Vulcanodon ("vulkaantand") is een geslacht van plantenetende dinosauriërs, behorende tot de Sauropoda, dat tijdens het vroege Jura leefde in het gebied van het huidige Zimbabwe.

Het dier is een van de oudste en meest basale bekende sauropoden en verschaft zo belangrijke informatie over de vroege evolutie van die groep.

Vondst en naamgeving In juli 1969 vond B.A. Gibson op Lake Kariba Island 126/127, een eilandje dat zich gevormd had door het vollopen van het Karibameer in het noorden van Rhodesië, het tegenwoordige Zimbabwe, een bot van een dinosauriër. Tijdens opgravingen in oktober 1969, maart 1970 en mei 1970 werd een groot deel van een skelet opgegraven. De vondst werd in 1970 in de wetenschappelijke literatuur gemeld. left|thumb|De locatie van de vindplaats De typesoort, Vulcanodon karibaensis, werd beschreven door Michael A. Raath in juli 1972. De geslachtsnaam is afgeleid van Vulcanus en het Oudgriekse odoon, "tand". Vulcanus verwees naar het feit dat de vindplaats tussen lagen vulkanisch gesteente in lag. Het ~odon was een verwijzing naar negen dolkvormige tanden die tijdens de opgraving waren gevonden. De vondst werd gezien als een "prosauropode" en die werden in 1972 nog beschouwd als mogelijke omnivoren. In 1984 concludeerde Michael Robert Cooper echter dat die tanden, sterk lijkend op die van Sinosaurus, toebehoorden aan een ongeïdentificeerde theropode die vermoedelijk het karkas afgekloven had en dat "prosauropoden" helemaal geen omnivoren waren. De soortaanduiding verwijst naar het Karibameer.

Het holotype, QG24, is gevonden in een laag terrestrische zandsteen van de Vulcanodon Beds Formation. De datering van deze formatie is onzeker. Oorspronkelijk werd gedacht dat zij uit het Hettangien stamde wat Vulcanodon tot een van de oudste bekende sauropoden zou maken, zo'n tweehonderd miljoen jaar oud. In 2004 echter stelde Adam Mathew Yates dat de lagen uit het Toarcien stamden en dus een twintig miljoen jaar jonger konden zijn. Het holotype bestaat uit een skelet zonder schedel. Het omvat het heiligbeen, twaalf voorste staartwervels, de linkerachterpoot en een rechterdijbeen. Deze botten zijn in verband gevonden. Oorspronkelijk werd gedacht dat resten van beide armen ook tot het holotype behoorden. Later vonden Cooper en Geoffrey Bond echter aanvullende resten, waaronder een stuk halswervel en specimen QG152, een schouderblad, waaruit ze opmaakten dat er meerdere individuen op de vindplaats aanwezig waren. Dat maakt het dus onzeker of de voorpoten echt bij de overige botten horen. Cooper ging er overigens wel van uit dat er maar één type sauropode aanwezig was en zag het aanvullende materiaal naar eigen woorden als een topotype, exemplaren uit de directe omgeving en dezelfde laag die betrouwbare kennis over de bouw van het dier konden opleveren.

In 1984 beschreef Cooper het materiaal opnieuw.

