Patagosaurus (letterlijk: hagedis van Patagonië) is een geslacht van grote plantenetende dinosauriërs dat behoort tot de Sauropoda. De enige benoemde soort is Patagosaurus fariasi.

Patagosaurus werd gevonden in 1978. Het dier werd zo'n vijftien meter lang en was, net als andere basale sauropoden, zwaargebouwd. Patagosaurus is bekend van minstens twaalf individuen, hoewel sommige exemplaren wellicht een aparte soort vertegenwoordigen. Patagosaurus leefde 165 tot 160 miljoen jaar geleden, tijdens het middelste Jura, in het gebied van wat nu Argentinië is. Andere Argentijnse dinosauriërs die ongeveer op hetzelfde moment leefden, waren Piatnitzkysaurus, Condorraptor en Amygdalodon.

Vondst en naamgeving Tussen 1977 en 1982 voerde José Fernando Bonaparte opgravingen uit op de vindplaats van de Cerro Condor Norte in de provincie Chubut. Daarbij werden van 1978 af botten van sauropoden aangetroffen van een nog onbekende soort. De eerste vondst betrof een skelet. In 1980 waren de belangrijkste resten blootgelegd die samen acht individuen vertegenwoordigden. left|thumb|De vindplaats De typesoort Patagosaurus fariasi werd in 1979 door Bonaparte benoemd en kort beschreven. De geslachtsnaam verwijst naar Patagonië. De soortaanduiding eert Ricardo Farias op wiens terrein het typespecimen gevonden werd. De beschrijving uit 1979 was uiterst summier. Bonaparte kreeg de mogelijkheid te publiceren in het gerenommeerde blad Science. De keerzijde hiervan was dat het artikel maar een paar pagina's mocht beslaan waarvan maar weer een paar alinea's aan Patagosaurus gewijd konden worden. Het artikel miste een etymologie van de soortnaam. Niet alleen werd slechts zeer indirect het holotype geïdentificeerd, van het dier zelf werd slechts gezegd dat het op Cetiosaurus leek maar daarvan verschilde in de doornuitsteeksels van de staart en het uiteinde van het zitbeen, zonder aan te geven waarin die verschillen dan bestonden. Toch wordt meestal niet aangenomen dat de naam voorlopig een nomen nudum bleef.

In 1986 publiceerde Bonaparte, die ondertussen de tijd gehad had de fossielen te prepareren en bestuderen, een veel ruimere beschrijving, zij het in het Frans zodat ze niet veel gelezen werd. Voor het eerst werd een inventarisnummer van het holotype aangegeven: PVL 4170. Het is gevonden in een meerafzetting van de Cañadón Asfalto-formatie die dateert uit het Toarcien-Bajocien. Lang werd een jongere leeftijd aangenomen. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet zonder schedel. Het omvat zeven halswervels, tien ruggenwervels, vijf sacrale wervels, achttien staartwervels, ribben, chevrons, de rechterschoudergordel, de bovenkant van het rechteropperarmbeen, de rechterhelft van het bekken, het linkerzitbeen en het rechterdijbeen. Het betreft een volwassen individu. Het holotype is als skelet opgesteld, wat latere bestudering bemoeilijkt. Daarbij werden bij deze opstelling ook elementen van andere xemplaren gebruikt zodat het eigenlijk een composiet is.

