Nomina sacra (enkelvoud: nomen sacrum) betekent "heilige naam" in het Latijn.

Deze uitdrukking wordt gebruikt om de groep van namen van God of aanverwante begrippen aan te duiden die bij het schrijven van handschriften meestal werden afgekort door contractie.

In zijn boek Manuscripts of the Greek Bible geeft Bruce MetzgerBruce M. Metzger. Manuscripts of the Greek Bible (1981). 15 dergelijke begrippen uit de Griekse papyrussen: God, heer, Jezus, Christus, zoon, geest, David, kruis, moeder, vader, Israël, verlosser, mens, Jeruzalem en hemel. Het nomen sacrum voor moeder werd niet gebruikt tot de vierde eeuwText of the Earliest New Testament Greek Manuscripts - Philip Comfort and David Barett (1999) pp.34-35. De contractie of abbreviatuur werd aangeduid met een lijntje boven het woord.

Gebruik De eerste nomina sacra die in de vroegste christelijke documenten worden teruggevonden zijn Θεός, Κύριος, Χριστός, en ἸησοῦςSchuyler Brown, Concerning the Origin of the Nomina Sacra, Studia Papyrologica 9 (1970) (God, heer, Christus en Jezus). Een tweede groep ‘‘nomina sacra’’ werden minder regelmatig afgekort en niet steeds op dezelfde wijze, het zijn: Πνεῦμα, Ἄνθρωπος en Σταυρός (geest, mens en kruis). De derde groep, Υἱός, Πατήρ, Δαυὶδ, Μήτηρ, Σωτήρ, Ἰσραήλ, Ἱερουσαλήμ en Οὐρανός (zoon, vader, David, moeder, verlosser, Israël, Jeruzalem en hemel) kwam pas later in gebruik en werd ook niet steeds op dezelfde manier gebruikt.

In het Latijn zijn niet alle 15 nomina sacra, die als dusdanig gekend zijn uit de Griekse teksten, overgenomen in dezelfde hoedanigheid. Men vindt, zeker in de oudere teksten, geen afkortingen voor verlosser, vader, moeder, kruis en hemel in de context van de nomina sacra en de afkortingen voor zoon en mens worden zeker niet uitsluitend gebruikt als nomen sacrum. In het latijn komt dan weer wel sanctus (heilig) voor als nomen sacrum in de associatie met spiritus (geest).W.M. Lindsay, Notae Latinae: an account of abbrevation in Latin mss. of the early minuscule period, 1915, Cambridge University Press pp. 395 -396.

Het afkorten van een aantal woorden in een handschrift bleef natuurlijk niet beperkt tot het Grieks. Ook in het Latijn en in alle andere talen zoals ook in het Middelnederlands werd er driftig afgekort en de afkortingen beperkten zich niet tot de ‘‘nomina sacra’’, ook andere woorden werden afgekort. Wat we wel bij de ontwikkeling van nieuwe schriftsoorten meestal vaststellen is dat aanvankelijk de ‘‘nomina sacra’’ worden afgekort en dat andere abbreviaturen slechts later optreden. In de Latijnse manuscripten, zoals in de vernaculaire, zijn de afkortingen voor de ‘‘nomina sacra’’ niet standaard en overal gelijk, het gebeurt zelfs frequent dat men verschillende abbreviaturen vindt in hetzelfde manuscript en bij dezelfde scribent.

