaf augustus 1979 voor alle werd die aan bestuurderszijde standaard. Mistlichten en een wis/was installatie op de koplampen stonden ook op de optielijst. Een verwarmde achterruit was standaard, behalve het eerste jaar van de 518, toen was ie nog optie. Een gelaagde voorruit was in het begin optie en vanaf 1976 standaard. Groen getint glas was optie en vanaf serie 2 was er ook een bruine versie. Dit glas kon vanaf eind 1973 ook met airco gecombineerd worden. Voor de waarschuwingsdriehoek moest je bijbetalen.

Automatische driepuntsveiligheidsgordels waren aanvankelijk optie en vanaf september 1973 voor en vanaf juli 1979 achter standaard. Een blusapparaat van 2 kg kon je vanaf de tweede helft van 1978 tegen meerprijs krijgen. Ook voor de verbandkoffer moest je bijbetalen. Een stijlvolle werktuigkoffer aan de binnenkant van het kofferdeksel vond je ook op de optielijst.

Elektrische installatie Een batterij van 12V/55 Ah was standaard op de grote zescilinders en als optie verkrijgbaar op de andere types. De standaard 55 A/770 W-alternator (optie op de 518 en 520/4) kon vanaf augustus 1979 mits opleg vervangen worden door een 65 A/910 W-exemplaar gecombineerd met een 12V/66 Ah-startbatterij, behalve op de 518.

Productie