Jan Jozef Francisca Gaston Feremans (Mechelen, 20 mei 1907 – Berchem, 11 februari 1964) was een Vlaamse postromantische componist, tenor, organist en dirigent.Tenzij anders aangeduid, zijn de biografische gegevens in dit artikel ontleend aan Meeuws (1966a).
Opleiding Gaston Feremans werd geboren in een muzikaal gezin, dat zijn talent aanmoedigde. Zijn eerste muzieklessen kreeg hij tijdens de Eerste Wereldoorlog van de toen zelf nog zeer jonge Staf Nees (geboren in 1901). Hij liep school in het Sint-Romboutscollege, waar hij vijf jaar kapelorganist was, en waar hij meezong, ook als solo jongenssopraan, in het in 1916 door Jules Van Nuffel opgerichte Sint-Romboutskoor. Vanaf 1917 volgde hij tegelijkertijd les aan het Mechelse conservatorium, onder andere bij August De Boeck. Hij maakte zijn studie aan het Sint-Romboutscollege niet af, en ging in 1924 studeren aan het Lemmensinstituut, toen nog in Mechelen gevestigd. Daar kreeg hij les van directeur Jules Van Nuffel, van Flor Peeters en van Marinus de Jong. Die studie maakte hij wel af, en op 22 juli 1929 behaalde hij de prestigieuze Prijs Lemmens-Tinel. Hij legde ook een staatsexamen voor muziekleraar af, en studeerde, op advies van Van Nuffel, nog lang genoeg aan het Koninklijk Conservatorium Brussel om er een diploma zang te behalen in de klas van Maurice Weynandt. Hij kreeg er ook lessen van August De Boeck en van Paul Gilson (orkestratie), maar door ziekte moest hij zijn verdere studie daar afbreken.
Verreweg het grootste deel van zijn opleiding, en zeker het meest determinerende, kreeg hij dus in het katholiek onderwijs. Hij hield er een onwrikbare religieuze overtuiging aan over, die een van zijn voornaamste inspiratiebronnen zou worden.
Feremans bleef zijn leraren zijn hele leven lang dankbaar. Marinus de Jong, Staf Nees en Flor Peeters getuigen daarvan in hun bijdragen aan Meeuws 1966.Marinus de Jong, "Mijn Leerling", pp 74–75; Staf Nees, "De Kunstenaar ter Zee", pp 93–94; Flor Peeters, "Herinneringen aan Gaston Feremans", pp 95–96. En hij had een speciale band met August De Boeck, die hij vereerde.Teirlinck 2011:185–186.
Het begin van zijn carrière Nog tijdens zijn studie en ook daarna trad Feremans regelmatig met succesDewilde 1998. op als zanger, o.a. in de "Concerts spirituels" in Brussel en voor de radio. Als dirigent trad hij in de zomer van 1930 elf keer op tijdens de Wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen. Met de financiële steun van de abdis van een karmelitessenklooster in Mechelen richtte hij een groot orkest op, waarmee hij als dirigent vijf concerten gaf. Maar hij moest zijn grootse plannen voor de toekomst met dat orkest opgeven, toen in 1931 die abdis verwikkeld geraakte in een financieel schandaal.Dewilde 1989:357. Hij richtte dan het Sint-Jansmannenkoor op, voor wie hij zijn eerste mis schreef, de Missa in honorem Sanctae Teresiae a Jesu Infante voor vier mannenstemmen; hij creëerde die in 1931. Inmiddels kreeg hij ook de leiding van het Mechels Gemengd Koor.
In zijn onderhoud voorzag hij door optredens en het geven van privémuzieklessen. Na zijn huwelijk in 1932 verhuisde hij naar Antwerpen, waar hij in contact kwam met onder anderen Willem de Meyer en Jef Van Hoof, musici die de Vlaamse Beweging genegen waren. Naast godsdienst werd Vlaamsvoelendheid zijn tweede grote inspiratiebron.
In deze tijd componeerde hij een aantal liederen, zijn eerste oratorium, Johannes de Doper (eerste uitvoering op 20 december 1934) en een Symfonisch Poëma in memoriam César Franck (eerste uitvoering in november 1935).