In 1986 werd het overige gevonden materiaal aan de soort toegewezen. Bij sommige exemplaren konden aanvullende kenmerken worden waargenomen: deze maakten dus deel uit van het hypodigma en zijn plesiotypen. Het betreft de specimina PVL 4615, PVL 4616, PVL 4171 en PVL 4172. Aangegeven werd dat ze voorlopig ondergebracht waren in het Museo Argentino de Ciencias Naturales Bernardino Rivadavia te Buenos Aires met als inventarisnummers MACN CH 932, MACN CH 933 en MACN CH 935. Niet werd uitgelegd hoe de oorspronkelijke nummers overeenkomen met de tijdelijke. MACN CH 932 bewaart twee halswervels, negen centra van ruggenwervels, zes wervelbogen, een wervelboog van het heiligbeen, drie niet verder te identificeren centra, twee sacrale ribben, de rechterschoudergordel, een rechtervoorpoot minus de hand, een schaambeen, drie middenvoetsbeenderen en drie kootjes waaronder een klauw. Het betreft een vrij klein dier. MACN CH 933 omvat een linkeronderkaak, twee halswervels, vier centra van ruggenwervels, vier wervelbogen van ruggenwervels, een wervelboog van het heiligbeen, een schaambeen, een stuk darmbeen en de rechterachterpoot minus de voet. Het betreft een jong dier. MACN CH 935 bewaart drie centra van ruggenwervels, vier wervelbogen, vijf sacrale wervels waarvan vier met ribben, twee met elkaar vergroeide doornuitsteeksels van sacrale wervels, een losse wervelboog met doornuitsteeksel van het heiligbeen, zeven staartwervels, twee doornuitsteeksels van de staart, drie chevrons, zes ribben, een stuk darmbeen, het rechterschaambeen en beide zitbeenderen. Het betreft een individu even groot als het holotype.

Vier andere exemplaren werden in 1986 toegewezen, dus als homeotypen. Specimen PVL 4076 omvat de linkerpraemaxilla van de snuit, zeven halswervels, vijf ruggenwervels, een losse wervelboog van de rug, ribben, zeventien staartwervels, het rechterschaambeen en de rechterachterpoot minus de voet. Het betreft een groot dier. PVL 4075 omvat drie ruggenwervels, een schouderblad, een linkeropperarmbeen, een stuk zitbeen en een linkeropperarmbeen. Het is wellicht het grootste exemplaar dat opgegraven is. PVL 4617 omvat een nekrib, zes staartwervels, een halve schoudergordel en een klauw. MACN CH 934 omvat beide bovenkaaksbeenderen, vijf wervelbogen van de rug, een half bekken en delen van de ledematen van een jong dier. Bij elkaar maken de vondsten Patagosaurus tot de best bekende sauropode uit de Jura van Zuid-Amerika.

In 2003 is door Oliver Walter Mischa Rauhut nog een dentarium van de rechteronderkaak toegewezen, specimen MPEF-PV 1670, gevonden door Pablo Puerta. Rauhut wees erop dat MACN CH 934 vervangingstanden heeft zonder kartelingen en concludeerde dat dit specimen een ander taxon moest vertegenwoordigen. Tegelijkertijd kondigde hij een nieuwe beschrijving van de soort aan die in 2021 daadwerkelijk gepubliceerd werd.

Beschrijving thumb|De grootte vergeleken met een mens, uitgaande van een axiale lengte van zestien meter

Groote en onderscheidende kenmerken In 1979 ontbrak een schatting van de lengte en het gewicht van Patagosaurus. Dat bleef zo in 1986: veel beschrijvingen wagen zich niet aan zulke schattingen omdat ze ongefundeerd zijn als ze geen methode expliciet maken waarop ze gebaseerd zijn. Een volumetrische studie kwam later op een lengte uit van 16,5 meter gekoppeld aan een minimumschatting voor het gewicht van 8583 kilogram. Zulk een studie meet het volume van het dier door er een model van te maken en is in beginsel vrij betrouwbaar. De methode is ook uiterst arbeidsintensief. In 2001 paste Frank Seebacher een snellere methode toe, bestaande uit het omschrijven van het skelet door simpele polynomiale vormen. Voor Patagosaurus kwam hij uit op een gewicht van 9,44 ton uitgaande van een lengte van vijftien meter. Een zeer innovatieve benadering van het probleem werd in 2006 gesuggereerd door Donald Henderson die voorstelde het gewicht af te leiden uit de diepte en afstand overdwars van elkaar van fossiele sporen, gecombineerd met een algemeen beeld van de lichaamsbouw. Van Patagosaurus zijn weliswaar geen zekere sporen bekend doch het dier kon door zijn compleetheid een indruk geven hoe een basale sauropode eruitzag. Henderson kwam uit op een gewicht van 7,89 ton.

Al deze methoden bevestigen elkaar min of meer en wijzen op een gewicht van acht à negen ton. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het skelet correct gereconstrueerd is. In 2010 gaf Fernando Emilio Novas, die het fossiel materiaal nauwkeurig heeft kunnen bestuderen, aan dat de lichaamslengte toch wat korter lag, op zo'n veertien meter. Dat zou dan overeenkomen met een gewicht van ruim vijf ton.

