De Veldtochten van de Onafhankelijke Congostaat tegen de Arabo-Swahili, ook bekend als de Belgo-Arabische Oorlog of de Arabische campagne in het Maniema-gebied, waren een reeks van militaire operaties die de Force Publique van de Onafhankelijke Congostaat tussen november 1892 tot januari 1894 ondernam tegen de Arabo-Swahilische machthebbers in het oosten van de huidige Democratische Republiek Congo. Deze Arabo-Swahili's, destijds Arabieren genoemd, waren handelaars die de regio de facto economisch domineerden, en zo in concurrentie kwamen met de regering van de Congostaat, die haar gezag over het gebied wilde laten gelden.
De strijd werd gevoerd door lokale gezagsdragers van de Congostaat, aanvankelijk tegen hun orders in. Zij kregen te maken met grote problemen voor de bevoorrading van voedsel, munitie en manschappen. Slechts door enkele gelukkige treffers, eerder dan door strategisch weloverwogen beslissingen, konden zij het conflict in het voordeel van de Congostaat beslechten.
Voor de buitenwereld werd het conflict voorgesteld als een strijd tegen de 'mensonwaardige slavenhandel' en voor de beschaving. In werkelijkheid was de 'bevrijde' inlandse bevolking na afloop van het conflict nauwelijks beter af.
Voorspel De Arabische penetratie in Oost-Congo miniatuur|Ivoorhandel in Dar-es-Salaam. miniatuur|Karavaanroutes vanuit Zanzibar. De binnenlanden van Afrika waren voor Europeanen nog een blinde vlek op de kaart toen vanaf circa 1840 handelaars uit Zanzibar en de Swahilikust het gebied tussen het Tanganyikameer en de Lualaba begonnen te verkennen. De handelswaar die zij er zochten was ivoor, waar een grote vraag naar bestond in India voor het snijden van siervoorwerpen. Van secundair belang was de levering van goedkope arbeidskrachten voor de kruidnagelplantages op Pemba, een teelt geïntroduceerd in 1818.
In de jaren 1870 liep de belangrijkste karavaanroute uit Zanzibar langs de havenstad Bagamoyo en vervolgens westwaarts over de nederzettingen Tabora, Ujiji aan de oostelijke oever van het Tanganyikameer, Baraka aan de westelijke oever, Kabambare, naar Kasongo en Nyangwe aan de Lualuba. Deze nederzettingen groeiden uit tot belangrijke markt- en stapelplaatsen voor de commerciële expedities van de handelaars uit Zanzibar.
De Zanzibarische en Swahilische handelaars, of Arabo-Swahili's, konden door hun technologische voorsprong en door het handig tegen uit elkaar uitspelen van de plaatselijke stammen, de inlandse bevolking domineren en er een machtspositie uitbouwen.
De ontdekkingsreizen van de Europeanen zoals Burton en Speke, Livingstone en later Stanley naar het hart van het continent vertrokken stuk voor stuk uit Zanzibar en volgden de karavaanroutes. Het was in Ujiji dat Stanley in 1871 Livingstone ontmoette. Op deze reis had Stanley ook de gelegenheid om de belangrijkste handelaars in de regio te ontmoeten. Hij zag ze terug op zijn tweede reis in 1876. Met de hulp van de machtigste handelaar in de regio, Hamed ben Mohammed el Moerjebi, bijgenaamd Tippo Tip, zette Stanley toen zijn expeditie op om de loop van de Congostroom te verkennen vanaf Kasongo. Stanley reisde door het continent en bereikte uiteindelijk Boma aan de Atlantische kust. Tippo Tip daarentegen keerde terug oostwaarts, en begon ook de regio rond de Stanley Falls te exploiteren.
Stanley begon vervolgens voor rekening van Leopold II van België het Congobekken vanaf het westen te ontsluiten, terwijl in het oosten Tippo Tip en de andere handelaars hun posities nog versterkten.
De Congostaat en de Arabo-Swahili's miniatuur|Allegorische voorstelling van de samenwerking tussen de drie rassen, waarbij de Europeaan de vlag van het staatsgezag vasthoudt. Tekening van Eugène Broerman. De Europese mogendheden wezen in 1885 op de Koloniale Conferentie van Berlijn het Congobekken toe aan Leopold II, waarmee de Onafhankelijke Congostaat ontstond. Bij deze beslissing gingen ze eraan voorbij dat de handelaars uit Zanzibar in Oost-Congo reeds het feitelijke staatsgezag op zich hadden genomen, onder de formele suzereiniteit van de sultan van Zanzibar.