Oorsprong Sommige onderzoekers,Ludwig Traube, Nomina Sacra: Versuch einer Geschichte der christlichen Kurzung (München, Beck, 1907) voerden het gebruik van ‘‘nomina sacra’’ terug op de Joodse traditie van het tetragrammaton, waarbij de naam van God zonder klinkers werd geschreven. Het Hebreeuws werd vanouds alleen met medeklinkers geschreven. In latere tijd werden er klinkertekens toegevoegd als hulp bij de uitspraak. Deze klinkers horen dus niet bij de heilige, oorspronkelijke tekst. Omdat het verboden was de naam 'JHWH' uit te spreken, zei men bij het voorlezen van teksten meestal 'adonai' (mijn heer; eigenlijk een meervoudsvorm uit eerbied) als er 'JHWH' stond. De masoreten hebben daarom bij het overschrijven van teksten van de Tenach de naam 'JHWH' meestal voorzien van de klinkers van 'adonai'. In veel gevallen staat er 'Adonai JHWH' en in die gevallen werden de klinkers van het woord 'elohim' (God) ingevoegd, zodat men de woordcombinatie niet als 'adonai adonai' uitsprak, maar als 'adonai elohim'. De vroege christenen zouden dan in hun schriften deze traditie hebben overgenomen en de naam van God ook niet woordelijk hebben geschreven. Traube baseerde zich voor zijn these op het feit dat woorden als god, geest, vader, moeder, heer, mens etc. wel voluit werden geschreven als er geen heilige persoon mee bedoeld was. Bovendien waren de abbreviaturen die wel in gebruik waren in de vroege niet christelijke geschriften meestal suspensiessuspensies: laten vallen van de rest van het woord. terwijl de ‘‘nomina sacra’’ werden afgekort door contracties.Contracties: het middendeel van het woord of een of meerdere delen ervan laten vallen om het woord in te korten. AnderenA. H. R. E. Paap, Nomina Sacra in the Greek Papyri of the First Five Centuries A.D.: The Sources and Some Deductions (Leiden: Brill, 1959). schrijven dit dan toe aan joods-christelijke invloeden.

We kunnen wel vaststellen dat in de cursieve schriftsoorten, de schriften voor het snel schrijven dus, ook bij de niet christelijk schrijvers veel meer wordt afgekort en dat daar ook contracties worden gebruikt voor woorden die hoegenaamd niets met ‘‘nomina sacra’’ te maken hebbenLindsay, pp. 7-9.

Voor het standpunt van Traube pleit dan weer dat Christian van Stavelot, een monnik die het schrijven onderwees op de abdij van Stavelot, over het verschil van het gebruik van het nomen sacrum voor Jezus en de naam Joshua schreef (vrij vertaald): "Men schrijft de naam van Jezus met iota, èta en sigma, want de naam van God kan niet met letters worden verklaard, maar als het over een mens gaat schrijven we de naam met alle letters."Originele tekst: “scribitur lesus per iota et eta et sigma et apice desuper apud nos...sicut et alia nomina Dei comprehensive debent scribi, quia nomen Dei non potest litteris explicari. Quando purum hominem significat, per omnes litteras scribitur.” Een ander voorbeeld vinden we in een Valerius Maximus uit Florence waar een corrector een groot aantal keer de afkortingen voor spiritus, sanctus en dominus heeft geëxpandeerd op die plaatsen waar ze niet in de theologische zin gebruikt werden. Dergelijke correcties zijn in talloze handschriften terug te vinden.Lindsay pp. 396 - 397.

Samenvattend kan men stellen dat de specialisten het er nog steeds niet over eens zijn of het nu gewoon om afkortingen gaat dan wel om een bijzondere, geheiligde voorstelling, van het begrip.Institute for Religious Research: The Tetragrammaton and the Christian Greek Scriptures, Appendix K: Nomina Sacra 28.1 KiB

Latijnse abbreviaturen van nomina sacra De gebruikte afkortingen zijn afhankelijk van het type schrift, de naamval van het afgekorte woord en dergelijke. Lindsay geeft hiervan een volledig overzicht.zie Lindsay, pp. 402-412. Hierbij enkele voorbeelden: Christus: xp, xps, xpm, xpum, chi, cho, chm, chri, chro, chrm David: dd, dad Deus: ds Dominus: dns, dn, dms, dom Hierusalem: hierusal, hierul, hierus, hierusl, hiers, hieru, hiru, hier, hir, hirm, ierl, hierlm, ihrlm Iesus: ihs, ihm, ihu, ihus, ihum Israel: isrl, isral, ihl, irl, ishl, isrhl, israhl, irl, srl Spiritus: spus, spum, spm, sps

