Leptoceratops (betekent 'klein', 'onbeduidend', 'slank' of 'mager' gehoornd gezicht) is een geslacht van uitgestorven basale ('primitieve') Ceratopia uit het Laat-Krijt, zo'n 70 tot 66 miljoen jaar geleden, dat in het gebied leefde van wat nu Noord-Amerika is. Beenderen zijn gevonden in Alberta, Canada en in Wyoming. Wellicht konden ze, net als bijvoorbeeld Iguanodon, staan en lopen op hun achterpoten, maar hun gewone gang was op vier poten. Leptoceratops werd twee meter lang en woog tussen de zeventig en tweehonderd kilogram.

Ontdekking Leptoceratops gracilis Leptoceratops was het eerste kleine ontdekte lid van de Ceratopia. Hij werd bij Tolman Ferry opgegraven in 1910, door Barnum Brown in de Red Deer River Valley in Wheatland County in Alberta, tijdens diens eerste veldseizoen in Canada in opdracht van het American Museum of Natural History. Het fossiel lag aan het oppervlak van een koeienpad en was door verwering en de hoeven van runderen sterk beschadigd geraakt. Bij dit eerste exemplaar ontbrak bijvoorbeeld het grootste deel van de schedel en Brown was niet in staat de bouw van het dier goed te reconstrueren, waarvan hij de lengte inschatte op slechts vier voet. Wel herkende hij het als een ceratopiër, ondanks het ontbreken van een neushoorn. Toen Charles Whitney Gilmore echter Brachyceratops benoemde, begreep Brown het belang van zijn vondst en benoemde in 1914 Leptoceratops gracilis. De geslachtsnaam combineert een Oudgrieks λεπτός, leptos, 'tenger', met een verwijzing naar de Ceratopia. De soortaanduiding betekent eveneens 'lichtgebouwd' in het Latijn.

Het holotype AMNH 5205 is gevonden in een laag van de Scollardformatie die dateert uit het late Maastrichtien en ongeveer zevenenzestig miljoen jaar oud is. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: de neusbeenderen, de bovenkaaksbeenderen, een deel van de rand van een oogkas, de achterrand van een schedelkraag, het dentarium, predentarium en spleniale van de onderkaak, een reeks van vierentwintig staartwervels, een rechterschoudergordel en -voorpoot, en fragmenten van de achterpoten. In 1998 stelden Michael Ryan en Philip John Currie dat het bij dit materiaal in feite om twee individuen gaat en benoemden het individu met de schedel, de rechtervoorpoot en de staart als het lectotype waarvan ze voorstelden dat het inventarisnummer AMNH 5205 voortaan alleen voor dit exemplaar gebruikt zou gaan worden.

Leptoceratops kreeg eerst weinig aandacht en het onderzoek naar basale ceratopiërs richtte zich na 1922 op de van veel completer materiaal bekende Protoceratops. In 1947 echter vond Charles Mortram Sternberg bij Drumheller een aanzienlijk vollediger exemplaar, specimen CM 8889. Tegelijkertijd vond zijn assistent, Thomas Potter Chamney, een wat kleiner individu, CM 8888. Aan het eind van het seizoen werd daarnaast het nog kleinere en zeer gave CM 8887 aangetroffen, toentertijd het meest complete ceratopiërskelet dat ooit gevonden was. C.M. Sternberg beschreef de soort op basis van deze vondsten opnieuw. De drie nieuwe skeletten duidde hij formeel aan als plesiotypen van de soort omdat er veel aanvullende kenmerken bij waar te nemen waren. Vrijwel het hele skelet is erdoor bekend.

In 1970 publiceerde Dale Alan Russell de eerste skeletreconstructie van Leptoceratops. Hierin werden echter een aantal fouten gemaakt. Russell werd maar ten dele beïnvloed door de moderne ideeën van de 'dinosauriërrenaissance'. Hij plaatste de schoudergordel laag op een vrij brede en hoge borstkas met bijna verticale ribben. Dat dwong de voorpoten in een gedeeltelijke spreidstand met een vrijwel horizontaal opperarmbeen en bracht de voorste romp zeer dicht bij de grond. Vanuit zo'n reconstructie lag het voor de hand aan te nemen dat Leptoceratops een facultatieve tweevoeter was, die dus desgewenst de romp kon heffen om alleen op de achterpoten te rennen. Dat werd aannemelijker gemaakt doordat in zo'n stand de voorpoten in zijaanzicht erg kort leken. Daarbij viel door de hoge borstkas niet zo op hoe enorm de schedel eigenlijk was, een eigenschap die een tweevoetige gang sterk bemoeilijkt. Verder liet hij de staart afhangen.