De beschrijving uit 1979 bevatte geen echte diagnose. De diagnose uit 1986 wees geen expliciete autapomorfieën aan, unieke afgeleide eigenschappen, maar bestond slechts uit een opsomming van opvallende kenmerken. Voor een cetiosauride is de soort groot. De ruggenwervels zijn hoog. De achterste ruggenwervels hebben hoge wervelbogen en welgevormde doornuitsteeksels gevormd uit vier uit elkaar lopende richels en met een massieve bovenkant en verticale luchtholten die sterker verbreed zijn dan bij Barapasaurus. De voorzijden en zijkanten van de wervelbogen lijken op die van Cetiosaurus en Barapasaurus. Het heiligbeen bestaat uit vijf wervels, heeft hoge wervelbogen en een grote verbreding van het ruggenmergkanaal, een holte vormend. Het bekken heeft een schaambeen dat aan de onderzijde verbreed is en aan de bovenzijde sterker dan bij Barapasaurus naar buiten verbreed terwijl de onderste vergroeiing van de schaambeenderen minder verbreed is dan bij Amygdalodon. Het zitbeen is licht overdwars afgeplat, met een richel over de onderste binnenzijde die een lage beenplaat vormt en met een duidelijke verbreding van het onderste uiteinde. Bij jonge dieren is het dijbeen 50% langer dan het scheenbeen, welke waarde bij volwassen exemplaren oploopt tot 70%. De onderkaak is zwak naar binnen gewrongen. De tanden zijn spatelvormig met slijtvlakken.

De herbeschrijving uit 2021 gaf twee autapomorfieën. Bij de achterste ruggenwervels hebben de wervelbogen een uitholling op de onderzijde van het zijuitsteeksel die intern pneumatische uitloopt en van de tegenover gelegen uitholling gescheiden wordt door een dun tussenschot waarbij beide gepaarde uithollingen verbonden zijn met een onderliggende centrale luchtkamer die zich boven het ruggmergkanaal bevindt en daarvan duidelijk gescheiden is. De achterste ruggenwervels hebben een kleine ronde uitholling op de achterzijde van het uiteinde van het zijuitsteeksel.

Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. De halswervels en voorste ruggwervels hebben duidelijke pleurocoelen, diep bij de halswervels maar ondieper bij de ruggenwervels; de pleurocoelen in de hals hebben hun diepste punt vooraan waarbij de achterkant niet duidelijk door een opstaande rand begrensd wordt. Bij sommige halswervels worden de pleurocoelen door een lage richel verdeeld in een dieper voorste en ondieper achterste gedeelte. De halswervels hebben relatief hoge doornuitsteeksels wat gecombineerd met een hoge plaatsing van de achterste gewrichtsuitsteeksels, een relatief hoge hoek van 55° oplevert tussen de richel tussen het achterste gewrichtsuitsteeksel en het zijuitsteeksel en de achterste richel op de onderzijde van het gewrichtsuitsteeksel. De achterste ruggwervels hebben rudimentaire vleugelvormige uitsteeksels. Alle ruggenwervels missen een richel tussen het doornuitsteeksel en het zijuitsteeksel waarbij de zijkanten van de richels tussen het achterste gewrichtsuitsteeksel en het doornuitsteeksel en de richel tussen het achterste gewrichtsuitsteeksel en het zijuitsteeksel elkaar bij de allerachterste ruggenwervels direct raken. De sacrale wervels hebben een verticaal lang doornuitsteeksel. Het darmbeen heeft een bol bovenprofiel, een haakvormig voorbla en een verticaal verlengde aanhangsel voor het schaambeen. De uiteinden van de zitbeenderen zijn met elkaar vergroeid waarbij de gepaarde onderkanten een hoek van 110° maken met het horizontale vlak. Het schaambeen is om de as gewrongen met een niervormig foramen pubicum. Bij het dijbeen is de vierde trochanter op de binnenste achterrand geplaatst en is de buitenste zijkant van de schacht bol.

Skelet thumb|Een skeletopstelling Schedel