Geologie Het gedeeltelijke skelet (holotype QG24), de gedeeltelijke halswervel en het schouderblad (specimen QG152) werden in de Vulcanodon Beds van Lake Kariba Island 126/127 (Zimbabwe), Batoka Formation, gevonden. Deze formatie is ontsloten in de Zambezi-vallei in Botswana, Zambia en Zimbabwe in de bekkens van de Midden-Zambezi, Mana Pools en Cabora Bassa. De vulkanische formatie bestaat voornamelijk uit hoog-titanium/laag-kalium basaltgesteenten maar bevat ook zandsteen en siltsteen. Jones et al. (2001) dateerden de Batoka Formation op 179,0 to 180,0 Ma.Jones, D. L.; Duncan, R. A.; Briden, J. C.; Randall, D. E.; MacNiocaill, C. (2001). "Age of the Batoka basalts, northern Zimbabwe, and the duration of Karoo Large Igneous Province magmatism". Geochemistry Geophysics Geosystems. 2 (2): n/a. Bibcode:2001GGG.....2.1022J. doi:10.1029/2000GC000110. Andere dateringen geven een ouderdom van 201.6 tot 196.5 Ma. (Hettangien).http://fossilworks.org/bridge.pl?a=collectionSearch&collection_no=34768 De Batoka Formation is de bovenste formatie van de Upper Karoo Group (Karoo Supergroup) en bedekt de Forest Sandstone Formation.Nyambe, Imasiku A.; Utting, John (1997). "Stratigraphy and palynostratigraphy, Karoo Supergroup (Permian and Triassic), mid-Zambezi Valley, southern Zambia". Journal of African Earth Sciences. 24 (4): 563. Bibcode:1997JAfES..24..563N. doi:10.1016/S0899-5362(97)00081-X. Het werd gecorreleerd met de Drakensberg Group van het Great Karoo Basin in Zuid-AfrikaCatuneanu, O.; Wopfner, H.; Eriksson, P.G.; Cairncross, B.; Rubidge, B.S.; Smith, R.M.H.; Hancox, P.J. (2005). "The Karoo basins of south-central Africa". Journal of African Earth Sciences. 43: 211. Bibcode:2005JAfES..43..211C. doi:10.1016/j.jafrearsci.2005.07.007. en met de basaltgesteenten van het Tuli Basin in Botswana en Zimbabwe.Rogers, Raymond R.; Rogers, Kristina Curry; Munyikwa, Darlington; Terry, Rebecca C.; Bradley s.Singer (2004). "Sedimentology and taphonomy of the upper Karoo-equivalent Mpandi Formation in the Tuli Basin of Zimbabwe, with a new 40Ar/39Ar age for the Tuli basalts". Journal of African Earth Sciences. 40 (3–4): 147. Bibcode:2004JAfES..40..147R. doi:10.1016/j.jafrearsci.2004.11.004. De beenderen van Vulcanodon karibaensis werden gevonden nabij de top van een dertig meter dik gelaagd pakket zandsteen en siltsteen dat zowel boven- als onderaan begrensd wordt door basalt. Geografisch bevindt de vindplaats zich in het gebied van de Bumi Hills en de Sibilobilo Islands in het district Kariba, West-Mashonaland, Zimbabwe, Afrika.

Tafonomie De beenderen werden deels in anatomisch verband in de Vulcanodon Beds in een dertig meter dikke opeenvolging van gelaagde siltsteen/zandsteen boven in de Batoka Formation gevonden. Deze opeenvolging wordt door het fossiele stroomkanaal van een rivier doorsneden. De Batoka Formation bevat door de wind verplaatste (eolische) woestijnzanden. Deze afzettingen zijn misschien afkomstig van ver verwijderde puinwaaiersedimenten die tijdens vochtige perioden langs tijdelijke meren lagen. Daarom is het waarschijnlijk dat het kadaver van Vulcanodon ofwel over een korte afstand naar de uiteindelijke plaats van inbedding dreef, ofwel langs de oevers van een tijdelijke stroom of wadi die in een woestijnlandschap vloeide ronddreef. Er is geen spoor van moerassen rijk aan vegetatie.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken Vulcanodon is een relatief kleine sauropode. In 2010 schatte Gregory S. Paul de lichaamslengte op elf meter, het gewicht op drieënhalve ton. Andere schattingen, op basis van de dijbeenlengte, geven een gewicht van 5640 kilogram.http://fossilworks.org/bridge.pl?a=taxonInfo&taxon_no=54979 Populair-wetenschappelijke boeken geven vaak een veel kleiner formaat op van zes à zeven meter. Dat heeft zijn oorsprong in een reconstructie door Cooper van het skelet dat in 1984 afgebeeld werd op een basis van zes meter lengte. Daarbij werd de staart echter afhangend getekend en erg kort ingeschat, de rug werd te gekromd afgebeeld en hals en kop ontbraken. Het dijbeen is 110 centimeter lang en het opperarmbeen zeventig centimeter, wat onverenigbaar is met een lichaamslengte van zes meter. Een probleem hierbij is dat de rug geheel onbekend is.

De diagnoses die Raath en Cooper gaven, waren slechts een opsommende samenvatting van alle kenmerken en dus niet onderscheidend. In 1998 gaven Jeffrey Wilson en Paul Sereno twee autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. Het tweede middenvoetsbeen heeft zijn dunste punt overdwars bovenaan. De tweede en derde voetklauw hebben lage gewrichtsvlakken die breder zijn dan hoog. Het laatste kenmerk werd later ook aangetroffen bij Tazoudasaurus en kan niet meer als autapomorfie gelden.