De Congostaat, die in het oosten nog zeer zwak stond, trachtte de Arabo-Swahilische machthebbers in de regio in te schakelen in het nieuwe gezagssysteem. Volgens de heersende doctrine, onder meer aangehangen door Jérôme Becker, kunnen de Arabieren de kinderlijke Afrikanen arbeidsethos en discipline bijbrengen door hen te werk te stellen in hun plantages.Laurent Poschet, Oriëntaties in Midden-Afrika
Stanley sloot op 24 februari 1887 in ZanzibarStanley was in Zanzibar om een expeditie uit te rusten om Emin Pasha te ontzetten, en sloot met Tippo Tip een tweede contract, voor de levering van dragers voor de expeditie. namens de Congostaat een verdrag met de sultan en met Tippo Tip, waarin deze laatste werd aangesteld tot wali of gouverneur van Stanley Falls (Kisangani). Tippo Tip moest het gezag van de Congostaat laten gelden in het territorium, begrensd door de Aruwimi en de Lualaba, de "Arabische zone" genoemd. Hij kreeg hierbij, naar het model van Nederlands-Indië, een blanke resident naast zich. Het was de bedoeling dat ook de lucratieve ivoorhandel voortaan over de Congostroom naar de havens aan de Atlantische kust zou verlopen. Ook zou Tippo Tip hand-en-spandiensten kunnen leveren bij de organisatie van een expeditie naar het Nijlgebied (de Lado-enclave), de grote droom van Leopold II.
Al spoedig bleek dat Tippo Tip aan zijn functie een andere invulling gaf dan de centrale regering van de Congostaat voor ogen had gehad: in plaats van de wil van de koning uit te voeren, beschouwde Tippo Tip zich eerder als een vazal die binnen zekere beperkingen zijn zin kon doen. Bovendien was Tippo Tip geen heer en meester in oostelijk Congo: hij was eerder een primus inter pares. Sommige andere handelaars beschouwden de overeenkomst van Tippo Tip met de Onafhankelijke Congostaat als collaboratie. Rumaliza, de machthebber aan het Tanganyikameer, liet zelfs de vlag van de Congostaat omhakken en vervangen door de rode vlag van de sultan van Zanzibar,L. Catherine, p. 30 die hij als enige autoriteit erkende. In Europa werd de benoeming van een (ex-)slavenhandelaar in een officiële functie fel bekritiseerd.
Onder invloed van de denkbeelden van kardinaal Lavigerie werd in België de Société antiesclavagiste de Belgique opgericht.Dit was een vereniging van voornamelijk katholieke intellectuelen, onder leiding van graaf Hippolyte d'Ursel. Twee jaar later, in 1890, kwam de Conventie van Brussel tot stand, die de slavenhandel veroordeelde en de middelen aangaf om ertegen te strijden, inclusief het sturen van militaire expedities. Het klimaat van samenwerking met de Arabische handelaars, zoals voorgestaan door Jérôme Becker, sloeg nu om in een sfeer van confrontatie.
Toenemende spanningen miniatuur|Tippo Tip (rechts) en zijn halfbroer Bwana Nzige (links) in 1889. In 1890 vertrok Tippo Tip uit Stanley Falls naar Zanzibar.Tippo Tip moest zich in Zanzibar gaan verdedigen in een burgerlijk proces dat Stanley tegen hem had aangespannen over het niet naleven van het contract voor de levering van dragers in de Emin Pasha Relief Expedition. Aan de Falls werd hij opgevolgd door zijn neef Rashid ben Mohammed, bijgenaamd Kamanga, de zoon van zijn halfbroer Bwana Nzige. Tippo Tips zoon Sefu ben Hamed nam zijn zaken over in Kasongo. Sefu moest het contract uitvoeren dat zijn vader in Zanzibar had afgesloten voor de levering van inlandse soldaten voor het leger van de Onafhankelijke Congostaat,Contract afgesloten op maart 1892 door consul Fleury voor 2.000 manschappen. Een soortgelijk contract, voor arbeiders, werd in december 1891 afgesloten door Becker namens de Congolese Spoorwegen, voor 2.600 manschappen. Deze inlanders werden gerekruteerd door razzia's, en geketend geleverd tegen een vergoeding van 350 frank. (A.M. Delathuy, p. 271-272. D. Vangroenweghe, p. 60-61) maar eigenlijk was hij de Europese inmenging liever kwijt dan rijk.
