Euhelopus is een geslacht van uitgestorven plantenetende sauropode dinosauriërs, behorend tot de Titanosauriformes, dat 125 miljoen jaar geleden, tijdens het Vroeg-Krijt, leefde in het gebied van het huidige China. Euhelopus was een grote sauropode. Het dier werd elf meter lang en woog vermoedelijk drie à vier ton. In tegenstelling tot de meeste sauropoden had Euhelopus langere voorpoten dan achterpoten.

Ontdekking en naamgeving In 1913 groef de katholieke missionaris R. Mertens bij Ningjiagou in de prefectuur Mengyin in de provincie Shandong enkele wervels van sauropoden op. Mijningenieur Gustav Behaghel zond in 1916 drie daarvan naar Ding Wenjiang ('V.K. Ting'), hoofd van de National Geological Survey (Dizhi Diaochasuo). Dit waren aldus de eerste dinosauriërresten uit China die onderwerp werden van modern wetenschappelijk onderzoek. In november 1922 zond het instituut Tan Xichou ('Hsi Chou T'an'), Johan Gunnar Andersson en de student Otto Zdansky om de vindplaats te zoeken. Een andere missionaris, Alfred Kaschel, wist die nog te liggen. In maart 1923 groef Zdansky twee skeletten op, uit twee groeven die drie kilometer uit elkaar lagen. left|thumb|De moerasschoenen waar Euhelopus naar venoemd is De Zweedse paleontoloog Carl Johan Josef Ernst Wiman gaf het dier in 1929 de naam Helopus, wat 'moerasvoet' betekent uit het Oudgrieks ἕλος, helos, 'moeras', en πούς, pous, 'voet'. De geslachtsnaam was zowel een verwijzing naar het feit dat de vondsten in een moeras waren gedaan, als naar het volgens Wiman lijken van de voeten op de moerasschoenen, truga, die Lappen dragen in de moerassige gronden van Noord-Zweden. Hij ging er ten onrechte van uit dat het dier een moerasbewoner was. Later bleek dat een vogel, de reuzenstern, al eens als Helopus caspius Wagler 1832 beschreven was, dus doopte Alfred Sherwood Romer Helopus in 1953 om tot Euhelopus, de 'Ware Moerasvoet'. Nog later bleek dat een grassoort al deze geslachtsnaam had, maar twee geslachten uit een verschillend rijk mogen dezelfde naam hebben. De typesoort blijft Helopus zdanskyi. De combinatio nova is Euhelopus zdanskyi. De soortaanduiding eert de Oostenrijkse paleontoloog Zdansky.

Wiman baseerde zijn beschrijving op twee syntypen. Specimen PMU R233 (later PMU 24705), is gevonden in een laag grijze zandsteen van de Mengyinformatie die dateert uit het Barremien-Aptien. De ouderdom is zeer onzeker en de volle duur van die etages moet worden meegenomen zodat de vindplaats ergens tussen de 130 en 112 miljoen jaar oud kan zijn. Wiman meende dat de vindplaats tot het Onder-Krijt behoorde maar later is een tijd gedacht dat dit het bovenste Jura moest zijn. Vondsten van Psittacosaurus bewezen uiteindelijk dat Wiman toch gelijk had. Het betreft een gedeeltelijk skelet bestaande uit vijfentwintig wervels van de voorste wervelkolom, namelijk de tweede halswervel tot en met de achtste ruggenwervel, een derde linkerrib, een linkerdijbeen en een schedel met onderkaken. Daarnaast zijn dertien losse tanden gevonden. Het komt overeen met wat Wiman 'Exemplaar a' noemde vermoedelijk omdat Zdansky het zo gelabeld had. Het is dit skelet waarvan Mertens wervels opgegraven had.

Het tweede door Zdansky opgegraven skelet, met inventarisnummer PMU 234 (later PMU 24706), is 'Exemplaar b' en bestaat uit een reeks ruggenwervels en sacrale wervels, twee rechterribben, een bekken en een rechterachterpoot. Het heeft ongeveer dezelfde grootte als 'Exemplaar a'. Zdansky had wegens tijdgebrek zijn opgravingen moeten afbreken. In de herfst van 1934 werden door Yang Zhongjian (C.C. Young) en Bian Meinian ('M.N. Bien') verdere opgravingen verricht in de groeve van 'Exemplaar a' en daarbij werden nog eens vier achterste ruggenwervels, delen van de linkerschoudergordel en een linkeropperarmbeen gevonden die vermoedelijk tot hetzelfde individu behoren. Deze zijn later wel aangeduid als 'specimen c'. Dit materiaal bleek in 2007 te zijn zoekgeraakt maar een beschrijving uit 1935 is nog voorhanden. De andere fossielen, geprepareerd door Nils Hjort, maken deel uit van de collectie van het Paleontologisch Museum van Uppsala alwaar ze sinds de jaren dertig in een staande skeletopstelling worden tentoongesteld.