Aalst Op 30 oktober 1934 werd Feremans benoemd tot directeur van de stedelijke muziekschool van Aalst. Al gauw klaagde hij over tegenwerking van stadsbestuur en Aalsterse muzikanten, over de onverschilligheid van de bevolking en over zijn moeilijke financiële toestand. Hij wilde niets liever dan directeur worden van het Mechels conservatorium, maar de zittende directeur, Godfried Devreese, gaf niet z'n ontslag, wat Feremans gehoopt had.Feremans' klachten over Aalst en zijn hoop op een Mechelse benoeming blijken uit brieven van 1935 en 1936, geciteerd in Dewilde 1989. Volgens Dewilde was Feremans ook geen goed pedagoog en administrator.
Toch werkte hij hard in Aalst: hij gaf zelf veel lessen aan de muziekschool, hij was dirigent van het Aalsters Orkest, van het Mechels Gemengd Koor en van het Vlaams Nationaal Gemengd Koor, en hij componeerde.
Composities uit de Aalsterse periode In Aalst schreef hij onder andere een tweede oratorium, Maria (1935–1937; eerste uitvoering 4 mei 1937), het Mariaspel De Legende van O.-L.-V. van Hanswijck (voor de 950e verjaardag van de Mariaverering in HanswijkZie hierover Hanswijkprocessie en Hanswijkcavalcade. in 1938), een drietal cantates (waaronder een nooit uitgevoerde Priester Daens-cantate, 1939), enkele liederen en koorwerken, en vooral zijn enige voltooide Symfonie, in c klein (1935–1936; eerste uitvoering 24 maart 1936).
Voor dat laatste werk kreeg hij kritiek van sommige Vlaams-nationalisten, kritiek die hij afwees met de woorden: "Ik word door hen zowat beschouwd als een vaandelvluchtige, eenvoudig omdat ik me opsluit binnenshuis en zo hard werk als maar mogelijk is. Maar als ik dan dat laatste deeltje mijner symfonie (gebouwd op het Vaandellied van Jef Van Hoof) daarin herlees dan kom ik tot de conclusie, dat ik met dat werk heel wat meer heb gedaan voor de beweging dan zij met tien jaren geroep en geschreeuw van 'Heil en Houzee'."In een brief van 8 januari 1936, geciteerd in Willaert 1989:360. Hij had zich overigens niet helemaal opgesloten: hij was actief betrokken bij de organisatie van het Vlaams Nationaal Zangfeest, waar hij als dirigent optrad tussen 1936 en 1943, en waarvoor hij propaganda maakte met het Vlaamsch Nationaal Gemengd Koor.
Tweede Wereldoorlog, culturele collaboratie en de repressie Publieke activiteiten, culturele collaboratie en de gevolgen ervan Tijdens de Tweede Wereldoorlog trad Feremans op als dirigent, vooral van het door hem in 1941 opgerichte koor Het Vendel. Daarmee gaf hij concerten in heel Vlaanderen, die zeer succesrijk waren. Maar hij trad daarmee ook op voor organisaties als het Vlaamsch Nationaal Verbond, de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV), de paramilitaire Vlaamsche Wachtbrigade en de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag), en ook voor de door de Duitse bezetter gecontroleerde Zender Brussel. In deze jaren componeerde hij onder meer strijdliederen als Dietsche jeugd, Mijn volk wordt groot en Het lied der Dietsche vrouwen. Ferdinand Vercnocke schreef hiervoor de teksten.
Met ingang van 1 mei 1941 aanvaardde Feremans, op verzoek van Wies Moens, een benoeming als directeur van de muziekdiensten van Zender Brussel. Samen met zijn koor Het Vendel was hij er betrokken bij de herdenking van de nationaalsocialistische politicus Reimond Tollenaere nadat die op 22 maart 1942, als onderluitenant bij het Vlaams Legioen (Waffen-SS), in Rusland was omgekomen.Van de Vijver 1990:64 Feremans gaf zijn ontslag na een reeks conflicten met de bezetter, verliet Zender Brussel op 31 december 1943,Van de Vijver 1990:64. en werd weer directeur van de Muziekschool van Aalst.
Kort na de bevrijding, op 9 september 1944, werd hij op beschuldiging van culturele collaboratie aangehouden en opgesloten, eerst in Aalst, later in het hechteniskamp van Lokeren en in de gevangenis van Mechelen. Op 10 mei 1946 werd hij door het Krijgshof van Brussel veroordeeld tot zeven jaar gevangenis en 50.000 frank boete; ook werden hem zijn politieke en burgerlijke rechten ontnomen. Feremans werd vervroegd vrijgelaten op 23 maart 1947. Bij arrest van het hof van beroep van Brussel op 20 februari 1959 werd hij, na een persoonlijke aanvraag gevolgd door onderzoek door de procureur-generaal, in eer hersteld, waardoor hij terug van zijn burgerrechten kon genieten.