Andere Arabo-Swahilische handelaars die een machtspositie hadden uitgebouwd, waren Mohara in Nyangwe, Rumaliza in Ujiji en Kibonge te Kirundu. Zij vormden geen gesloten front, maar waren onderlinge rivalen. Mohara en Rumaliza waren verbeten tegenstanders van de Europeanen, terwijl Rashid, Sefu en Kibonge tot op zekere hoogte met hen samenwerkten.
De belangrijkste vooruitgeschoven militaire steunpunten van de Congostaat begin 1892 waren in het zuiden Lusambo aan de Sankuru en in het noorden Basoko op de Congostroom.
Staatsinspecteur Guillaume Van Kerckhoven leidde in 1891-1893 een expeditie vanuit het westen noordwaarts met het oog op de expansie naar het Nijlgebied, wat uiteindelijk de Lado-enclave zou worden. Onderweg werd alle ivoor, dat verzameld was door agenten van de heersende handelaars, in beslag genomen. Rashid verloor vijfhonderd slagtanden, Sefu zevenhonderd en Mohora leed een verlies van een miljoen goudfrank.D. Vangroenweghe, p. 61 Deze tegenslag leidde ertoe dat de in die regio actieve handelaars hun onderlinge rivaliteiten bijlegden en besloten de infiltratie van de Europeanen in de "Arabische zone" een halt toe te roepen.
Het onafhankelijke rijk van Msiri in Katanga was het doelwit van vier expedities. De eerste, onder de vlag van de Onafhankelijke Congostaat, onder leiding van Paul Le Marinel, vanuit Lusambo, stichtte de post Lofoi. Andere expedities naar Katanga waren voor de rekening van de Compagnie du Katanga en stonden onder leiding van Alexandre Delcommune, Emile Francqui, en William Grant Stairs. Bij deze laatste werd Msiri gedood (20 december 1891) en Katanga formeel aangehecht.
De Société antiesclavagiste de Belgique begon inmiddels militaire expedities uit te rusten tegen de slavenhandel. Een eerste expeditie was een mislukking, maar een tweede expeditie onder leiding van kapitein Jules Jacques de Dixmude bereikte vanuit het oosten het Tanganyikameer.Jacques kon, onder de vlag van de Société antiesclavagiste de Belgique, nog de oostelijke route nemen via Zanzibar en Duits-Oost-Afrika. Het officiële leger van de Onafhankelijke Congostaat kon echter deze oostelijke route niet meer nemen en moest via de Atlantische havens en de Congostroom oprukken. Hij stichtte er begin 1892 Albertstad als douanepost om de export van slaven te beletten. Tot woede van Rumaliza in wiens invloedssfeer hij zich vestigde, hief hij er prompt een belasting van twintig percent op de ivoorhandel. Dit was in flagrante tegenspraak met het principe van vrijhandel dat in 1885 aan de Onafhankelijke Congostaat was opgelegd. Rumaliza liet boma's bouwen: forten bestaande uit boomstammen en aarden wallen. Hierdoor kon hij de controle over de communicatielijnen tussen Maniema en Zanzibar behouden.
In mei 1892 werden tien leden van de expeditie van de Belgische ivoorhandelaar Arthur Hodister afgeslacht bij Riba Riba aan de Congostroom.In werkelijkheid gebeurde dit niet in één keer aangezien de expeditie zich had opgesplitst. Noblesse en staatsagent onderluitenant Michiels werden gedood kort na het bezoek van Tobback aan Michiels op 9 mei. Hodister, Desmedt, Goedseels en dokter Magery werden gedood op 15 mei, Pierret op 17 mei te Lhomo. Chaumont verdronk op de vlucht in de Lomami. Mussche en Jouret stierven van dysenterie. Dit gebeurde in het gebied van Mserera, een vazal van Mohara, de heer van Nyangwe. Dit voorval raakte in augustus bekend in Brussel en zorgde voor grote beroering. Koning Leopold vaardigde een instructie uit dat de Arabieren niet mochten worden aangevallen.A.M.Delathuy, p. 288-289 Hij vreesde dat het contract met Tippo Tip om soldaten te leveren niet zou kunnen worden uitgevoerd.D. Vangroenweghe, p. 67-68 Tegen het ogenblik dat deze instructie in Congo arriveerde was zij reeds volledig achterhaald door de gebeurtenissen.
Begin van de vijandelijkheden miniatuur|Francis Dhanis, "overwinnaar van de Arabieren".