Er is later, in 1978, door John Ostrom materiaal gevonden uit het late Maastrichtien van de Lanceformatie in het Bighorn Basin in het noorden van Wyoming. Dit was dus de eerste keer dat de resten van het dier ook in de Verenigde Staten van Amerika werden aangetroffen. Het ging om specimen YPM 18133, bestaande uit de achterkant van een skelet en een losse tand.

Van de jaren negentig af is het aantal vondsten snel toegenomen. Uit Canada betreft het de specimina RTMP 93.95.1: een gedeeltelijk skelet; RTMP 95.86.1: een gedeeltelijk skelet; RTMP 94.86.1: een fragmentarisch skelet; RTMP 99.47.1: een niet in verband liggend skelet zonder schedel; en RTMP 2005.8.1: een fragmentarisch skelet zonder schedel. Uit Montana zijn twee specimina toegewezen aan een Leptoceratops cf gracilis: UWGM-200, een gedeeltelijke schedel, en UWGM-201, een maxillaire tand inclusief tandwortel. Dit brengt het aantal exemplaren dus op twaalf maar wegens de reeds hoge kwaliteit van de eerdere vondsten is onze kennis over de soort erdoor niet toegenomen met uitzondering van specimen UWGM-200 waarbij voor het eerst de hersenpan bestudeerd kon worden.

Leptoceratops cerorhynchus De typesoort van het geslacht is Leptoceratops gracilis. In 1942 werd een skelet dat Brown in 1916 gevonden had in Montana door hem benoemd tot een tweede soort: Leptoceratops cerorhynchus, de 'neushoorn', maar in 1951 werd dit door C.M. Sternberg, die door zijn vollediger vondsten een beter beeld had gekregen van Leptoceratops gracilis, toegewezen aan een eigen geslacht, Montanoceratops.

Beschrijving thumb|Een reconstructie van het skelet als tweevoeter door Jaime Headden aan de hand van CM 8887; bij grotere exemplaren zijn de voorpoten langer en de schedel toont enkele valse beennaden die het gevolg zijn van compressie

Grootte en algemene bouw Leptoceratops is een vrij klein dier, zij het niet zo tenger als Brown meende. Peter Dodson dacht in 1996 dat het holotype 2,7 meter lang kon zijn geweest. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lichaamslengte van Leptoceratops op twee meter, het gewicht op honderd kilogram. Een 2,7 meter lang exemplaar zou dan een tweehonderd kilogram hebben gewogen.

Leptoceratops leek sterk op de eerder in het gebied levende Prenoceratops. De enorme kop en relatief korte en hoge staart wijzen erop dat de normale gang op vier poten was. De voorpoten zijn krachtig gebouwd en lang genoeg om zich zonder ongemak als viervoeter voort te bewegen. Bij de kleinste exemplaren echter zijn de voorpoten korter en kan een tweevoetige wijze van voortbewegen de normale zijn geweest.