De gevolgen van zijn veroordeling en gevangenschap waren zwaar. Zijn voordien al wankele gezondheid kreeg een zware knauw, want de condities van zijn gevangenschap, met name in Lokeren, waren niet goed. Bovendien was hij zijn betrekking kwijt, want op 6 december 1948 werd hij door de gemeenteraad van Aalst "wegens gebrek aan burgertrouw" ontslagen met terugwerkende kracht tot september 1944. Dat betekende dat zijn financiële situatie zeer precair was (ze zou dat trouwens blijven tot kort voor zijn dood). In de jaren na zijn gevangenschap werd hij daarbij in vele kringen geboycot. Hoe ingrijpend die boycot was, kan worden geïllustreerd met wat er gebeurde met zijn Missa Reginae Pacis. Hij begon die te schrijven in 1940 op verzoek van Jules Van Nuffel, voltooide ze in 1948 en droeg ze logischerwijze aan op Van Nuffel. Van Nuffel was enthousiast, maar werd zo onder druk gezet dat hij het niet waagde ze uit te voeren.Dewilde 1989:358. En Monseigneur Van Nuffel was sinds 1946 Geheim kamerheer van de paus!Van Espen 2006:98.
Een paar belangrijke composities uit die tijd Tijdens zijn gevangenschap (september 1944 tot maart 1947) heeft Feremans veel gecomponeerd, meer dan zestig werken; het was een van de meest vruchtbare periodes uit zijn hele leven. In Lokeren componeerde hij onder andere de Missa recollectionis (Mis van inkeer), oorspronkelijk voor driestemmig mannenkoor a capella, later bewerkt voor zesstemmig gemengd koor en orgel. Deze mis werd gecreëerd door zijn "Klompenkoor", bestaande uit mede-gedetineerden, in het hechteniskamp van Lokeren op kerstdag 1944.De Munter 1966.
Ook in Lokeren schreef hij op 10 oktober 1944 zijn bekendste compositie, Gebed voor het Vaderland, op een tekst van zijn mede-gedetineerde Remi Piryns. Het werd oorspronkelijk geschreven in f-klein voor vierstemmig mannenkoor a capella, maar ondertussen is het bekend in talloze bewerkingen. Het is vaste prik op vele Vlaams-nationalistische bijeenkomsten. Het is ook een van de liederen die door sommige linkse flaminganten voorgesteld worden als nationale hymne van Vlaanderen, ter vervanging van De Vlaamse Leeuw met zijn onmiskenbaar Franse stijl en zijn al te bloederig klauwende leeuw.Onder andere door Valeer Portier op het 27e Vlaams Nationaal Zangfeest in 1964 en recent nog, op 11 juli 2013, door Guido Lauwaert. Volgens hen is het Gebed voor het Vaderland muzikaal een aanzienlijk betere compositie.; zie hier. Gearchiveerd op 15 augustus 2022.
Na 1944 Om den brode werd Feremans organist, in 1948 aan de Sint-Augustinuskerk, en van 1951 tot 1962 aan de Sint-Antoniuskerk in Antwerpen, waar hij na zijn gevangenschap woonde. Eveneens om den brode deed hij mee aan muziekwedstrijden: 1951 Fantasia: tweede prijs van de wedstrijd uitgeschreven door de Beiaardschool in Mechelen 1952 Toccata, Cantileen en Rondo voor piano en blaaskwartet: tweede prijs, van een wedstrijd voor kamermuziek van de provincie Antwerpen 1958 Sonatine voor beiaard: Expoprijs van de wedstrijd uitgeschreven door de Beiaardschool in Mechelen 1958 Kleine Jaarkrans van Geestelijke en Wereldlijke Liederen: "aanmoedigingspremie buiten wedstrijd" van de Compositieprijs Lodewijk Mortelmans, toegekend door de inrichtende Stichting Noordstarfonds.Die tweede prijzen en die aanmoedigingspremie waren beslist eervol, gezien de namen van de winnaars, respectievelijk Henk Badings, Marinus de Jong en Jef van Hoof.