Skelet

thumb|Een model van het levende dier De schedel is onbekend. Matthew Wedel stelde echter in 2017 dat het gezien zijn positie in de stamboom waarschijnlijk was dat Vulcanodon een langwerpige kop bezat met een afgeronde snuit en iets naar achteren liggende neusgaten.

Van de gevonden halswervel is alleen de achterkant bewaard. Die is sterk hol aan het achterfacet wat Cooper deed vermoeden dat de halswervels opisthocoel waren, van voren bol en van achteren hol. De zijden zijn ook sterk uitgehold. Het gevonden heiligbeen heeft drie wervels bewaard maar Cooper ging ervan uit dat het totaal vier bedroeg. Het heiligbeen, vijfenvijftig centimeter lang, heeft een golvende onderkant. De sacrale ribben zijn versmolten maar vormen geen echt juk. De staartwervels zijn relatief kort en amficoel, aan beide zijden hol. Zij zijn sterk ingesnoerd maar bezitten geen echte, geperforeerde, pleurocoelen. Cooper zag de uithollingen wel als een voorloper daarvan. Het ruggenmergkanaal heeft een ovale doorsnede. Bij Kotasaurus is het rond, bij Barapasaurus bovenaan sterk toegeknepen. De voorste gewrichtsuitsteeksels zijn lang maar de achterste zeer kort. Het doornuitsteeksel is van voor naar achter afgeplat. De chevrons, die van de derde wervel af aanwezig zijn, zijn lang en Y-vormig in vooraanzicht. Onderaan zijn ze recht afgesneden

Het schouderblad QG152 is lang, slank en recht. Door beschadigingen is het lastig de mate van verbreding onderaan en bovenaan te bepalen. Er is aan de onderste voorrand een duidelijk uitsteeksel, de processus acromialis. Op het smalste punt is het blad 4,6 keer overdwars dikker dan breed. De binnenzijde is plat, de buitenzijde licht bol.

Vooral de voorpoot toont dat Vulcanodon normaal een viervoeter was. Het opperarmbeen heeft 64% van de lengte van het dijbeen. Dat is op zich niet afwijkend van de proporties bij tweevoetige sauropodomorfen maar bij deze is de onderarm veel korter dan de bovenarm. Bij Vulcanodon heeft de onderarm, zonder hand, echter 94% van de lengte van de bovenarm en de middenhand heeft weer een derde van de lengte van de onderarm. Dat maakt de arm ruim anderhalve meter lang, ruim voldoende om bij een horizontaal gehouden rug de romp te ondersteunen. De verhoudingen benaderen die van Diplodocus.

Het opperarmbeen lijkt op dat van meer basale sauropodomorfen: van boven veel breder dan van onderen, ingesnoerd en zowel om de as gewrongen als iets gebogen. De deltopectorale kam is echter nogal laag, met een lengtetrog en een richel aan de zijde van de schacht. Onderaan zijn de gewrichtsknobbels slechts weinig ontwikkeld, een teken dat de voorpoot tamelijk recht werd gehouden. De ellepijp is robuust met een halvemaanvormig bovenvlak en een overdwars afgeplatte schacht. Het element loopt eenparig taps toe naar onderen. De bovenste achterkant van de buitenzijde is sterk verticaal uitgehold, met een onduidelijke functie; misschien diende het voor een kapselaanhechting om de sterk ontwikkelde processus olecrani heen. De onderkant is verbreed. Het spaakbeen is recht en dun met een ovaal bovenvlak en een driehoekige dwarsdoorsnede van de schacht. De onderzijde is sterk overdwars afgeplat. De schacht is iets naar achteren gebogen maar heeft geen buiging overdwars. Er zijn geen polsbeentjes teruggevonden. Raath meldde in 1972 drie middenhandsbeenderen maar Cooper kon die in 1984 niet terugvinden. Het ging vermoedelijk om het derde, vierde en vijfde metacarpale. Aan het vijfde zat nog een gereduceerd kootje vast, kennelijk het rudiment van de vijfde vinger. Uit de vorm van de middenhandsbeenderen is op te maken dat ze bovenaan vrij dicht opeen stonden. Ze werden echter kennelijk niet bijna verticaal gehouden zoals bij latere sauropoden, want hun onderste uiteinden zijn tamelijk afgeplat en zullen met de onderzijde op de grond gerust hebben.