Skelet Schedel De schedel heeft zowel in bovenaanzicht als in zijaanzicht een driehoekig profiel dat naar voren uitloopt in een spitse punt. De snuitpunt en de punt van de onderkaken zijn licht gebogen tot een snavel die bij het levende dier met hoorn bedekt was. De snuit heeft een bol profiel dat niet helemaal geleidelijk loopt: bij de bovenkant van de snavel ligt een knik en verder is er het begin van een neushoorn zichtbaar op de neusbeenderen welke echter niet verruwd is; een echte hoornschacht ontbrak dus vermoedelijk. Het neusgat vormt een schuin naar boven en achteren gerichte ovaal. Het rostrale, de beenkern van de bovensnavel, heeft een horizontale onderrand; de achterste tak ervan loopt vrij ver door. Zo omvat het rostrale een voorste bolling van de praemaxilla. De achterrand daarvan wordt weer ingekeept door de bolle voorrand van het bovenkaaksbeen. Daarboven heeft de praemaxilla een vrij ver naar achteren doorlopende schuine tak. De achterste tak eronder heeft een bolle onderrand. Daarin bevinden zich geen premaxillaire tanden. Het bovenkaaksbeen heeft in het midden een diepe en hoge eivormige uitholling, de fossa antorbitalis. De bovenkant van de uitholling wordt gevormd door een opvallend groot traanbeen. De tandenrij van het bovenkaaksbeen, in zijaanzicht opvallend bol, is over de volle lengte ingesprongen wat wijst op de aanwezigheid van vlezige wangen. Er zijn zeventien maxillaire tandposities. De tanden vormen geen echte tandbatterij en hebben ook geen dubbele wortels. Er is maar één vervangingstand per positie. Ze tonen een duidelijk cingulum, een verdikte tandbasis. Hun spits is afgesleten en heeft een opvallende inkeping. thumb|De schedel De voorhoofdsbeenderen zijn niet geplooid om een dubbel schedeldak te vormen met een holte ertussen zoals bij de ceratopiden. Ze hebben achteraan slechts bescheiden uithollingen als aanhechting voor de sluitspieren van de onderkaken, geen diepe zoals bij Prenoceratops. De uithollingen worden niet gescheiden door een middenrichel. Het postorbitale toont geen spoor van een wenkbrauwhoorn. De wandbeenderen zijn vooraan flink ingesnoerd door driehoekige bovenste slaapvensters. Achteraan verbreden ze zich tot het begin van een schedelkraag maar pariëtaalvensters ontbreken, net als bij Prenoceratops. Reeds Brown vond dit in 1910 opvallend daar zulke gaten zo typerend zijn voor de ceratopiden. Er is bij Leptoceratops ook nauwelijks ruimte voor. De wandbeenderen hebben over hun volle lengte een lage middenkam die in zijaanzicht een licht bol profiel heeft. Dit toont geen bulten als bij de ceratopiden. Het squamosum wikkelt zich wat om de achterste bovenkant van het quadratum heen. left|thumb|upright=1.7|CM 8888 en, met schedel, CM 8887, de gaafste fossielen van Leptoceratops, tentoongesteld in het Canadian Museum of Nature Op het bovenste achterhoofd, dat niet naar voren helt als teken dat de schedel vrij sterk naar beneden gehouden werd, vormt het ruitvormige centrale supraoccipitale de bovenrand van het achterhoofdsgat. Dit is een basaal kenmerk; bij ceratopiden sluiten de zijdelingse exoccipitalia het supraoccipitale van het foramen magnum uit. Het onderste basioccipitale raakt het achterhoofdsgat echter niet, een typisch kenmerk van de Neoceratopia. Basaal is echter dat het twee derden vormt van de achterhoofdsknobbel, het dubbele als bij ceratopiden. De korte nek van de achterhoofdsknobbel is aan de zijkanten en onderkant wat ingeknepen, anders dan bij Montanoceratops. Onder de knobbel bevindt zich een opvallende uitholling. De zijuitsteeksels, de processus paroccipitales waaraan de musculus longissimus capitis superficialis hecht, de spier die de kop doet draaien, worden vrijwel geheel door de exoccipitalia gevormd, opnieuw een typisch neoceratopisch kenmerk. Het opisthoticum, dat in 2007 voor het eerst voor een neoceratopiër beschreven kon worden, is een klein wigvormig element. De aanhangsels onder de hersenpan, de processus basipterygoïdei, staan verticaal. Een eigenaardigheid is dat de zesde hersenzenuw, de nervus abducens een uitgang heeft precies in de beennaad tussen het proöticum en het basisfenoïde.

De oogkas is groot en hooggelegen, in de vorm van een afgeronde liggende rechthoek. Aan de voorrand steekt een palpebrale naar achter, ontspruitend aan de naad tussen prefrontale en traanbeen. De bovenrand wordt grotendeels gevormd door het prefrontale en het postorbitale maar middenin ook voor een stukje door het voorhoofdsbeen. Onder de oogkas ligt een groot driehoekig jukbeen. Het steekt in een scherpe punt naar achteren en bezijden uit, de grootste breedte van de schedel vertegenwoordigend. De punt bezit een epijugale, een vastgegroeid huidverbening. Deze steek verder naar achter uit dan de achterkant van de onderkaak. Bovenaan raakt het jukbeen net het squamosum, aan de bovenrand van het halvemaanvormige onderste slaapvenster. Dit dringt het postorbitale van diezelfde bovenrand, hoewel dat alleen in bovenaanzicht goed te zien is.

In het verhemelte bevindt zich tussen pterygoïde, ectopterygoïde en het verhemeltebeen een opening. Het ectopterygoïde maakt geen contact meer met het verhemeltebeen.

Onderkaken