Lijst van de Griekse nomina sacra Nederlands Grieks Nominatief Genitief God Θεος Heer Κυριος Jezus Ιησους Christus Χριστος Zoon Υιος Geest Πνευμα David Δαυειδ Kruis Σταυρος Moeder Μητηρ Vader Πατηρ Israël Ισραηλ Verlosser Σωτηρ Mens Ανθρωπος Jerusalem Ιερουσαλημ Hemel Ουρανος

Lijst van manuscripten van het Nieuwe Testament die nomina sacra bevattenAl de nomina sacra en de data van de manuscripten komen uit The Text of the Earliest New Testament Greek Manuscripts - Philip Comfort et David Barett (1999) Grieks manuscriptDatum van het manuscriptGebruikte Nomina SacraP1(P. Oxy. 2)250 P4 (Suppl. Gr. 1120)66 - 175 P5 (P. Oxy. 208 + 1781)200 P9 (P. Oxy. 402)200 - 300 P12 (P. Amherst. 3b)250 - 300P13 (P. Oxy. 657 + PSI 1292)225 - 250 P15 (P. Oxy. 1008)250 - 300 P16 (P. Oxy. 1009)250 - 300 P17 (P. Oxy. 1078)250P18 (P. Oxy. 1079)250 - 300 P20 (P. Oxy. 1171)250 P22 (P. Oxy. 1228)250 P24 (P. Oxy. 1230)275 - 300 P27 (P. Oxy. 1395)250 P28 (P. Oxy. 1596)275 - 300 P29 (P. Oxy. 1597)200 - 225 P30 (P. Oxy. 1598)200 P32 (P. Rylands 5)150 - 200P35 (PSI 1)200 - 300 P37 (P. Mich. Inv. 1570)250 P38 (P. Mich. Inv. 1571)175 - 225 P39 (P. Oxy. 1780)200 - 250 P40 (P.Heldelberg G. 645)200 - 300 P45 (Papyri Chester Beatty I)200 P46 (Papyri Chester Beatty II + P. Mich. Inv. 6238)80 - 150

P47 (Papyri Chester Beatty III)250 - 300 P48 (PSI 1165)200 - 300P49 (P.Yale 415 + 531)250 P50 (P. Yal 1543)275 - 300 P53 (P. Mich. inv. 6652260 P64 (Gr. 17)66 - 175P65 (PSI XIV 1373)250 P66 (P. Bodmer II + Inv. Nr. 4274/429890 - 130P69 (P. Oxy. 2383)250P70 (P. Oxy. 2384 + PSI Inv. CNR 419, 420)250 - 300 P72 (Papyri Bodmer VII et VIII)250 - 300 P75 (Papyri Bodmer XIV et XV)125 - 190P78 (P. Oxy 2684)250 - 300 P90 (P. Oxy 3523)150 - 175P91 (P. Mil. Vogl. Inv. 1224 + P. Macquarie Inv. 360)250 P92 (P. Narmuthis 69.39a + 69.229a)250 - 275 P100 (P. Oxy 4449)275 - 300 P101 (P. Oxy 4401)200 - 250 P106 (P. Oxy 4445)200 - 250 P108 (P. Oxy 4447)175 - 200 P110250 - 300P111 (P. Oxy 4495)200 - 250P113 (P. Oxy 4497)200 - 300P114 (P. Oxy 4498)250 - 300P115 (P. Oxy 4499)225 - 275 0162 (P. Oxy 847)275 - 300 0171 (PSI 2.124)275 - 300 0189 (P. Berlin 11765)175 - 200 0220 (MS 113)275 - 300

Categorie:Paleografie