In 1985 gaf Niall Mateer een moderne beschrijving van de schedel. In 2009 publiceerden Jeffrey Wilson en Paul Upchurch een moderne beschrijving van voornamelijk het postcraniaal skelet. Volgens hen was PMU 24705 het holotype; ze kozen geen lectotype. In 2010 gaf Andreas Christian enige overwegingen aangaande de nekstand. In 2013 publiceerde Stephen Poropat de resultaten van een CAT-scan van de schedel. In 2014 verscheen een studie van Seela Salakka naar het patroon van tandwisseling.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken Euhelopus is een middelgrote sauropode. Zoals bij veel wat eerder ontdekte sauropoden is een gewichtsschatting traditioneel geworden die een stuk te hoog lag. De lengte werd op vijftien meter ingeschat en het gewicht op vijftien à twintig ton. In 2016 schatte Gregory S. Paul de lichaamslengte op elf meter, het gewicht op drieënhalve ton. In 2010 schatte Christian het gewicht op 3,8 ton. De lagere cijfers komen voort uit een onderkenning dat de romp nogal klein is en de staart kort; overigens gaf ook Wiman al een getekende reconstructie die een lengte van elf meter impliceerde.

De diagnose door Wiman is sterk verouderd. In 2009 werd een moderne opsomming van onderscheidende kenmerken gegeven. De tanden hellen naar voren; de emailrand is asymmetrisch, aan de voorrand oplopend, en er is een goed ontwikkelde kraag op de voorste binnenste kroon. De draaier heeft een uitholling achter het doornuitsteeksel met drie diepere pneumatische uithollingen erin. De derde halswervel heeft een doornuitsteeksel met een overdwars afgeplat naar voren gericht uitsteeksel. Alle halswervels achter de draaier hebben variabel ontwikkelde epipofysen maar ook een soort meer subtiel ontwikkelde 'pre-epipofysen' onder het niveau van de voorste gewrichtsuitsteeksels. Bij de wervelbogen van de halswervels loopt een richel tussen de epipofyse en het voorste gewrichtsuitsteeksel, twee pneumatische uithollingen scheidend. Bij de halswervels zijn de pleurocoelen gereduceerd tot foramina. De doornuitsteeksels van de halswervels zijn zowel in horizontale als verticale lengte gereduceerd. De voorste halswervels hebben drie sporen op de dubbele ribkoppen van hun nekribben. Bij de middelste halswervels hangen de nekribben tot beneden de onderrand van het wervellichaam af door verlengde parapofysen en onderste ribkoppen. De achterste zeven halswervels en alle dertien ruggenwervels hebben gevorkte doornuitsteeksels. Bij de laatste twee halswervels en de eerste vier ruggenwervels zijn de doornuitsteeksels zelfs 'drietanden' doordat de lengterichel in het midden hoger of even hoog is als de eigenlijke metapofysen, de gepaarde helften van de doornuitsteeksels. Bij de middelste en achterste ruggenwervels kruisen de richels naar de parapofyse en het zijuitsteeksel elkaar zodanig dat een 'K' gevormd wordt. Niet alleen alle wervels vóór het heiligbeen maar ook de darmbeenderen zijn gepneumatiseerd.

Skelet thumb|Een reconstructiemodel van de schedel

Schedel De schedel van Euhelopus heeft voor een sauropode een wat afwijkende vorm. De schedel is gedrongen, zoals bij Brachiosaurus maar heeft geen sterke uitholling boven op de snuit. In zijaanzicht heeft de snuit zo een vrijwel rechte aflopende lijn, slechts iets in het midden ingekeept. De snuitpunt is aldus vrij spits. Zowel het voorste snuitbot en het bovenkaaksbeen zijn daarmee nogal hoog. Uit de CAT-scan bleek dat ze volgepakt zijn met vervangingstanden; per tandpositie zijn er wel vier aanwezig. De tanden staan opvallend schuin naar voren. Het is wel vermoed dat dit een gevolg was van een eruit glijden tijdens het proces van fossilisering maar de vooraan hogere rand van het tandglazuur, dat ophield bij het tandvlees, en een dikke rand daar net boven de tandwortel bewijzen dat ze echt schuin stonden. Overigens heeft ook de achterzijde zo'n kraag maar dan verder van het spits af. Naar de tanden is veel onderzoek verricht omdat ze inzicht kunnen verschaffen in de evolutie van de tandvorm bij de sauropoden. Ze hebben een basale vorm die lijkt op die van Camarasaurus: ze zijn 'lepelvormig' in de zin dat ze overdwars afgeplat zijn en middenin iets breder dan aan de hals. Door holle slijtvlakken voor en achter het spits is er een duidelijke punt die echter zelf ook iets is afgesleten. Aan de binnenkant is er een grote verticale richel in het midden. De snijranden hebben geen kartelingen. De tanden werden in een golf vervangen, om en om. Er staan vier tanden in de praemaxilla, tien in het bovenkaaksbeen en dertien in het dentarium van de onderkaak voor een totaal in de kop van vierenvijftig. Dat Euhelopus geen stiftvormige tanden heeft, is een aanwijzing dat die zich bij de Diplodocoidea en de Titanosauria apart hebben ontwikkeld. left|thumb|De linkersnuithelft De praemaxilla en het bovenkaaksbeen strekken zich ver naar achteren uit. Achter bovenaan worden hun buitenzijden uitgehold door de fossa van het neusgat. Op dit punt raken de interne delen van de linker- en rechterelementen van deze kaakbeenderen elkaar niet maar blijven gescheiden door het beenschot dat van de tussenbalk van de neusbeenderen, de neusgaten scheidend, naar beneden afhangt. De neusgaten liggen hoog maar hoe hoog precies is onbekend omdat het bovendeel van de schedel ontbreekt. De verschillende schedelelementen werden los van elkaar gevonden en de reconstructies van Wiman, Mateer en Upchurch wijken daardoor iets van elkaar af. Zo concludeerden Wilson & Upchurch dat een door Mateer beschreven rechterprefrontale in feite een linkerneusbeen was. Tussen de opgaande en de achterste tak van het bovenkaaksbeen ligt een druppelvormige fenestra antorbitalis met de punt schuin naar achteren en boven gericht. Deze schedelopening heeft geen fossa, omringende uitholling. Onder de achterkant ervan ligt een kleine fenestra praeantorbitalis. Het jukbeen bereikt de fenestra antorbitalis vermoedelijk niet. thumb|De CAT-scan leverde deze reconstructie op De vorm van de oogkas in onduidelijk daar de meeste omringende botten ontbreken. Een uitzondering vormt achteraan het postorbitale. Het is driestralig. De achterste tak ligt vrij laag en het bovenste slaapvenster, waarvan het de onderste beenbalk vormt, was dus kennelijk in zijaanzicht zichtbaar, een typisch kenmerk van de Eusauropoda. De tak loopt naar achteren, via een groot en hoog raakvlak, over in het squamosum dat anders dan bij de Nemegtosauridae niet van het bovenste slaapvenster gedrongen wordt dat vrij groot en overdwars breed is. Het onderste slaapvenster steekt naar voren onder de oogkas maar anders dan Wiman reconstrueerde was het waarschijnlijk ook achteraan groot gezien de lange, als zodanig door Wiman niet onderkende, voorste tak van het quadratojugale, zodat het achterhoofd relatief verticaal liep. Wimans reconstructie van de schedel was hier geheel onjuist omdat hij het linkersquamosum voor het rechtersquamosum aanzag en ondersteboven geplaatst had. Het quadratum staat vrijwel verticaal met in de achterzijde een grote fossa die Wiman aanzag voor het foramen quadrati tussen quadratum en quadratojugale.

In het verhemelte heeft het pterygoïde een vreemde vorm, als een plaat in zijaanzicht naar voren in de oogkas stekend. Volgens Mateer was dit een authentiek uniek kenmerk maar Wilson & Upchurch meenden dat het om een vervorming van het fossiel moest gaan. Elementen die Wiman aanzag voor de ploegschaarbeenderen zijn vermoedelijk verhemeltebeenderen met een recht blad als bij Camarasaurus.

Onderkaken thumb|De linkeronderkaak